Lang leve de republiek

De monarchie beschouwen wij doorgaans als iets vanzelfsprekends. Volgens Erik van Ree zijn er echter tekenen die er op wijzen dat het instituut zichzelf heeft overleefd....

DE door prins Willem-Alexander veroorzaakte mini-affaire rond de viering van 5 mei deed onlangs een kleine siddering door het Oranje-kamp gaan. Heel even werd de vraag weer eens gesteld: is een koningshuis nog wel van deze tijd?

Het merkwaardige is echter dat het in Nederland zelden komt tot een werkelijk debat over de monarchie. Merkwaardig, omdat wij toch maar weinig fervente aanhangers kennen van het systeem van erfopvolging. Vraag een willekeurige collega waarom we die Oranjes niet aan de dijk zetten en hij zal antwoorden: 'Ach, laat ze - ze kunnen toch geen kwaad?'

Het is iedereen wel duidelijk dat een verantwoordelijke functie dient te worden bekleed door diegene die daarvoor is gekwalificeerd - en niet door diens zoon of dochter. En dat een erfmonarchie onvermijdelijk ook minder geschikte vorsten oplevert, weten wij uit ervaring. De laatste stadhouder, Willem V, wekte alleen medelijden. 'Zijn schichtige, onnozele gelaatsuitdrukking, om de openstaande mond een plooi van een verlegen glimlach', zoals hij ooit werd beschreven.

Koning Willem ('de bojaar') III was een beest die de begrafenis van één zijner zonen om negen uur 's ochtends deed plaatsvinden om niet de hele dag kwijt te zijn. En Juliana is ongetwijfeld een brave vrouw, maar iemand die een zelfbenoemde 'ambassadeur van de planeet Venus' in ernst ten paleize ontvangt, lijkt een minder voor de hand liggende kandidaat voor de functie van staatshoofd.

Het valt niet te ontkennen dat een monarchie, juist dankzij haar in het oog springende ondemocratische karakter, ook een voordeel heeft. Omdat een koning niet wordt gekozen, en in principe niet afzetbaar is, hoeft hij ook niet te trachten in het gevlei te komen bij politieke partijen of kiezers. Hij staat bij voorbaat en blijvend boven de partijen. Op grond hiervan wordt aan de monarchie wel een stabiliserende betekenis toegekend.

Dit voordeel is echter ook gemakkelijk in te bouwen in een republikeins stelsel. Wanneer de president zou worden verkozen door de Staten-Generaal en wel met, bijvoorbeeld, een noodzakelijke tweederde meerderheid, en tevens voor een beperkte periode, dan zouden zelfs twee vliegen in één klap worden geslagen.

Het mythische gevaar van een 'sterke man', dat het presidentieel systeem onvermijdelijk met zich mee zou brengen, zou worden beteugeld. Tevens zou zijn vermeden dat een president slechts een minderheidsstroming binnen de bevolking representeert.

Het systeem zoals dat in Duitsland bestaat, zou uiteraard niet onveranderd kunnen worden overgenomen, maar iets dergelijks is hier wel degelijk denkbaar. Het zou aansluiten bij dat deel van de Nederlandse politieke traditie dat republikeins is, maar niet autocratisch.

Waarom houdt Nederland dan zo hardnekkig vast aan zijn koningshuis? Kennelijk kunnen we geen afstand doen van het laatste restje 'heiligheid' dat de samenleving buiten de kerk nog kent. Het calvinistische volksdeel, waar de Oranje-cultus traditioneel het sterkst is, meent nog altijd dat Beatrix 'bij de gratie Gods', dat wil zeggen namens hun God, op de troon zit. Maar ook buiten dit milieu bestaat kennelijk een hang naar handhaving van een mythische representant van de natie, van een totem-figuur. De uit 1848 stammende grondwettelijke formule van de 'onschendbaarheid' des konings, garandeert immers dat deze persoon wel buiten de normale burgerlijke en zelfs menselijke orde moet vallen.

Want een 'onschendbare' koning kan slechts op twee wijzen functioneren. Wanneer hij niet 'geschonden' kan worden - omdat hij als despoot kan doen en laten wat hij wil. Of ingeval er niets te 'schenden' valt - wanneer hij zich onthoudt van iedere mogelijk laakbare daad. Kortom, wanneer hij van elke macht is ontdaan, ophoudt maatschappelijk te functioneren, zijn werkelijke persoon aan het oog onttrekt, en daarvoor in de plaats een bedrieglijk ideaalbeeld van zichzelf onder de bevolking projecteert.

Een 'onschendbaar' vorst is, met andere woorden, een despoot of een cultus-gestalte. En dat laatste is kennelijk wat wij wensen.

WIJ spreken mevrouw Van Oranje-Nassau aan met 'majesteit', kort voor: opperhoogheid, heerlijkheid of verheven pracht. Zij heeft deze titel als een magische cirkel om zich heen getrokken, en wij blijven er graag op een eerbiedige afstand van.

Wij zelf hebben deze vrouw boven ons gesteld, die door het hanteren van de pluralis majestatis zonder kennelijke gêne te kennen geeft zich als een wezen van een andere orde te beschouwen. Verjaardagen van haar familieleden worden door zichzelf respecterende dagbladen als nieuwsfeit gebracht, en scholen en straten dragen hun namen. Normale interviews zijn met de Oranjes niet te maken. En als 'affaires' dit aandoenlijke kindersprookje dreigen op te blazen, dan spreekt de pers af de zaak dood te zwijgen, (zoals in de jaren vijftig met de Greet Hofmans-affaire) of er worden uiterst curieuze exercities in zelfbeheersing waargenomen.

Zo is bijvoorbeeld in geen enkele Nederlandse krant ooit maar de vraag gesteld of Juliana iets te maken gehad zou kunnen hebben met Bernhards Lockheed-escapades. Dat kinderen hun ouders als onfeilbaar beschouwen is tot daar aan toe, maar dat een moderne staat bij grondwet een functionaris instelt die levenslang de rol van onfeilbare vader of moeder moet spelen, is slechts potsierlijk. Door de machteloze maar onschendbare koning te behouden, is het infantilisme tot één der leidende beginselen van het Nederlandse staatsrecht verklaard.

Wellicht echter is de diepste oorzaak van de handhaving van de monarchie niet gelegen in deze kinderlijke behoefte aan een theaterfiguur, doch simpel in een persoonlijke aanhankelijkheid jegens de familie Van Oranje-Nassau. Zelfs ten tijde van de republiek meenden wij ons lot in de uren des gevaars telkens weer te moeten toevertrouwen aan deze familie. De Oranje-stadhouders waren de legeraanvoerders van de Staten-Generaal. En in de hele Nederlandse geschiedenis zijn zij dat altijd gebleven: de oorlogspartij.

Zij hebben nooit (wellicht met uitzondering van koning Willem I) een rol gespeeld als hervormers. In de zestiende en zeventiende eeuw waren het Maurits, Frederik Hendrik en Willem II, die de oorlog met Spanje met de grootste inzet wilden voortzetten - vaak tegen de bezwaren van de Amsterdamse en Hollandse regenten in. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt betaalde in 1619 met zijn leven voor het door hem doorgeduwde Twaalfjarig Bestand.

Na de vrede van Munster van 1648 hadden de regenten al snel geen behoefte aan Oranje meer, en brak het Eerste Stadhouderloos Tijdperk aan. De 'kleine luyden' (die er niet vies van bleken nog een raadspensionaris om het leven te brengen) haalden in 1672 Willem III weer binnen toen de Nederlanden opnieuw in een rampzalige oorlog betrokken waren geraakt.

Vanaf dat moment hebben de Oranjes tot diep in de negentiende eeuw gefungeerd als zelfbenoemd bolwerk tegen de Franse expansiedrang. Willem III vocht twee grote oorlogen uit tegen deze mogendheid. Na het Tweede Stadhouderloos Tijdperk werd Willem IV in 1747 binnengehaald toen de Franse troepen weer eens op Nederlands grondgebied marcheerden.

Na 1813 werd Willem I koning van een groot-Nederlands mini-imperium dat zich een rol toebedacht als boulevard de l'Europe contre la France. Geheel in de traditie van zijn voorvaderen weigerde deze stijfkop negen jaar lang de door Frankrijk gesteunde Belgische afscheiding van 1830 te erkennen en hield het land in een halve oorlogstoestand, dromend van een vervolg op de Tiendaagse Veldtocht.

HET wonderbaarlijke herstel van de populariteit van de Oranjes in de twintigste eeuw dankzij Wilhelmina's rol in de Tweede Wereldoorlog, past in dit patroon. Opnieuw was een Oranje aanvoerder van het kleine Nederland in de strijd tegen een mogendheid die haar hegemonie in Europa trachtte te vestigen. Na Spanje en Frankrijk speelde nu Duitsland deze rol.

In overeenstemming met dit alles vormt, naast de calvinistische kleinburgerij, het leger nog altijd het tweede belangrijke centrum van loyaliteit jegens Oranje.

Er zijn echter goede gronden om aan te nemen dat de mythe inmiddels haar einde tegemoet gaat. En ik denk dan niet alleen aan het feit dat veel jongeren het Wilhelmus alleen nog kennen als het clublied van het Nederlands elftal. Willem de Zwijger en zijn familie hebben onmiskenbaar een integrerende rol gespeeld in de vorming en ontwikkeling van de Nederlandse natie, maar door de huidige internationalisering zal de effectiviteit van de mythe wel haast moeten verbleken.

Om te beginnen wordt de Nederlandse bevolking momenteel aangevuld met een groot aantal mensen uit Turkije en Marokko voor wie de hele Oranje-geschiedenis absoluut niets betekent. De integratie van deze nieuwe burgers rond een kunstmatig opgedrongen 'Oranje-gevoel' lijkt weinig zinvol. En bovendien: wat kan onder de voorwaarden van een Europese eenwording de feitelijke betekenis blijven van een familie wiens glorie berust op aanhoudende bestrijding van de ons bedreigende buurstaten - die nu onze partners zijn?

Het is uiteraard niet uitgesloten dat angst voor de Europese eenwording juist velen in de richting van Oranje zal drijven. In dat geval zou de Oranje-legende echter definitief verworden tot een symbool van de provinciaalse reactie. Niet slechts de monarchie in het algemeen is niet meer van deze tijd, ook de Oranje-dynastie in het bijzonder is dat inmiddels niet meer.

Het is daarom hoog tijd de Nederlandse monarchie daar onder te brengen waar Friedrich Engels de hele staat naar toe wilde verhuizen: het oudheidkundig museum, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.

Erik van Ree is socioloog en verbonden aan het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.