Langdurig werkloze mag niet te snel worden afgeschreven

Ondanks een overspannen arbeidsmarkt blijft een harde kern van werklozen aan de kant staan. Willen zij niet of kunnen zij niet?...

Piet van Diepen

DE harde kern van werklozen: zijn het niet-willers of niet-kunners? Het is een vraag die de gemoederen van oudsher bezighoudt, van borreltafel tot politiek. In de huidige hoogconjunctuur, met een onverzadigbare vraag tegenover een hardnekkige kern van werklozen, doemt deze vraag onvermijdelijk weer op.

Een definitief en afdoende antwoord is niet te verwachten, ook niet naar aanleiding van het CPB-rapport Arbeidsbemiddeling en reïntegratie. Vrijwel direct lijkt de discussie in het links-rechts spectrum te worden geplaatst: beelden van niet-willers (rechts) en niet-kunners (links) worden tegenover elkaar geplaatst. Het is te voorspellen dat dit leidt tot de roep om nieuw beleid en nieuwe instrumenten, waarbij vooral ook aan sancties zal worden gedacht.

Wat mij betreft is dat een onvruchtbare weg die de oplossing niet naderbij zal brengen. Er is reeds voldoende beleid op papier gezet en er zijn voldoende instrumenten beschikbaar. Het cruciale probleem zit in de uitvoering: vooral bij gemeenten moeten de beschikbare instrumenten effectiever in worden gezet. Overigens is de ene gemeente daarin al verder dan de andere. De politiek moet dit proces stimuleren.

Allereerst is een kritische benadering van het begrip onbemiddelbaar nodig. In de praktijk wordt dat te vaak gelijkgesteld met langdurige werkloosheid. De neiging bestaat om langdurig werklozen maar met rust te laten en ze het etiket onbemiddelbaar te geven. Alhoewel naar dit verschijnsel geen systematisch onderzoek is gedaan, zijn er voorbeelden te over waaruit blijkt dat dit etiket ten onrechte is opgeplakt.

Er zijn voorbeelden van projecten op wijkniveau die laten zien dat ook grote groepen werklozen die al langer dan vijf jaar een uitkering hebben, bij een intensieve benadering en met een goed aanbod nog bemiddelbaar zijn. Dit geldt ook voor 'onbemiddelbaren' die worden opgeroepen voor 'sociale activering' (vrijwilligerswerk, et cetera). Zij blijken vaak wel degelijk bemiddelbaar en komen in elk geval in aanmerking voor gesubsidieerde arbeid. Een zakelijke en analytische benadering door de bijstandsconsulent van de werkloze is noodzakelijk. Wat de harde kern wordt genoemd, is in werkelijk een palet aan persoonlijke omstandigheden: van mensen die een uitkering combineren met zwart werk, mensen die de moed hebben opgegeven en met rust gelaten willen worden, tot mensen die echt niet kunnen werken, et cetera. De kunst is om daar achter te komen en na te gaan wat mensen wel kunnen en de instrumenten in te zetten om hen daartoe te bewegen.

Per persoon kan dit verschillen. Bij de een is het nodig dat de overheid haar tanden laat zien en fraude aangepakt wordt, bij de ander moet de kieskeurigheid van de cliënt ter discussie worden gesteld en moet ook meegedeeld worden dat korting op de uitkering mogelijk is. Bij weer anderen is alleen een positieve stimulans nodig.

De vraag is of de consulenten door de bank genomen wel voor zo'n benadering zijn toegerust. Vaak wordt er binnen gemeenten een onderscheid gemaakt tussen een consulent die meer als maatschappelijk werker funcioneert en de cynicus die de slechte kanten van de werkloze als uitgangspunt neemt. Voor beiden geldt het gevaar dat hun benadering van de werkloze niet zakelijke en analytische genoeg is. Bij veel gemeenten wordt overigens aan een verbetering van de analyse van de werkloze gewerkt, zodat er een meer op maat gesneden aanpak mogelijk is.

Een goed aanbod aan de werkloze lijkt vervolgens vanzelfsprekend: in de praktijk is dit niet het geval. Begrippen als 'scholen om het scholen', omdat andere manieren om iemand aan de slag te krijgen uiteindelijk niets opleveren, zijn bekend in de wereld van de uitvoering. De beschikbaarheid van instrumenten en middelen is daarbij niet het knelpunt. Naast het probleem van de goede analyse, speelt vooral de noodzaak tot scoren van een consulent een rol.

Het mechanisme werkt op dit moment zo dat vaak meer wordt gekeken naar het aantal werklozen dat een consulent aan een scholingsplaats heeft geholpen, dan naar het uiteindelijke resultaat: komt de werkloze ook aan de slag. Het gevolg is dat door ongerichte scholing veel uitval plaatsvindt. De klant vervalt weer in werkloosheid en normaal gesproken duurt het weer een tijd voor hij een nieuwe oproep van de sociale dienst krijgt. De een zal dit vervelend vinden, de ander zal denken dat hij weer een tijdje van het gezeur af is.

Ten slotte: als de cliënt eenmaal aan een scholings- of werkgelegenheidsproject deelneemt, wordt hij vaak uit het oog verloren. Vragen naar het aantal uitvallers en het moment waarop dit gebeurde kunnen door uitvoerders vaak niet worden beantwoord.

Jarenlang is het gemeentelijk werkgelegenheidsbeleid vooral gericht geweest op het ontwikkelen van nieuwe projecten waarbij geldpotjes en maatschappelijke behoeften op een creatieve wijze met elkaar werden verbonden. Als het ene project op de rails stond was men bij wijze van spreken al weer bezig met een nieuw project. De feitelijke resultaten van projecten en de opheffing van knelpunten trokken minder aandacht.

Als er niemand in zo'n situatie boven op zit, kan ook niet nagegaan worden of de klant zelf verantwoordelijk was voor de problemen en dus voor een sanctie in aanmerking komt.

In de praktijk probeert men in veel gemeenten deze problemen aan te pakken en tot een andere en meer effectieve uitvoeringspraktijk te komen. Die verbetering is noodzakelijk: een afgewogen benadering van rechten en plichten van een cliënt is gewenst. Die is echter alleen mogelijk als je de beschikbare instrumenten en middelen op goede wijze inzet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden