'Lastige' Loudi Nijhoff acteerde op eenzame hoogte

Loudi Nijhoff kon zich nooit neerleggen bij een manier van toneel maken die leidde tot halfbakken voorstellingen. In 1930 vertrok ze bij Eduard Verkade, in 1969 liep ze weg uit een repetitie bij Globe....

MARTIN SCHOUTEN

'NEEN, ge zijt niet voor uw plezier naar de schouwburg geweest, maar ge hebt toch heel goed in de gaten gehad dat Loudi Nijhoff op aangrijpende wijze deze eerste Rotterdamse rol heeft gespeeld', schreef Jan Willem Hofstra in 1952 in de Volkskrant.

'Loudi Nijhoff, die de aristocratische moeder-bemoeial tot in de perfectie realiseerde, bleek voor Ensemble een zo aanzienlijke versterking dat de zwakke plekken des te sterker naar voren kwamen', schreef Jan Spierdijk in 1958 in De Telegraaf.

Loudi Nijhoff was zo goed dat er tussen haar en de rest van het Nederlands toneel vaak een kloof gaapte waar zij soms op een pijnlijke manier in is getuimeld. 'Lastige Loudi' eiste van anderen even veel als van zichzelf en ze kon zich nooit neerleggen bij een manier van toneel maken die, door de bijna altijd te korte repetitietijd, leidde tot halfbakken voorstellingen.

Haar eerste aanvaring met het Nederlandse toneel was in 1930, toen ze na twee seizoenen vertrok bij het Vereenigd Tooneel van Eduard Verkade. 'Iedere vakmatige basis ontbrak hier', vertelde ze daar later over in een interview. 'Om het grof te zeggen: ik zag de anderen hun teksten dikwijls opzeggen. Het bleef buiten hen. Ik dacht: hier moet ik niet zijn.'

Zij vertrok naar Karlsruhe waar het Badisches Landestheater haar graag had. Ze voelde zich weer opgenomen in een klimaat dat paste bij haar temperament en intelligentie en dat ze had leren kennen toen ze in de jaren twintig speelde bij diverse gezelschappen in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk.

In Wenen had ze het vak geleerd, omdat ze dat hier niet mocht van haar familie, het bekende uitgeversgeslacht Nijhoff. De dichter Martinus Nijhoff was haar neef en ook zij was voorbestemd iets van doen te hebben met boeken en literatuur. Ze ging Nederlands studeren in Utrecht, stortte zich in het studentenleven, kreeg de mooiste rollen bij het studententoneel en was als aankomend geleerde na twee jaar finaal mislukt.

Haar ouders gaven haar de keus tussen een verblijf in Parijs of Wenen, om zich te bezinnen op haar toekomst. Dat werd dus Wenen, een Europese hoofdstad van het toneel, waar ze in het telefoonboek de adressen opzocht van regisseurs. Ze belde bij hun huis aan en wist zo te bereiken dat ze van een van de groten privélessen kreeg. Ze debuteerde in 1925 in Ulm.

Halverwege de jaren dertig speelde ze weer in Nederland. Bij de Amsterdamsche Toneelvereniging van Albert van Dalsum, destijds de vaste bespeler van de Stadsschouwburg op het Leidseplein. Daar werd Nijhoff in 1936 door toneelminnend Nederland ontdekt: 'Er zijn een levendigheid en gevoeligheid in haar dictie en mimiek, die van den aanvang af boeien en bekoren. Een suggestieve wisseling ook van spel vol vaart en schier on-Nederlandsch tempo en spel dat zich door serene rust of melancholieke verteedering kermerkt. Wellicht zullen wij hiervoor ook den regisseur Albert van Dalsum dankbaar moeten zijn, maar onze bewondering voor het spel van deze tot dusver weinig bekende actrice is er niet minder om.'

Na die rol in een intussen vergeten blijspel was zij een vedette en ze werd ook in die enige klassieke rol die ons repertoire toen nog rijk was 'een zoo edele, voorname, zuivere, diep ontroerende Badeloch gelijk men zich maar wenschen kan'.

Tijdens de oorlog wilde zij zich, net als Van Dalsum, niet laten inschrijven bij de Kultuurkamer. Samen speelden ze clandestiene huiskamervoorstellingen van de Gijsbrecht, met Van Dalsum in de titelrol en zij als Badeloch, terwijl ze ook de reien zei. Na de oorlog speelden ze weer even op het Leidseplein, maar toen Van Dalsum daar zijn positie kwijt raakte kwam er een eind aan hun samenwerking.

Loudi Nijhoff belandde bij het Rotterdams Toneel, bij Ensemble en bij Theater. Ze was daar, ondanks de over haar spel doorgaans lovende kritieken, ongelukkig: 'Het lukte niet meer. Ik ben altijd wanhopig geweest. Geen regisseur hier in Nederland kon mijn talent echt laten bloeien. Behalve Van Dalsum, die tilde je boven jezelf uit.'

Na wat solo-toneel met verhaaltjes en eenakters, wat geen succes werd, kwam ze pas echt terug toen ze in 1964 ging meedoen bij Studio van Kees van Iersel: 'Eindelijk had ik weer een directeur bij wie ik een zeer goed actrice kon zijn.' Studio bracht de avant-garde, schrijvers als Beckett en Ionesco.

Die tweede bloeiperiode heeft drie jaar geduurd. In 1967 werd ze door Studio van de ene op de andere dag ontslagen om nog altijd onduidelijke redenen. Ze deed nog wat rollen bij het repertoiretoneel maar vertrok daar in 1969 voorgoed, toen ze met opgestoken zeilen wegliep uit een repetitie bij Globe.

Ze zette, grotendeels voor eigen rekening, een voorstelling op poten van een stuk van Marguerite Duras waarin ze een rol speelde die in 1972 bekroond werd met de Theo d'Or. Ze weigerde die bekroning omdat zulke prijzen, zoals ze schreef in een brief aan de bekronende instantie, 'thuis horen in een verleden tijd, waar het leven anders was, dus ook het toneel. Het toneel van de eerste rollen, de sterren en de prijzen. Dit alles is voorbij en ik tracht nu de vorm te vinden voor het toneel van onze tijd.'

Ze wist waar ze het over had, want ze volgde de ontwikkelingen. Bij Mickery was ze vaste klant, ze bekeek de repetities van het Werkteater en reisde naar Polen om Grotowski te zien. In de Amsterdamse tram begon, dank zij een toevallige ontmoeting, haar laatste bloei: van 1975 tot 1980 werkte ze mee aan de voorstellingen van het Bewegingstheater Bewth.

'Bij Bewth', zei Loudi Nijhoff in een interview, 'begon ik weer te ademen. En ademen is alles. Ik kwam bij Bewth na alles wat ik had meegemaakt in een warm bad. Het was daar zo menselijk. Toneelspelen is een talent, een aanleg die je hebt. Bij Bewth heb ik me voor het eerst gerealiseerd dat dat niet uit je komt als je moet werken met mensen die niet in deze wereld leven. Bewth '

Loudi Nijhoff was in die jaren ook regelmatig op de televisie te zien, onder andere in de kinderserie Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer? (1972/'73).

In 1985 speelde Loudi Nijhoff een rol in Het huis van Bernarda Alba, in een regie van Agaath Witteman. De actrice was ook toen niet tevreden met hoe het op de repetites toeging: 'Op een gegeven moment word ik vastgepakt en door die jonge meisjes weggevoerd. Dat ging zo toneelmatig dat ik tegen Agaath zei: mag ik even iets doen? Ik liet iedereen in een kring staan met een in het midden die een ander uit de kring moest vastpakken en daar zo mee moest vechten dat zij niet meer in de kring kon blijven staan. In het begin durfden ze mij niet vast te pakken, maar ik heb ook met me laten sleuren. Ze hebben geleerd wat het is om kracht te geven. Je moet op het toneel niet zien dat een gebaar zachtjes is om een ander te sparen.'

Martin Schouten

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden