Lange tijd het geweten van de Afrikaners

Postuum André Brink (1935-2015)

De woede die de gisteravond overleden Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink tijdens de apartheid in zijn boeken verwerkte, was in zijn latere werk niet meer terug te vinden. Toen hij in 2009 zijn memoires publiceerde, was de woede omgeslagen in verontwaardiging over zijn teloorgang.

André Brink tijdens een interview op de Rhodes University in Grahamstown. Foto AFP

Er was een tijd, in de jaren zeventig, dat André Brink (1935) in Nederland misschien wel de meest geliefde schrijver uit Zuid-Afrika was. Psychologische romans als 'Kennis van de avond' en 'Geruchten van regen' openden bij veel lezers de ogen voor de gevolgen van het apartheidssysteem in het dagelijks leven, ook voor blanken die zich tegen de rassenscheiding en de repressie keerden, onder wie de Afrikaner Brink.

Hij overleed vrijdagnacht in het vliegtuig van Amsterdam naar Kaapstad. Brink werd het bekendst met zijn A Dry White Season, omdat het in 1989 werd verfilmd met Donald Sutherland en Marlon Brando in de hoofdrol. Na de val van de apartheid en de vrijlating van Nelson Mandela in 1990 raakte hij als auteur in de vergetelheid. Zijn latere romans missen de spanning, de inleving en de woede van zijn beroemdste boeken.

Schrijver André Brink in Parijs in 1993. Foto AFP

Overschaduwd

Brink werd overschaduwd door geestverwanten, blank en anti-apartheid, als Nadine Gordimer (die de Nobelprijs won) en Breyten Breytenbach (die voor zijn activisme in de cel had gezeten). Met de roman 'An Act of Terror' (1991) balde hij nog een keer al zijn politieke woede samen in een thriller over een blanke activist die de blanke apartheidspresident wil vermoorden.

Het is een broeierige roman; de ongemakkelijke verhoudingen tussen zwarte en blanke anti-apartheidstrijders sluimerend dreigend op elke bladzijde, schuld en argwaan. De vermenging van politieke en seksuele rivaliteit maken de roman rauw. Brink vertelde over dit boek tegen de Volkskrant hoe hij in de jaren tachtig zelf ook verteerd was door een gewelddadige woede. Er vielen in die tijd veel doden in de zwarte woonwijken bij onlusten, de situatie leek lang uitzichtloos.

Onderhandelingen en protesten in Europa en de Verenigde Staten leken niet in staat het apartheidsregime te vermurwen. Brink vertelde hoe hij zelf geplaagd werd door bijna dagelijks moordfantasieën op de toenmalige president P.W. Botha. Hij had die obsessie in zijn boek gegoten.

Brink bleef romans publiceren in het Afrikaans met het wereldje van blanke Zuid-Afrikanen en hun geschiedenis was de achtergrond. 'Duiwelskloof' (Devil's Valley) uit 1998 is een goed voorbeeld van het werk van de Brink van na de apartheid. De sfeer is beklemmend, de afgelegen landschappen beschrijft hij beeldend en hij geeft ze een psychologische lading als spiegel van zijn hoofdpersoon. Er is een mysterie, er hangt dreiging uit het verleden. Toch mist er iets aan de roman: die Brinkiaanse woede uit de apartheidstijd.

Een van de laatste foto's die van André Brink is gemaakt, op 2 februari in Louvain-la-Neuve, waar hij een eredoctoraat kreeg uitgereikt. Foto AFP

Teloorgang

Woede zit wel in zijn memoires die hij in 2009 publiceerde, in het Nederlands verschenen als 'Tweesprong'. Maar nu is het verontwaardiging over zijn teloorgang. Tot zijn spijt is hij in de schaduw geraakt van zijn minnares uit de jaren zestig, de dichteres Ingrid Jonker, die in 1965 de dood zocht en vond in de zee. Nelson Mandela zelf heeft Jonker vereeuwigd: in zijn toespraak bij de inhuldiging als eerste vrij gekozen president in 1994 las hij Jonkers gedicht 'Een kind' voor.

Voor het eerst geeft Brink in 'Tweesprong' zijn kant van het verhaal over de turbulente periode met Jonker (1933). Nooit eerder heeft er iets over willen zeggen en hij weigerde medewerking aan elke documentaire over haar, schreef hij. De zelfmoord was niet zijn schuld, ondanks alle ruzies die ze hadden.

Hij beschrijft een broeierige promiscue sfeer in het elitaire clubje blanke, linkse literatoren in Kaapstad begin jaren zestig. Het hoofdstuk over Jonker is het hoogtepunt van Tweesprong, zoals de auteur al had gevreesd. Toch schrijft hij ook aardig over zijn jeugd als beschermd Afrikaner jongetje. Hoe geschokt hij was door het bloedbad van Sharpeville in 1960.

Brink heeft veel te vertellen van binnenuit over zijn aanvaringen met het apartheidscensuur en over de contacten met de zwarte en blanke topfiguren van het verzet, het Afrikaans National Congres (ANC). Helaas was het vuur al uit zijn schrijverschap en is de autobiografie soms een beetje saai. De epiloog, een brief aan zijn jonge Poolse vrouw Katrina is zelfs nogal genant.

André Brink was een van de eerste sympathisanten van het ANC onder de schrijvers die harde kritiek liet horen op de nieuwe regering. Omdat hij in Zuid-Afrika een bekende schrijver was, die bij Mandela op visite mocht, was dat aanvankelijk een schok. Maar kritiek op de vriendjespolitiek werd de afgelopen tien jaar gemeengoed en de tirade die Brink in zijn memoires afstak tegen het ANC en de laksheid tegenover misdaad werd nauwelijks meer opgemerkt.

Kritische romans van Nadine Gordimer en de zwarte schrijver Zakes Mda vielen meer op, evenals de artikelen van de Afrikaner dichteres Antjie Krog. André Brink werd lang gezien als het geweten van de Afrikaners. Na de val van de apartheid verloor hij de rol die hij van 1960 tot 1990 met passie vervulde: hij hield in zijn romans de blanken met hun riante leventjes onder de apartheid een meedogenloze spiegel voor.