Langzame reis over de Amazone 'Wie weinig geld heeft, maakt een film van vijf minuten'

IN EEN LAND als Brazilië, groot als een continent, met vier tijdzones, zes klimaten en nog meer culturen, is de film per definitie heterogeen en multicultureel....

INEKE HOLTWIJK

Terra Estrangeira (Vreemd Land) van Walter Salles (39) en Daniela Thomas (36) is de interessantste speelfilm in het Brazilië-programma. Het is een zwart-wit film over drie jonge Brazilianen die geen reden meer zien in hun eigen land te blijven. Terra Estrangeira gaat ook over de verhouding tussen kolonisator en gekoloniseerde, over Europese emigranten die naar Brazilië gingen maar er nooit konden wennen, over ontwortelde Afrikanen en over racisme.

Paco woont met zijn moeder, die in Baskenland is geboren, in de betonwoestijn van Sao Paulo. Hij wil acteur worden. Achtduizend kilometer verderop in Lissabon ruziet Alex met haar vriendje Igor. Zij is bij gebrek aan beter serveerster in een restaurant. Haar vriendje is een jazzmuzikant met foute vrienden en een dure hobby (spuiten).

Als president Collor aan de macht komt, bevriest hij de bankrekeningen. De moeder van Paco sterft op slag als ze zich realiseert dat ze haar spaargeld kwijt is en daarmee ook de kans ooit terug te gaan naar Spanje. Paco doet auditie, maar faalt. Met het gevoel dat hij niets heeft te verliezen, gaat hij in op het voorstel van een antiquair een koffer naar Lissabon te brengen. Vanaf het moment dat Paco in Lissabon arriveert, raken de verschillende verhaaldraden met elkaar verweven.

Terra Estrangeira is een misschien niet wereldschokkende, maar wel bijzonder sfeervolle en goed gemaakte film over herkenbare sentimenten. Salles begon zijn carrière als fotograaf, Thomas verwierf faam als decorontwerpster en theaterregisseur. Het heeft zijn weerslag op de film. De cameraposities zijn doordacht, de personages verschijnen vanuit verrassende hoeken in beeld. Het Portugese landschap, melancholisch als de Portugezen zelf, wordt met enkele verstilde beelden sterk neergezet. Door met een lichte 16 millimeter-camera te filmen, slaagden de makers er in hun personages dicht op de huid te blijven. Het leverde een bijzondere sex-scène op.

Terra Estrangeira sleurt de kijker mee. Hij begint kalm, als een naturalistisch, bijna documentair drama. Vervolgens verandert hij in een thriller en een road-movie, en mondt uit in een boevenfilm met schietpartijen en een poëtisch einde. De film kent ook wel minpunten (de soms al te zielige Paco, een af en toe in mooie plaatjes zoek rakend verhaal), maar die vergeef je de makers graag. Niet voor niets kreeg Terra Estrangeira op een festival in Parijs de publieksprijs.

Jenipapo is een psychologische thriller, waarin met het oog op de internationale markt voornamelijk Engels wordt gesproken. Philip Glass, bevriend met regisseuse Monique Gardenberg (38), schreef de muziek. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de bloedige strijd van landlozen en grootgrondbezitters in Bahia, waar Gardenberg haar jeugd doorbracht.

Een Amerikaanse journalist die voor een krant in Rio werkt, is vastbesloten een interview te arrangeren met een Europese priester die in Bahia woont en werkt. De verslaggever is geobsedeerd door de priester, een charismatische persoonlijkheid die bekendheid verwierf door zijn pleit voor de landlozen. Sinds het parlement echter een wet op de landhervorming voorbereidt, houdt de geestelijke zich opmerkelijk stil.

Het verhaal komt langzaam op gang, en het waarom van de obsessie van de journalist blijft vaag. Maar na een verrassende wending, die duidelijk maakt waarom de priester het zwijgen bewaart, wint de film aan kracht en diepgang. Jenipapo - de naam van een bittere likeur uit noord-Brazilië - gaat uiteindelijk over ambities en grenzen. Tot hoever is een mens bereid te gaan voor zijn idealen? Hoeveel betekent roem voor hem, of liefde? Met die vragen worstelen alle personages in de film. De meedogenloze verslaggever is held en tegelijkertijd anti-held. Voor hem en de anderen geldt wat in de film in een krantekop valt te lezen: ''There are times that God uses us without our knowledge.'' Het leven is voorbestemd. Jenipapo oogt zeer Amerikaans, maar Braziliaanser kan het niet.

Vanaf de jaren vijftig raakte in Brazilië de chanchada in zwang, een imitatie van de Amerikaanse musical, en zijn afgeleide de pornochanchada, een erotische komedie. Ze vormden het tegenwicht van de Cinema Novo. Sindsdien zijn cineasten het grote publiek vergeten, zegt Guilherme de Almeida Prado (41). Met Perfume de Gardênia (Luchtje van Gardenia's) wilde hij het gemis proberen goed te maken.

Het gros van de telenovela's in Latijns Amerika gaat over een familiedrama met misdrijf. Wat dat betreft, zit de Almeida Prado goed. De protagonisten van Perfume de Gardênia zijn sterren van de Braziliaanse telenovela. Maar ze overtuigen niet. Ze zijn karikaturen. Net als hun bewegingen, de dialogen, de verwikkelingen en zelfs de cameraposities.

Clichés zijn draaglijk als ze tegelijkertijd ironisch zijn. Zo was Perfume de Gardênia bedoeld, maar het komt helaas niet uit de verf. Namen en personages verwijzen naar oude kassuccessen. Maar wie daarvan geen weet heeft, kijkt naar een plat melodrama waaraan geen einde komt.

Het verhaal speelt zich af in de metropool Sao Paulo. De hoofdfiguur is een taxichauffeur die zwoegt om zijn Kever te kunnen afbetalen. Thuis is hij een karikatuur van een machisto. Zij is de beeldschone, onbevredigde huismoeder, die zich het leven anders had voorgesteld. Als zij bij toeval een rol krijgt in een pornofilm, laat ze man en kind in de steek.

Dan maakt het verhaal een sprong in de tijd. De zoon is intussen een puber, de man zwoegt nog steeds, en zij is volop in verval. Als er een incestueuze verhouding dreigt te ontstaan tussen zoon en moeder, zweert vader wraak. Keer op keer geeft hij zichzelf aan bij de politie als dader van een moord die hij niet heeft gepleegd. Als hij uiteindelijk wel een moord pleegt - die op zijn vrouw - gelooft niemand hem meer.

Perfume de Gardênia is om één reden interessant. Als historisch document voor cinefielen. Het is een mislukte poging uit de jaren negentig een nieuw, populair Braziliaans genre te ontwikkelen.

Regisseur Júlio Bressane (50), een oude bekende in Rotterdam, denkt nooit aan populariteit. Twee of twee miljard kijkers is hem om het even. Hij maakt films voor zichzelf. De ideale film is namelijk een hyperindividuele ervaring, een permanent avontuur dat je zintuigen prikkelt, dat je verwart, dat je emotioneert en dat je tot in de diepste spelonken van het onderbewuste brengt. Bressane, de filosoof onder de Braziliaanse cineasten, gelooft dat een film voortdurend zijn eigen grenzen moet verkennen.

O Mandarim (De Mandarijn) gaat over het leven van Mário Reis, een samba-zanger uit de jaren dertig. Theatraal zingen met uithalen was in. Mário Reis, die geen stemvolume had, had een microfoon nodig. Hij articuleerde anders en zijn emoties waren discreet. Zo werd hij de voorloper van de huiskamer-jazz die als bossa nova de wereld veroverde.

O Mandarim is een eerbetoon aan Reis, die een vriend van Bressane was. De film, die kleur en zwart-wit afwisselt, volgt geen logische verhaallijn. De beelden en scènes zijn associaties en improvisaties naar aanleiding van feiten in Reis' leven.

Steeds weer probeert Bressane nieuwe beelden bij betekenissen te vinden. Zo is er in het begin van de film het beeld van een druk trottoir met mensen die achterstevoren lopen. Dan maakt zich uit de massa een gestalte los die vooruit loopt: Mário was immers een man die tegen conventies inging. Platen vallen uit de boom. Mário zong over 'bomen die dansen'. Voortdurend klinkt het geluid van de zee. Mar (in Mário) betekent in het Portugees zee. De microfoon, door Reis geïntroduceerd, wordt een personage. Bressane mengt kleuren, zoals Reis klanken mengde. O Mandarim is een puzzel. Maar de gecodeerde boodschap is moeilijk te ontraadselen voor iemand die niets weet van Mário Reis.

De lange documentaire is een ondergeschoven kind op de Braziliaanse televisie, waar commerciële netwerken elkaar beconcurreren met telenovela's en sensatie-nieuwsprogramma's. Daarom vertonen de bioscopen ook documentaires. De documentaire met fictie-elementen is een populair genre.

Sylvio Back (57) noemt zichzelf een 'gapper' van filmarchieven. Zijn films zijn collages van archiefbeelden. O Yndio (de indiaan) is dat ook. Ofschoon de film kop noch staart heeft, is Backs boodschap na vijf minuten duidelijk. De wereld - kerk, militairen, Hollywood, regering, weldoeners, hitjeszangers - heeft zich de indiaan toegeëigend en ervan gemaakt wat zij wilde. Het beeld dat zij creëerde, varieert van een onbeschaafd en bloeddorstig wezen tot een mystiek en hulpeloos schepsel.

Een eigen commentaar heeft Back afgeschaft, dat vindt hij te autoritair. In plaats daarvan vuurt hij zelfgeschreven gedichten af op zijn publiek. Het maakt de collage, want meer is het niet, onnodig pretentieus. De attractie van O Yndio zit in de unieke, onbekende filmfragmenten, die je nergens anders te zien krijgt. Maar daarvoor moet je wel zeventig minuten veel van hetzelfde uitzitten.

No Rio das Amazonas (Op de rivier van de Amazonas) is een beeldverslag van een reis over de Amazone en haar zijrivieren. Het is een documentaire in de VPRO-stijl, met een trage, onderzoekende camera, veel details en stilte. De bewoners moeten de hoofdrol delen met Paulo Vanzolini, een zoöloog en gepassioneerde Amazoneganger. De vorm die regisseur Ricardo Dias koos is die van een gesproken dagboek. Of liever gezegd twee dagboeken: Vanzolini heeft het woord, maar ook Dias doet af en toe mededelingen over praktische problemen tijdens de reis. De camera is poëtisch, maar de wetenschapper wil onderwijzen. Zodra Dias te veel kennis wil overdragen - wetenswaardigheden over patronage of de bodemgesteldheid - ontspoort hij.

Tot voor enkele jaren moesten bioscopen verplicht een Braziliaans voorprogramma vertonen. Mede door het chronisch geldgebrek heeft de korte film in Brazilië een ongekende perfectie heeft bereikt. Wie geen geld bij elkaar krijgt voor een lange film, probeert zijn verhaal in vijftien of desnoods vijf minuten te vertellen. Of je zoekt collega's en bedenkt een gemeenschappelijke noemer. Want vier korte films maken een bioscoopfilm. A felicidade e. . . (Geluk is. . .) is een voorbeeld van zo'n uit nood geboren collectieve produktie.

Bruno Vianna (24) leende een camera. Zijn acteurs zijn op één uitzondering na amateurs. Zo maakte hij voor drieduizend dollar Geraldo Voador. In elf minuten vertelt hij in summiere zwart-wit beelden het aangrijpende verhaal van een jongetje in een sloppenwijk, die droomt dat hij kan vliegen.

Andrea Seligmann (25) baseerde haar scenario voor Onde Sao Paulo acabe (Waar Sao Paulo ophoudt) op interviews met rappers uit de desolate voorstad van Sao Paulo. De twee jongens spelen zichzelf: ze roken stickies, zingen, maken een afspraakje, kijken naar een lijk en bereiden een overval voor. Want 'toekomst is onzin'. De camera registreert schijnbaar achteloos. 'Dit is de nieuwe Cinema Novo', zei een oudere cineast toen hij Seligmanns dertien minuten korte film had gezien.

IH

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden