Lastig is: je vingers op de juiste plek

De muziekscholen zijn aan het nieuwe lesjaar begonnen. Voor een aantal jongeren betekent dat de eerste kennismaking met het instrument van hun keuze....

Hidde van de Rhee (11) drums
‘Ik ben drie jaar geleden begonnen met drumles. Mijn vader drumde in een bandje, dat leek mij ook heel leuk om te doen. Een drumstel is eigenlijk een heleboel instrumenten tegelijk. Je kunt heel veel verschillende geluiden maken, en je bent de basis van de band. De snare drum klinkt vrij normaal, de bekkens hebben weer een heel andere toon. Als ik muziek luister, luister ik altijd naar de drum. Ik probeer het altijd na te spelen. Soms neem ik muziek mee naar de les, alle soorten: funk, jazz, pop, rock.

‘Het moeilijkst van drummen is op de maat letten. Je moet in je hoofd meetellen om het ritme vast te houden. Als ik het bekken gebruik, tik ik mee met de high hat - zo vergis ik me niet in de maat. Thuis heb ik een eigen drumstel, met meer bekkens en een koebel erbij. Ik heb 200 euro meebetaald. Hij staat op zolder op mijn kamer; ik oefen een half uur per dag. De buren vinden het leuk dat ik drum, behalve één, maar met hem heb ik afgesproken pas na zes uur ’s avonds te oefenen.

Mijn vader speelt nu meer percussie, dat is niet met stokken, maar met zijn handen. Soms drum ik en speelt mijn vader allemaal mooie geluiden op de bongo of de conga’s. Heel mooi.’

Eefje Duyvis (10) en Juliëtte van Leeuwen (9)accordeon
Juliëtte: ‘Wij zijn hartsvriendinnen, we zitten bij elkaar in de klas en nu ook op accordeonles.’

Eefje: ‘Iemand uit onze klas speelde accordeon. Dat vond ik leuk. Het is bijzonderder dan gitaar of piano.’

Juliëtte: ‘En het is cool, zo’n groot ding. Als je speelt, doe je drie dingen tegelijk. Het is een blaasinstrument met toetsen.’

Eefje: ‘De knoppen lijken wel op elkaar. En soms denk je dat je nog lucht hebt om een noot af te maken.’

Juliëtte: ‘Maar dan hoor je jezelf ineens niet meer.’

Eefje: ‘Zonder lucht kan je niet spelen.’

Juliëtte: ‘Mijn broer speelt piano, en mijn vader ook. Ik heb ook een tante, haar man is heel muzikaal. Die speelt heel veel instrumenten.’

Eefje: Mijn vader speelt djembé. Vorig jaar hebben we heel weinig geoefend. Nu leggen we het muziekboek ergens neer, zodat we eraan denken.’

Juliëtte: ‘Ik wilde saxofoon spelen, maar mijn moeder zei: doe dat nou niet, want je kunt zo leuk zingen. Met een accordeon kun je spelen en zingen tegelijk.’

Sanne Brouwer (11) gitaar
‘Op school heb ik blokfluit gespeeld. Maar blokfluit vind ik stom. En ik was mijn blokfluit kwijtgeraakt. Toen ik hem eindelijk weer had gevonden, was ik alles vergeten en kon ik het niet meer. Ik vind de blokfluit gewoon niet zo’n mooi geluid hebben.

‘Mijn moeder heeft gitaar gespeeld, ook hier, op deze muziekschool. Voor de zomervakantie heb ik twee proeflessen gehad, en daarna heb ik voor gitaar gekozen. De gitaar heeft een mooi geluid, alle snaarinstrumenten vind ik eigenlijk mooi klinken. De mooiste gitaarmuziek vind ik country. Maar ik vind ook veel andere muziek mooi. Pak maar mijn hand, van Nick en Simon, en Miley Cyrus, dat vind ik ook mooi.

‘Het moeilijkst aan gitaar spelen is dat je om een akkoord te spelen met je vingers de snaren moet indrukken. Je moet zorgen dat je vingers niet de andere snaren aanraken, je moet je hand heel bol houden, dat is moeilijk. Om een goede toon te spelen moet je best veel kracht zetten. Je kunt niet gewoon je vingers op de snaren zetten, dan klinkt het niet.

‘Ik ben nog maar net begonnen, dus ik kan nog geen noten lezen. Dat komt later, we leren eerste liedjes spelen. Ik ken één liedje: Berend Botje.’

Hidde van Overeem (9)viool
‘Ik ben viool gaan spelen op mijn 5de, omdat mijn opa het speelde. Hij zat in een orkest en heeft ook nog les gegeven. De muziek die uit het instrument komt als mijn opa viool speelt, dat vind ik zo mooi. Ik vind het heel mooi dat je met haar zulk geluid kan maken. Want snaren zijn eigenlijk gewoon haar.

‘Tja, hoe zal ik het uitleggen? Drummen bijvoorbeeld, dat vind ik zo ‘bengbeng’. Viool is meer ‘mmmmmm’ (beweegt zijn hand de lucht). Dat past meer bij mij.

‘Je vingers in de goede stand zetten, dat vind ik het moeilijkst. Als er een kruis voor staat, dan moet je de noot hoger of lager spelen, dus moet je vinger op een andere plek op de snaar. Dat moet je heel goed leren, en op een gegeven moment weet je hoe het moet. De strijkstok moet je ook goed vasthouden: je pink moet omhoog blijven staan, je andere vingers moeten blijven liggen. In het begin was dat wel zwaar, maar nu niet meer.

‘Mijn moeder speelt niks, mijn vader speelt cello. Als ik aan het studeren ben, gaat hij me helpen door met me mee te spelen.

‘Later wil ik in een orkest spelen. Het liefst een orkest dat jazz-achtige muziek maakt. Daar wil ik dan elektrische viool voor leren spelen. Maar dan moet ik eerst heel goed normaal viool leren.’

Roeland Janussen (10) en Teun de Kruijf (10) saxofoon
Teun: ‘We hebben nu driekwart jaar les, samen. We zitten ook bij elkaar in de klas. Ik wilde eigenlijk eerst liever trompet spelen. Mijn oom speelde trompet, dus dat wilde ik al sinds ik klein was. Maar Roeland wilde liever saxofoon, dus toen wilde ik dat ook.’

Roeland: ‘Een saxofoon ziet er gaaf uit.’

Teun: ‘Mijn vader stelde voor om op de open dag bij saxofoonles te gaan kijken. Ik vond het leuk, het geluid vind ik mooi.’

Roeland: ‘Hiervóór hebben we drie jaar blokfluit gespeeld.’

Teun: ‘Dat is wel handig. Je kunt al noten, hebt er al meer gevoel voor.’

Roeland: ‘We speelden vooral blokfluit omdat we nog niet groot genoeg waren voor een ander instrument. Nu oefenen we elke dag, behalve als we ergens heen moeten.’

Teun: ‘Wij hebben nog kleine handen, dat is soms wel moeilijk. Voor sommige noten moet je heel veel kleppen indrukken, daar kunnen wij dan maar net bij.’

Roeland: ‘Als je de verkeerde in drukt, klinkt het ineens heel erg vals.’

Teun: ‘Mijn ene zus speelt hobo, mijn andere viool, en mijn vader speelt piano. We spelen niet vaak samen, want wat bij de piano een a is, is bij de saxofoon een c. Dan zou je alle noten om moeten zetten. Mijn zussen spelen wel vaak met mijn vader.’

Lidia Perez-Leutza (10) harp
‘Ik heb sinds mijn 7de harples, dus al drie jaar. De eerste keer dat ik een harp zag, was bij de film De Zwanenprinses. Bij de extra’s zag ik dat ze voor de filmmuziek harp speelden. Toen wilde ik dat ook, ik vond het mooi klinken, en het zag er ook mooi uit. Een harp is best groot, met heel veel snaren. Ik huur mijn harp. Elke dag oefen ik een half uur, en één keer per week heb ik les.

‘Een harp is een instrument voor prinsessen. Tenminste, dat dacht ik toen ik klein was: prinsessen spelen harp. Wat ik moeilijk vind, is om door te spelen. Daar bedoel ik mee dat je zo speelt, dat het vloeiend gaat, dat je niet na elke noot stopt. Met je linkerhand speel je de lage snaren, met je rechterhand speel je de hoge snaren. De rode snaar is de c, de blauwe de f. Dan weet je tijdens het spelen waar je bent. Je kunt je handen ook kruisen, net als bij de piano. Een harp is eigenlijk een piano zonder toetsen.

‘Mijn zusje is net begonnen met cello-les, mijn moeder speelde vroeger piano. Mijn vader speelt niks. Ik wil harp spelen voor de lol, ik wil later iets anders worden, ik weet nog niet wat, maar geen muzikant.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden