LAPPEN EN SOEPJURKEN

Het kostuum op een schilderij is vaak meer dan materie. In een plooival wordt leed uitgedrukt; soms lijkt het textiel eigenstandig te bewegen, los van zwaartekracht of kleermakerskunst....

'Fabric of vision - dress and drapery in painting' heet de tentoonstelling in de National Gallery in Londen, maar het eerste schilderij dat je bij binnenkomst ziet, pal tegenover de ingang, wordt gedomineerd door een levensgroot vrouwelijk naakt. De kleding en draperieën op Jacob Jordaens' Koning Kandaules van Lydië toont zijn vrouw aan Gyges uit 1646, het uitgetrokken nachthemd, de zware bedgordijnen, dienen alleen maar als omlijsting voor de rubensiaans-voluptueuze rug en bilpartij van de koningin, die ook nog eens met een schalkse blik over haar schouder naar de toeschouwer kijkt. Ze weet dat haar lichaam er mag wezen, en de koning zal het weten dat hij zijn dienaar in een voyeursrol dwingt. Hij wordt gedood en de koningin trouwt met Gyges.

Naast deze geile scène hangt een klein schilderij van de zeventiende-eeuwse Nederlander Jacob Ochtervelt met een op het eerste gezicht zedig en huiselijk tafereel. In een deftige kamer zitten links half in de schaduw een man met een viool en een vrouw die zingt. Rechts bespeelt een tweede vrouw staande een virginaal. Je ziet haar op de rug en alle aandacht valt op haar prachtige jurk van roze satijn. Het strakke lijfje verdwijnt met een punt in de wijde rok waarvan de stof ongetwijfeld flink is verstevigd om de in het licht glanzende bollingen op heuphoogte mogelijk te maken. Ze zien eruit als buitenproportionele billen.

En daarom is het schilderij van Ochtervelt naast dat van Jordaens gehangen. In de eerste zaal van de tentoonstelling wordt met vier paren schilderijen uit vier verschillende eeuwen gedemonstreerd dat de geklede en de naakte vrouwelijke figuur in een bepaald historisch tijdvak op verwante wijze zijn verbeeld, en dat kleding evenzeer expressiemiddel kan zijn als vlees (zoals hier expressie van erotiek, want het schilderij van Ochtervelt is waarschijnlijk minder zedig dan het lijkt). De volgende acht zalen zijn geheel gericht op het betekenisaspect van kleding en draperie.

De tentoonstelling in Londen is samengesteld door Anne Hollander, een Amerikaanse kunsthistorica die enkele originele boeken heeft gepubliceerd over de weergave van kleding en stoffen in schilder- en beeldhouwkunst door de eeuwen heen. Het gaat haar om de manier van uitbeelden, meer dan om de geschiedenis van het kostuum zelf. Natuurlijk is er verband tussen beide, maar kunstenaars hebben zich altijd veel vrijheden veroorloofd. De lappen en soepjurken waarin Maria, Jezus en andere bijbelse figuren en heiligen doorgaans zijn gehuld, hebben betrekkelijk weinig uit te staan met de kleding die in vroeg-christelijke en pre-christelijke tijden werd gedragen, voor zover bekend. Ook in niet-religieuze kunst, zelfs in portretten, wordt de werkelijkheid wat het kostuum betreft vaak geweld aangedaan of aangelengd met een flinke dosis fantasie.

Het studieterrein van Hollander is ontzagwekkend breed want op driekwart van de talloze voorstellingen in de beeldende kunst komen menselijke figuren voor en in de meeste gevallen zijn die gekleed, al hebben ze maar een transparant doekje voor het geslacht of een centuur om het bevallige middel. Hoe uit die overdaad te kiezen? In het bij de tentoonstelling uitgegeven boek kon Hollander haar gang gaan en voor haar betoog relevante illustraties opnemen van fresco's van Giotto, Massaccio en Piero della Francesca op de wanden van gebouwen in Italië, een magnifiek portret van Lorenzo Lotto in de Frick Collection in New York (die nooit uitleent), een Rubens in de kathedraal van Antwerpen en een klassiek schilderij van David in het Louvre. In de tentoonstelling moest ze het doen met wat te krijgen was.

De National Gallery heeft zelf een uitstekende collectie waaruit geput kon worden; meer dan een kwart van de circa zeventig werken komt uit eigen bezit. Het prestige van de instelling is bovendien groot genoeg om belangrijke bruiklenen los te krijgen. Zo zijn een beroemd schilderij van Fragonard uit München (van een meisje dat in bed liggend ondeugend met haar hondje speelt), Vrouw in het blauw van Matisse uit Philadelphia en Van Dongens imposante portret Vicomtesse de Noailles uit het Stedelijk Museum in Amsterdam nu in Londen te zien, terwijl ook uit Britse collecties mooie stukken zijn bijeengebracht.

Niettemin is de tentoonstelling als geheel teleurstellend. Ze is, zou je kunnen zeggen, te zeer boek gebleven, zij het zonder de woorden die de beelden interpreteren en ze hun plaats geven in het verhaal (als de bezoeker tenminste geen zin heeft in de audiotour). De summiere zaalteksten maken bepaald niet duidelijk waarom nu juist deze schilderijen bij elkaar zijn gehangen: de voorbeelden maken vaak een willekeurige indruk. Je mist uit het begeleidende boek enkele van de meest sprekende schilderijen zoals Titiaans Flora met haar gewaad als appelbloesem en Zurbaráns St Serapion, waar al het leed van de gemartelde heilige uitgedrukt lijkt in de plooival van zijn pij die bijna het hele doek vult.

Ook de indeling van de tentoonstelling roept vragen op. Ze is chronologisch; afgezien van een enkele laat-Romeinse sculptuur ter vergelijking, loopt ze van de veertiende tot de twintigste eeuw. Op de introductie met geklede en naakte figuren volgt een zaal waarin wordt getoond hoe in de veertiende en vijftiende eeuw schilders in Italië en Vlaanderen de textuur en plooival van stoffen vrij natuurgetrouw gingen weergeven, niet meer op de schematische en gestileerde manier zoals dat in de Middeleeuwen gebeurde.

De volgende sectie heeft als motto 'Liberated draperies'. Ze bevat voornamelijk Italiaanse schilderijen uit de zestiende eeuw waarop de draperieën zich vrij gedragen ten opzichte van de figuren en nauwelijks meer door kleermakerskunst of zwaartekracht beperkt lijken. Lappen stof wervelen door de lucht als wolken, of krullen zich als een mandorla rondom de gestalte van de verrezen Christus op een mooi schilderij van Gaudenzio Ferrari. Volgens Hollander begint in die tijd bij kunstenaars het besef door te dringen dat kleding en plooival ingezet kunnen worden voor expressieve doeleinden en voor dramatisering (waarmee ze overigens oudere meesters als Giotto en Rogier van der Weijden schromelijk tekortdoet).

Die zaal is een van de meest overtuigende in de tentoonstelling, en er zijn nog een paar plekken aan te wijzen waar de boodschap duidelijk overkomt, bijvoorbeeld in de groep neoclassicistische portretten van strak in het zwart gehulde mannen en vrouwen in eenvoudige witte gewaden van dunne stoffen, waardoor ze er uitzien als sculpturen uit de Oudheid.

Naarmate het heden nadert, wordt de tentoonstelling steeds warriger. De laatste sectie ('Form and feeling') is een ratjetoe van twintigste-eeuwse stijlen en opvattingen, waarover niet veel meer wordt gezegd dan dat de kleding vaak als zelfstandige vorm wordt weergegeven, net zoals gebeurt met de zichtbare delen van het lichaam en met de omgeving. Als voorbeelden dienen een kubistische Léger, een vrijwel abstracte Vrouw met parasol van Delaunay en het genoemde mooie vrouwenportret van Matisse. Als verdwaald daartussen hangen een vroege Picasso en een binnen het kader van de tentoonstelling uitermate vreemde keuze van Max Ernst, naast lokale grootheden als Vanessa Bell en Patrick Heron.

Chronologie is het ordenende principe. De achterliggende gedachte is dat de expressie en de betekenis van kleding en draperie tijdgebonden zijn. Dat is op zichzelf verdedigbaar. Des te vreemder doet het aan dat hier en daar in de tentoonstelling plotseling anachronistische elementen opduiken. Tussen de zestiende-eeuwse schilderijen met van de zwaartekracht bevrijde draperieën hangt een schilderij van Daumier waarop twee voor een satyr vluchtende nimfen hun wild fladderende gewaden bijna verliezen. Naast het sensuele schilderij van Fragonard hangt een fotowerk van Cindy Sherman, niet erg sensueel, en een beroemde en wel degelijk sensuele foto van Marilyn Monroe door Philippe Halsman. Elders figureren foto's van mannequins in kleding van Dior en van een dansende Fred Astaire en Ginger Rogers (uit Top Hat, 1935) tussen portretten uit de negentiende eeuw. Naast een Modgliani ten slotte hangt verdwaald een veertiende-eeuwse Russische icoon.

Het zijn incidenten die eerder verwarrend dan verduidelijkend werken, maar ze geven wel een indicatie dat de tentoonstelling wellicht veel spannender had kunnen zijn als ze niet zo braaf naar opeenvolgende periodes was opgebouwd. Als de stelling juist is dat kleding en draperie in de kunst belangrijk zijn als expressiemiddel en betekenisdragend element (dat is zeker het geval), ligt een indeling naar thema veel meer voor de hand. 'Sensuality' is geen exclusief fenomeen voor de achttiende eeuw en 'Restraint and display' zijn dat niet voor de negentiende eeuw. In hoeverre draagt de weergave van stoffen en draperieën bij aan de uitdrukking van lijden, exaltatie, rust, paniek, gratie, devotie: dat zou ik wel eens diachroon voor ogen willen zien, grondig behandeld en met goedgekozen voorbeelden die overeenkomsten en verschillen doen uitkomen. Al is ook dat misschien eerder stof voor een boek dan voor een tentoonstelling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden