Lange neus naar de dood

Mag je iemand die dood is net zo lang hard op de borst slaan tot hij weer een beetje begint te leven? Ja en nee. En het moet al helemaal niet. 'Mensen zouden heel goed moeten nadenken voor ze iemand gaan reanimeren.'

Over reanimatie kun je heel verschillende verhalen vertellen. Zo heb je het verhaal van de man die in januari 2000 in een stad in Noord-Holland vol vuur zijn nieuwjaarsspeech stond te houden en plotseling omviel - zijn hart was gestopt met kloppen. Een toevallig aanwezige politieman rende naar zijn auto, haalde er de Automatische Externe Defibrillator uit die hij een paar dagen eerder bij wijze van proef had gekregen en gaf de omgevallen man een stroomstoot. Hij leefde nog lang en gelukkig.

Maar er is ook het verhaal van prins Friso. Hoe dat is begonnen, weet iedereen; hoe het afloopt, weet niemand. Zijn reanimatie duurde vijftig minuten. Dat is erg lang, zei zijn behandelend arts Wolfgang Koller tijdens de persconferentie in Innsbruck, twee weken geleden: 'Men kan ook zeggen: te lang.'

Het verhaal van Friso baart reanimatiedeskundigen zorgen. Om Friso zelf, maar ook om de beeldvorming. 'Zie je wel', zullen de mensen zeggen. 'Hij wordt een kasplantje. Dat krijg je er nou van, van al dat gereanimeer. Ze hadden die man met rust moeten laten.'

En dat is de grote vraag. Mag je iemand die dood is - hij ademt niet, er is geen hartslag - net zo lang hard op de borst slaan tot hij weer een beetje begint te leven?

Het antwoord is: ja, dat mag. Sterker: dat moet. Volgens artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht is elke burger verplicht hulp te verlenen aan iemand die in onmiddellijk levensgevaar verkeert. Een reanimatiepoging valt onder hulp aan iemand in onmiddellijk levensgevaar en wordt door professionals altijd gestart, tenzij er een goede reden is om ervan af te zien. De richtlijn 'Starten, niet starten en stoppen van de reanimatie', opgesteld door de Nederlandse Reanimatieraad, noemt als voorbeelden 'onthoofding', 'lijkstijfheid' of 'verkoling'. Ook als het leven van de hulpverlener in gevaar komt, of als voor aanvang duidelijk is dat de patiënt een rechtsgeldige niet-reanimatieverklaring heeft, hoeft niet met de reanimatie te worden begonnen.

Dus je mag iemand die dood is - hij ademt niet, er is geen hartslag - net zo lang hard op de borst slaan tot hij weer een beetje begint te leven?

Nee, dat mag niet altijd. En het moet al helemaal niet, vindt Dick Engberts, hoogleraar medische ethiek en gezondheidsrecht aan het Leids Universitair Medisch Centrum. 'Artikel 450 kun je beter vergeten. Het artikel staat al sinds 1886 in het wetboek, maar niemand zal worden gestraft als hij niet meteen begint te reanimeren. En terecht. Over reanimatie moet je niet luchtig denken.'

Geen harde uitspraken

Het probleem met reanimatie is dat je over veel aspecten ervan nauwelijks harde uitspraken kunt doen, vindt neuroloog Michael Kuiper, voorzitter van de Nederlandse Reanimatieraad en intensivist bij het Medisch Centrum Leeuwarden. 'Globaal kun je zeggen dat van de tien mensen die worden gereanimeerd, er twee weer een normaal leven kunnen leiden. Je moet dus een heleboel reanimaties doen om een paar mensen te helpen, maar zo werkt geneeskunde; soms helpt het, soms niet. Dat geldt ook voor aspirine geven, opereren of andere medische ingrepen verrichten.' Dat vijftig minuten in het geval van prins Friso te lang waren, wil niet zeggen dat een reanimatie van vijftig minuten altijd te lang is, zegt Kuiper; dat hangt onder meer af van de vraag hoe lang de hartstilstand duurde die eraan voorafging. 'Een reanimatie kan drie kwartier of een uur duren en toch succesvol zijn.'

Vermoedelijk hebben mensen vanaf het moment dat er doden vielen, geprobeerd ze weer tot leven te wekken. Dat ging vaak gepaard met grof geweld. In de 16de eeuw ontdekte Paracelsus dat je gebruik kon maken van een blaasbalg, die lucht in de longen pompte. In de 18de eeuw werden slachtoffers soms opgehangen aan een boom, ondersteboven, en dan op en neer gehesen. Je had de 'rol'-methode (slachtoffer wordt op ton gebonden en heen en weer gerold) en de 'dravend paard'-methode (slachtoffer ligt niet op een ton maar op een paard). De moderne manier van reanimeren, een combinatie van hartmassage en beademing, wordt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw toegepast.

Sinds een jaar of tien rukt op scholen, in bedrijven en in openbare gelegenheden als stations de Automatische Externe Defibrillator op, kortweg AED, een apparaat waarmee je het slachtoffer van een hartstilstand een elektrische schok kunt toedienen. Daarvan hangen er in Nederland nu zo'n 40 duizend, relatief meer dan in andere Europese landen.

Dat is voor een belangrijk deel te danken aan Ruud Koster, cardioloog in het Amsterdamse AMC. In de jaren negentig bepleitte hij gebruik van AED's door leken, en met succes. De eerste niet-medici die toestemming kregen om AED's te gebruiken, waren politie- en brandweermensen, daarna volgde de rest van de bevolking. Iedereen die iemand ineen ziet zijgen, mag nu de AED van de muur grissen en de instructies volgen die het apparaat hem geeft. 'Mijn belangrijkste motivatie was dat de gemiddelde tijd tussen het bellen van 112 en het arriveren van een ambulance tien minuten is', zegt Koster. 'Dat is in geval van een hartstilstand dramatisch lang. Het tijdige gebruik van een AED, door wie ook, verdubbelt de overlevingskans na een hartstilstand. Daar kan toch niemand tegen zijn?'

Waar veel mensen wel op tegen zijn, is het reanimeren van ouderen of zwaar zieken; slachtoffers van een hartstilstand voor wie de dood niet bepaald als een totaal onverwachte vijand kwam. In de zomer van 2011 schreef ambulancemedewerker Erik van Engelen een vlammend stuk in het artsenvakblad Medisch Contact. Veel te vaak moesten hij en zijn collega's mensen reanimeren van wie later bleek dat ze daar helemaal niet blij mee waren: mensen op hoge leeftijd wier hart het begaf en die midden in de nacht uit hun huis werden getakeld en naar een ziekenhuis vervoerd.

Penning

Met die groep mensen zou veel meer gepraat moeten worden, vond Van Engelen. Hun omgeving moet weten hoe ze eigenlijk over reanimatie denken. Weliswaar bestaat sinds 2007 de mogelijkheid om voor 37,50 euro een 'reanimeer mij niet'-penning te bestellen bij de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) - er zijn inmiddels ruim 7.500 penningen aangevraagd - maar niet iedereen is van die mogelijkheid op de hoogte of wil de hele dag met een penning om zijn nek lopen. Het Albert Schweitzer-ziekenhuis in Dordrecht experimenteert deze maand met rode polsbandjes voor patiënten die niet gereanimeerd willen worden.

Mensen hebben bij reanimatie een te simpel beeld, zegt medisch-ethicus Dick Engberts. 'Het is het beeld uit de tv-programma's: iemand valt neer, hulpbereide omstanders snellen toe en aan het eind gaat de patiënt gezond naar huis. Maar in werkelijkheid is het een ingrijpende medische behandeling. Reanimatie is het terugdraaien van de klok. Je behandelt mensen die eigenlijk dood zijn.'

Volgens Engberts moeten bij een reanimatie de regels in acht worden genomen die voor elk medisch ingrijpen gelden. 'Dat houdt in dat het alleen mag worden uitgevoerd wanneer is voldaan aan twee basale voorwaarden. Er moet een indicatie zijn om iets te doen - dus een situatie waarin deskundige artsen het gegeven de omstandigheden zinvol vinden actie te ondernemen - en er moet toestemming zijn van de betrokkene. Dat laatste is lastig als die persoon feitelijk dood is, dus wordt meestal uitgegaan van een vorm van veronderstelde toestemming.'

Er zijn, zegt Engberts, artsen die vinden dat je niet moet reanimeren als je niet precies weet wanneer de hartstilstand is ingetreden. En hij geeft ze gelijk. 'Je mag niet zomaar wat doen en daarmee het risico nemen dat je mensen voor mal en dwaas naar een verpleeg-huis stuurt, waar ze nog dertig jaar kwijlend op hun dood moeten wachten. Wanneer het menselijk brein zes minuten zonder zuurstof is, is het onherstelbaar beschadigd.

'Er wordt weleens gedaan of reanimatie twee uitkomsten heeft, maar in werkelijkheid zijn het er drie: iemand is en blijft dood; de reanimatie slaagt; of je krijgt iemand half aan de praat en houdt vervolgens niks over. Dat kan wanneer het brein niet helemaal dood is en nét dat stukje nog intact is dat nodig is voor de ademhaling.'

Grens trekken

Volgens Michael Kuiper van de Reanimatieraad is die laatste variant in Nederland een uitzondering. 'Echt vegetatieve patienten zijn hier maar heel weinig, want bij die mensen wordt de behandeling gestaakt. Je moet een grens trekken. Als iemand na een reanimatie niet wakker wordt, moet je stoppen - en dat gebeurt in Nederland dus ook. In de regel overlijdt iemand dan binnen vijf tot zeven dagen.'

De Nederlandse Reanimatieraad is geen lobbyclub die blind het reanimeren promoot, benadrukt Kuiper. Hij citeert een uitspraak van Peter Safar, een van de grondleggers van de huidige reanimatiepraktijk: death is not the enemy, but occasionally needs help with timing. De dood is de vijand niet, maar heeft soms hulp nodig bij het kiezen van de juiste tijd. 'De discussie kun je niet loszien van hoe wij omgaan met sterven, met de acceptatie van de dood. Toen mijn grootouders overleden, in de jaren tachtig, nam niemand het woord 'reanimeren' zelfs maar in de mond. De dood is in de afgelopen jaren steeds verder van ons af komen te staan. We zijn er onthand in en als gevolg daarvan zijn we ook niet altijd goed in staat te zien wanneer reanimeren zinvol is en wanneer niet.

'Als iemand oud is of ernstig ziek, waardoor allerlei lichaamsfuncties steeds slechter worden en uiteindelijk ook het hart ermee stopt, is reanimeren een ontzettend slecht idee. Maar als iemand in de kracht van zijn leven is en hij krijgt een klein hartinfarct, is ingrijpen zinvol en kan het levensreddend zijn.'

Moet reanimatie net zo'n onderwerp van debat worden als bijvoorbeeld euthanasie? Ja, vindt medisch-ethicus Dick Engberts. 'Er mag niet te gemakkelijk over worden gedaan. Mensen zouden heel goed moeten nadenken voor ze iemand gaan reanimeren. Maar daar zijn bijvoorbeeld ambulancebroeders niet op ingesteld. Die zijn opgeleid om te handelen. Toch is het altijd verkeerd om zonder na te denken een dergelijke ingrijpende medische handeling te verrichten. Het feit dat iemand levenloos op de grond ligt, geeft een ander niet het recht er zomaar bovenop te springen.'

IN NEDERLAND KRIJGEN JAARLIJKS 16.000 MENSEN EEN HARTSTILSTAND

In de westerse wereld krijgt jaarlijks ongeveer 1 op de 1.000 mensen een hartstilstand. Voor Nederland komt dat neer op 16 duizend mensen per jaar. Daaronder zitten mensen die op kantoor of op een sportveld in elkaar zakken, maar ook ouderen voor wie het alarmnummer 112 is gebeld. Bij de helft van de mensen met een hartstilstand wordt een poging tot reanimatie gedaan. Die reanimatie duurt doorgaans ten minste 20 minuten. Cardioloog Ruud Koster van het AMC: 'Dat is geen richtlijn; als je wilt, kunt en vooruitgang ziet, mag je wel twee uur doorgaan met reanimeren. Maar wanneer het hart na 20 minuten reanimeren nog niet op gang is, wordt er vaak gestopt.' Grofweg kun je zeggen dat van de 1.000 mensen die worden gereanimeerd, er 800 al tijdens de reanimatie of in het ziekenhuis overlijden. Van de overige 200 herstellen er 145 tot 160 goed; 35 tot 40 personen herstellen redelijk (ze zijn grotendeels zelfredzaam) en 5 tot 10 mensen herstellen niet voldoende om zichzelf te kunnen redden.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden