Leef je in in je tegenstander

Behoedzaam moet de NAVO zijn. Die strategie lijkt lovenswaardig, ware het niet dat het uit de weg gaan van keuzes vooral armoedig is, vindt Thomas von der Dunk....

Thomas von der Dunk

Vrijdag is het rapport Het nieuwe strategisch concept van de NAVO gepresenteerd, van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Het eerste dat opvalt is de verstandige terughoudendheid: collectieve verdediging van het eigen grondgebied moet de hoofdtaak blijven. Voor de bestrijding van internationale criminaliteit, piraterij en terrorisme wordt de NAVO nadrukkelijk niet als eerste aangewezene beschouwd. En dat geldt eveneens voor de mondiale veiligheid en daaruit resulterende militaire missies buiten het eigen verdragsgebied. Ook bepleit de AIV terecht een behoedzame uitbreidingsstrategie.

Met dat laatste onderschrijft zij het standpunt van de meeste Europese landen, dat in de praktijk inmiddels ook dat van Washington geworden is. Maar bij het voorlaatste punt distantieert zij zich feitelijk van de NAVO-aanwezigheid in Afghanistan (en dus ook die van ons in Uruzgan) en verwoordt zij haar reserves voor soortgelijke toekomstige ondernemingen. Daarmee keert zij zich duidelijk tegen de vorige en huidige secretaris-generaal, De Hoop Scheffer en Rasmussen, die juist voortdurend veel verdergaande mondiale ambities voor de NAVO hebben geformuleerd. Dat de AIV nergens dit contrast tussen haar pas op de plaats en hun grote sprong voorwaarts nadrukkelijk signaleert, is opvallend.

Die terughoudendheid als zodanig valt te prijzen, aangezien de opkomst van Brazilië, Rusland, India en vooral China in samenhang met de kredietcrisis de Amerikaanse dominantie van de afgelopen twintig jaar sterk heeft ondergraven, en daarmee de westerse mogelijkheden om mondiaal de toon te zetten door overal ‘naar believen’ te interveniëren drastisch heeft gereduceerd. De AIV realiseert zich duidelijk, anders dan klaarblijkelijk de huidige NAVO-top, dat het Westen zal moeten kiezen welk probleem het het belangrijkst vindt.

Maar met dat impliciete realisme houdt het lovenswaardige aan dit rapport wel op – juist omdat vervolgens nauwelijks gekozen wordt. Op analytisch niveau valt het rapport om die reden niet anders dan als armoedig te betitelen. Het is een soort beschrijvende catalogus van problemen waartegen het Westen wereldwijd aanloopt zonder dat echt prioriteiten worden gesteld en de onderlinge verwevenheid ter sprake komt.

Zo maakt de voortgaande preoccupatie met Afghanistan ons van Pakistan afhankelijk, waardoor wij langdurig tegenover India dreigen te komen staan, dat wij als grote democratie tegenover het autoritaire China niet als partner kunnen missen. Wie China voor de klimaatproblematiek of de kredietcrisis nodig heeft, zal over Tibet moeten zwijgen – dus de vrijheidsproblematiek zal dan niet de boventoon kunnen voeren, wat weer de geloofwaardigheid van westerse kritiek op mensenrechtenschendingen ondermijnt.

De obsessie met een mogelijke Iraanse kernbom maakt ons via de VN afhankelijk van Rusland – met consequenties voor Georgië en Oekraïne, en dus het Europese democratiseringsprogram. En de steun bestrijden voor Iran dan wel Al Qaida onder de moslims in het Midden-Oosten, kan niet zonder het eindelijk eens stevig durven aanpakken van Israël. Niet omdat Israël feitelijk voor de onderontwikkeling in de Arabische wereld verantwoordelijk is, maar omdat de bezetting van Palestina in Arabische ogen onacceptabel is, zodoende voor autocratische regimes een bruikbaar propagandawapen tegen het Westen vormt – en reeds daardoor een essentieel onderdeel van de problematiek in de hele regio geworden is. Want wat politiek telt, is niet, of dat ‘objectief’ juist is, maar of miljoenen mensen dat zo zien.

Niets van dit alles komt in het rapport aan bod. En wat nog minder aan bod komt, en in zekere zin nog essentiëler is, is een basaal besef van de eigen westerse rol bij het ontstaan van bepaalde problemen in verleden en heden. Alle problemen worden nu gebracht alsof zij ons als kwade buitenaardse krachten overkomen.

Een goede analyse begint met een verklaring van waarom de tegenstander zo denkt als hij denkt – en waarom dat ook logisch is. Bijvoorbeeld door China’s trauma inzake onze koloniale verdeel-en-heerspolitiek van een eeuw geleden erbij te betrekken, dat inzichtelijk maakt waarom Peking bij elke opmerking over Tibet als door een wesp gestoken reageert.

Zoals de Britse historicus Tony Judt onlangs schreef: ‘Als je goed wilt begrijpen wat grote wereldmachten gaan doen, kun je je het beste afvragen wat hun geografische uitgangspositie is; wat hun belangen op de langere termijn zijn en wat zij de voorlaatste keer in soortgelijke omstandigheden hebben gedaan.’ En ik zou daar nog een vierde vraag aan willen toevoegen: wat zouden wij in hun positie, met hun wereldbeeld en hun verleden, hebben gedaan? Kortom: proberen te kijken door de ogen van de tegenstander, of dat nu Poetin of Peking betreft.

Geen van die drie eerste vragen – laat staan de nog veel wezenlijker vierde – heeft de AIV zich gesteld, terwijl dat cruciaal is om de wereld te begrijpen en dus daarbinnen effectief te opereren. Daarom schiet dit rapport als intellectuele exercitie danig tekort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden