LATEN ZIEN WAT ER IS

Rudi Fuchs' romance met de kunst is er een van altijd en overal: in ateliers, op reis, tijdens nachtelijke gesprekken....

Tussen kunstenaars, noemde hij zijn boek, wat toch een duidelijke karakterisering is. Maar hij gaf er nog een toevoeging bij: 'Een romance', als een ingebouwde zekerheid dat het hier een liefdesverklaring betreft en geen afrekening met een milieu zoals W.F. Hermans in Onder professoren deed. Toch zit het boek vol afrekeningen, alleen niet met het milieu, maar met oude patronen en vroeger geliefde historische theorieën die nu het zicht verstoren.

Rudi Fuchs, kunsthistoricus en directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, bundelde zijn publicaties en lezingen van de afgelopen veertig jaar. Het is een imponerend omvangrijk boek, kolossaal, 830 pagina's dik, dat bijna honderd teksten bevat verdeeld over zes hoofdstukken, en gepresenteerd wordt als 'een overzicht van een halve eeuw hedendaagse kunst'.

Het boek is opgedragen aan een leermeester, de Leidse hoogleraar Henri van de Waal. 'Ter herinnering' staat er eenvoudig. Op de achterflap wordt het wezen van die opdracht nader uitgewerkt in een enkele opmerking, tussen haakjes gezet als een terzijde, die niettemin alles inhoudt van de leerschool die Fuchs in die veertig jaar heeft doorlopen: 'Laten zien wat er is, dat is eigenlijk alles.'

Het voorwoord is al even summier en laconiek, een alinea lang, korzelig bijna, alsof zijn boek (en zijn leven) eigenlijk geen inleiding behoeft. Fuchs profileert zich dan toch als het karakter achter zijn gedachten. Vrijwel alle teksten in het boek, zegt hij, 'zijn geschreven omdat erom gevraagd werd, vaak door kunstenaars'. En: 'Lang geleden dacht ik dat een criticus omwille van de harde objectiviteit vriendschappen met kunstenaars zou moeten vermijden. Maar in de praktijk van mijn werk in musea kwam niets van dat voornemen terecht. Ik ben daarom geen criticus. In de omgang met kunstenaars is de kwaliteit van hun werk een gegeven; de aandacht gaat naar hoe en in welke omstandigheden en met welke ambitie kunstwerken gemaakt worden en, vooral, hoe ze er precies uitzien.' Daar is het motto van de leermeester weer (en de dubbele titel van het boek).

Fuchs' romance met kunst vindt plaats, vertelt hij, in musea, ateliers, in landschappen, op reis - en daarvan zijn deze teksten 'een informeel verslag'. Bij herlezing ontdekte hij de constante dat er zich een zekere toon in genesteld had. 'Dat komt omdat mijn obsessies nooit zijn veranderd; ik wil alleen maar uitleggen, in detail, hoe het zit met kunstwerken.'

En zo worden we meegevoerd, op een lange reis, in de tijd der jaren ook, naar ateliers en door landschappen en steden, langs hartstochtelijk gevoerde nachtelijke gesprekken, en gedachtenlijnen die de geschiedenis opnieuw bezien; natuurlijk langs heel veel kunstwerken en langs de ontwikkeling van zijn geest. Alleen die laatste reis, een proces van een lange en diepe ervaring mogen we vermoeden, schetst hij niet als zodanig - die moeten we zelf maar zien te volgen, verstrooid als die is over al die verschillende bijdragen.

In zijn teksten ontbreekt een verantwoording, behalve over het jaar waarin ze zijn geschreven. Voor welke gelegenheid ze zijn gemaakt is moeilijk uit te maken; tentoonstelling, catalogus, lezing, prijsuitreiking, feest: sommige zijn bekend of als zodanig te traceren, naar de rest moet je maar gissen. Er zit ook geen ontwikkeling in chronologische zin in het boek. Fuchs hopt door de geschiedenis en zijn ervaringen heen en weer. Het beeldregister is uiterst summier: van iedere kunstenaar een afbeelding van het werk zwart-wit en op postzegelformaat, dat meer werkt als een symbool dan als een verhelderende illustratie.

Dat zijn de leesbeperkingen van het boek, het heeft zo zijn eigen gedragscodes van toegankelijkheid. Lees het nooit in een ruk, daar is het niet voor bedoeld; met dat doel zijn die teksten ook nooit geschreven.

Fuchs' romance begint met een mooie, weemoedig stemmende beschouwing over de poëzie van de filmer Pasolini, gezet tegenover het klimaat van zijn eigen jeugd in de jaren vijftig, wat hem direct confronteert met zijn beperkingen. 'Echte dichters, kunstenaars in het algemeen', zegt Fuchs, 'zijn mensen die heel dicht in de buurt komen van het hart van hun gevoelens, daar waar andere mensen allang van hun eigen sentiment schrikken en bang worden voor idioot versleten te worden.'

Het voert hem ook naar een van de thema's in het boek, die steeds weer terugkeren; bij Pasolini gaat het om 'het dialect als moeder aller talen', elders om de invloed van land en regio op het werk van een kunstenaar, en dan niet in de zin van licht en kleur en landschap, maar van een voortvloeien uit de geschiedenis. 'De moderne cultuur', zegt hij verderop, 'leert ons opgewonden te raken, nieuwsgierig en gretig, bij het zien van iets volkomen nieuws. Het overzicht van de kunst van de twintigste eeuw is ingedeeld naar momenten van vernieuwing. Dat is praktisch. Maar kunst is altijd ook heel oud; zij komt voort uit de broeierige warmte van een lange geschiedenis.'

Door de aard van het boek - aparte stukken, geschreven voor bepaalde gelegenheden - barst het van de herhalingen en weerkerende thema's. Steeds weer opnieuw schetst hij de sturende rollen van Cézanne en Mondriaan, herschrijft hij de positie van Kurt Schwitters en van de Duitse expressionisten in de geschiedenis en rekent hij af met een andere leermeester, de Amerikaanse criticus Clement Greenberg, in diens interpretatie van de rol van de Amerikaanse kunstenaars als de enige erfgenamen van het modernisme. 'Wij hebben daar zo stellig in geloofd dat in vele Europese musea de Europese kunst van de jaren vijftig en zestig veel minder zichtbaar was dan de kunst van de Amerikaanse tijdgenoten.' Een stuk verder roept hij ons op om Europa opnieuw te ontdekken en de Amerikanen, 'de roofridders van onze traditie', ons Europa weer af te pakken. Dat is geen beschouwing meer (een tekst uit 1987), maar een strijdkreet vanaf de barricade.

Het karakter van Tussen kunstenaars is er vooral een van kleine, bevlogen geschreven, betrokken monografiën, van observaties, met kennis en liefde, van de kunstenaars en hun werk die Fuchs begeesteren en dierbaar zijn. Van die vermaledijde Amerikanen tot de lang miskende Europeanen, van Judd en LeWitt tot Baselitz, Kiefer, Penck, Immendorff, Lüpertz, Förg, Dibbets, Gilbert en George. Alleen ontbeert het boek een lijn, een verband, een structuur.

De constante die Fuchs bij zichzelf bespeurde, is er wel: 'Uitleggen, in detail, hoe het zit met kunstwerken.' Maar het wil niet zeggen dat er, in die veertig jaar, niets in zijn denken en ervaring is veranderd. Er is een groot verschil in stijl tussen zijn eerste stukken en de latere, die veel vrijer en filosofischer zijn. Hij beschouwt al zijn stukken, hoe lang geleden geschreven ook, kennelijk als autonome werken, onaantastbaar; die nooit meer herzien of bijgewerkt hoeven worden, terwijl er sindsdien toch veel is gebeurd. Het gaat in Tussen kunstenaars daarom meer om een verzameling stukken, die elk zicht geven op een bepaalde tijd, dan om een integrale terugblik.

Ook zijn kijken, en daarmee 'dat laten zien wat er is', moet in die bijna halve eeuw zijn veranderd. 'Wie eenmaal de nerveuze spanning in een atelier heeft meegemaakt en een gevoel heeft ontwikkeld voor die opwinding', zegt hij zelf in een tekst uit 1998, 'kan nooit meer zonder meer terugkeren naar de beschouwelijkheid van de kunsthistorische bibliotheek.' En: 'Voor Dürer was het afwegen en verwerpen bij zijn moeizame en tastende zoektocht naar vervolmaking niet anders dan voor Baselitz. Toen ik dat eenmaal besefte, ging voor mij de geschiedenis van de kunst opnieuw open.'

In een paar bijdragen, eind vorige eeuw geschreven, spreekt hij het verlangen uit die eeuw nu opnieuw in samenhang te bezien. Hij zou dat zelf nog eens moeten doen, die geschiedenis opnieuw opengooien, daar zijn deze essays, waarvan een paar al een poging daartoe doen, eigenlijk de ideale vingeroefeningen voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden