Laveren tussen literatuur en politiek

Aad Nuis..

AMSTERDAM Schrijvers wantrouwen politici, wist Aad Nuis al in 1980. In Bzzlletin: ‘Ze blijven van een ander soort.’ De dichter en literatuurcriticus moest zijn entree voor D66 in de Tweede Kamer nog maken – die volgde een jaar later.

Het was alsof hij zich sindsdien genoodzaakt zag uit te leggen dat die werelden niet zo gescheiden hoeven te zijn. Tegen Elsevier in 1987: ‘Ik heb nooit affiniteit gehad met de opvatting dat literatuur alleen maar vorm is. Ik heb ook altijd van een bepaald soort essayisten gehouden die zich uitspreken over de wereld.’ Hij voelde zich meer thuis bij de ‘coöperatieve’ benadering van Renate Rubinstein (zijn eerste vrouw), Bram de Swaan, Günter Grass en V.S. Naipaul, dan bij de ‘kritische afstand’ van Hugo Brand Corstius, Gerrit Komrij en Jan Blokker – ‘die gebruiken columns om te laten zien dat ze met de wereld geen donder te maken willen hebben’.

Zelfs toen hij in 1994 staatssecretaris voor cultuur, media en – tijdelijk – hoger onderwijs werd, en volledig door ‘Den Haag’ leek te zijn opgeslokt, bleef hij refereren aan die andere biotoop. Aan het lezen: eindelijk de klassiekers uit de wereldliteratuur waar hij als recensent nooit aan toe was gekomen. Aan het schrijven: ooit zou hij iets gaan publiceren over dat wonderlijke bedrijf aan het Binnenhof. Het leek soms bedoeld als gebaar aan de literaire tribune: ik zit dan nu wel hier, maar ik ben jullie van de boeken niet vergeten. Politicoloog in de literatuur, literator in de politiek. Gistermorgen overleed hij, 74 jaar oud.

Toen anderen de balans opmaakten van zijn vierjarig staatssecretariaat in Paars I ging het ook over de verpakking. Atzo Nicolaï, oud-secretaris van de Raad voor Cultuur, nu VVD-kamerlid, prees in 1998 in de Volkskrant zijn taalgebruik. ‘Zijn teksten zijn helder, doordacht.’ Maar ook werd hem ‘kleurloosheid’ aangewreven.

Op het terrein van de omroepen is vooral het toelaten van BNN tot het publieke bestel als belangrijkste wapenfeit blijven hangen – ‘om de tot gezapigheid geneigde publieke omroep een injectie toe te dienen van oneerbiedig elan in de taal van de jeugd’. Op hoger onderwijs heeft hij zich als bewindsman nauwelijks geprofileerd. Hij raakte al begin 1995 de portefeuille wetenschapsbeleid kwijt aan minister van Onderwijs Jo Ritzen.

Een leven tussen literatuur en politiek tekende zich af vroeg af. De in 1933 in Sliedrecht in een gereformeerd gezin geboren Nuis ging sociologie en politieke wetenschappen studeren in Amsterdam, maar leverde ook al snel bijdragen aan het studentenblad Propria Cures.

De dubbele inborst, in combinatie met zijn lichaamslengte, weerspiegelde zich in bijnamen: ‘Twee meter twijfel’, ‘Aad de Denker’. Jan Blokker persisteerde bij ‘de reusachtige Nuis’. Gerard Reve had het al eerder over ‘Aap Muis.’

Zijn literaire gewicht en maatschappelijke betrokkenheid namen gaandeweg in betekenis toe. Hij deed sociologisch onderzoek op Jamaica, werd wetenschappelijk medewerker polemologie en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en sympathiseerde met de Provobeweging.

Maar al snel leverde hij als schrijver en criticus bijdragen aan onder meer Avenue, Tirade, NRC Handelsblad en de Volkskrant. Een betrekking in 1975 als vaste recensent in de Haagse Post leidde tot vestiging van een zekere reputatie: doorgaans mild, kundig, een tikkeltje saai. In NRC-Handelsblad, in 1991: ‘Dat zeiden ze bij de HP ook vaak: schrijf eens een scheldstuk. Ik wilde vertellen welke boeken de moeite waard waren.’

Binnen D66 – hij had het ‘einde der ideologieën’ voorvoeld – was hij dan allang actief, eerst als ‘meedenker’ op de achtergrond, later in Kamer en Senaat. Hij ontpopte zich als de intellectuele rechterhand van partijleider Hans van Mierlo. Ze voelden verwantschap, en die betrof, niet toevallig, op de eerste plaats de taal. De spreektrant van Van Mierlo, ontdekten beiden, paste bijna naadloos in de manier van schrijven van Nuis. Van een stuk voor een congres konden ze niet meer achterhalen wie welke regel schreef.

Nuis zei nooit uit te zijn op het voeren van polemieken. Gematigdheid, dat paste hem beter. Maar hij wist geregeld de toorn en spot te wekken van schrijvers als W.F. Hermans, Komrij en Heere Heeresma. ‘Misschien heeft het te maken met mijn idee dat gematigdheid en onverschilligheid begrippen zijn die niet bij elkaar horen. Wat ik schrijf roept daardoor in zijn gematigdheid toch weerstanden op’, (in Elsevier).

Als hij dan toch zijn stem verhief, was de keuze niet altijd gelukkig. Samen met Rubinstein verdedigde hij de veroordeelde collaborateur Friedrich Weinreb. Onderzoek van het RIOD wees uit dat de man fout en een fantast was; ook na die wetenschappelijke bevindingen kon Nuis het zich maar moeilijk voorstellen. In 1986 opende hij het vuur op Frans Kellendonk: de roman Mystiek Lichaam bevatte antisemitische trekjes. Het heeft de brede erkenning van Kellendonk nooit in de weg gestaan.

Na zijn staatssecretariaat belandde Nuis in de luwte, al is het dualisme daar nog aan te wijzen. Als voorzitter van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak ijverde hij met succes voor de vaste boekenprijs. In 2004 verscheen Op zoek naar Nederland, waarin Nuis bij wijze van memoires de mentaliteitsgeschiedenis van de laatste zestig jaar beschouwt. ‘Een vriendelijk boek’, oordeelde Trouw, ‘met iets te weinig pit en brille.’ ‘Een keurig onopwindend boek’, schreef Jan Blokker. De door hem gekoesterde gematigdheid werd in zijn laatste literaire bijdrage in elk geval begrepen.

Rob Gollin

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden