Landstitel 32: de Schaal is van Allemaal

Vitesse heeft Bony, Feyenoord Pellè, PSV Van Bommel. Maar Ajax dan? De bijna-kampioen, eens een open podium van voetballende geniën, lauwert anno 2013 het team.

Wie is de beste Ajacied in kampioensjaar III van de nieuwe jaartelling onder recordtrainer Frank de Boer? Eriksen? De Jong? Moisander? Doelman Vermeer misschien? Alderweireld? Of toch Schöne? Routinier Poulsen? Fischer? Wie het weet, mag het zeggen.


De topschutter dan? Dat is Siem de Jong, met slechts 11 goals, 20 minder dan Wilfried Bony van Vitesse. Amsterdam, deze lente de stad van heropende musea, kroning en koningsvaart, internationale verzamelplaats van creativiteit, brengt met sportief bolwerk Ajax de kampioen van de gelijkmatigheid voort.


Want Ajax, zelden zo constant als in jaargang 2012-2013, wordt soeverein kampioen, normaliter zondag thuis tegen Willem II, dat bij een nederlaag degradeert. Ajax is de ploeg van combinatievermogen, balbezit, positiespel en rust, geleid door een trainer, Frank de Boer, die gewoon doen als handelsmerk uitdraagt. Ajax is bovendien de ploeg van teamwerkers bij uitstek: een regiment voetballers uit Noord-Europa stut het boegbeeld van het Nederlandse voetbal.


Ajax voetbalt soms zo weinig meeslepend en verrassend dat het spel is uit te tekenen. De bal gaat van Vermeer naar Van Rhijn, naar Moisander of Alderweireld, terug naar Van Rhijn, eventueel terug naar Vermeer. Dan begint de opbouw opnieuw, via de andere flank bijvoorbeeld, via Blind. Steeds blijft de bal dicht bij de grond. Indien mogelijk volgt de snelle overstap naar het middenveld, en ah, daar is de doorgang naar de voorhoede. Het is de poldervariant van Tikkietakkie, in Nederlands tempo en zonder Amsterdamse variant van Messi.


Toch kan in Nederland niemand op tegen Ajax, dat slechts twee competitieduels verloor, beide van Vitesse. Ajax is een ploeg zonder werkelijke uitblinkers, een team van welopgevoede, serieuze mannen, in een seizoen zonder onvergetelijke hoogtepunten. Nou ja, de thuiswedstrijd tegen PSV was top, of de lob van Fischer tegen NEC, en misschien nog een paar andere momenten en duels. Doorgaans gold: degelijk, bijna altijd beter dan de tegenstander, dominant. Niet uitmuntend.


Dat druist in zekere zin in tegen waarden uit het verleden, die het imago van Ajax in de wereld bepaalden. Bedenk dat Johan Cruijff met zijn in 2010 geëntameerde 'fluwelen revolutie' die oude glorie wilde laten herleven. Laten we dan stellen dat Ajax nog onderweg is en dat het voorheen zo verwende, kritische publiek de realiteit van tegenwoordig omarmt: de supporters accepteren Ajax als ploeg die eeuwig in opbouw is.


Ajax werd echter niet wereldberoemd door zijn teamgeest, maar door zijn geniale, uitmuntende, uitblinkende voetballers uit de hoogste categorie, de kaste met Cruijff, Keizer, Van Basten, Rijkaard, Bergkamp, Kluivert, Krol, Davids, Seedorf, Sneijder en anderen. Ook zij waren teamspelers, net als Eriksen of De Jong dat zijn, maar ze waren ook een soort grote zelfstandigen; schatplichtig aan het team, maar ook aan zichzelf. Ze waren, al dan niet gewild, helden, idolen.


Anno 2013 zijn de spelers bijna inwisselbaar. Vertonghen, Janssen, Anita en Van der Wiel vertrokken bij het begin van het seizoen. Kon Ajax dan nog kampioen worden? Het bleek geen probleem. Anderen stapten in de door de trainer uitgetekende sjablonen van het combinatiespel, net als in een leger dat gesneuvelde soldaten vervangt door nieuw ingevlogen, gretige rekruten. De nieuwelingen bleken soms nog constanter en veelzijdiger dan hun voorgangers. Schöne is middenvelder, rechts, in het midden of links, flankaanvaller ook.


Individu

Babel is net zo gemakkelijk spits als buitenspeler. De Jong is middenvelder en/of aanvaller. 'Het team is belangrijker dan het individu', zei De Boer deze week ten overvloede in een gesprek met Voetbal International.


De tijden van El Hamdaoui, Sulejmani en Janssen zijn voorbij. De eigenzinnige Marokkaan was eigenlijk meteen gezien, toen De Boer zijn entree maakte in december 2010. Sulejmani, de duurste Ajacied aller tijden, loopt straks gratis de deur uit, half tot helemaal mislukt, onder De Boer nog meer dan onder diens voorgangers Van Basten en Jol. Theo Janssen was klaar bij Ajax, na ruim één seizoen.


Ajax begeert de bal, net als Barcelona, maar dan op minder spectaculaire wijze, en probeert de verloren bal snel te heroveren op de helft van de tegenstander. Ajax valt met overleg aan, zet druk en scoort op gezette tijden. Toch mist het spel opwinding. Waar is Ling? Cruijff, Olsen, Van 't Schip, Van Basten, Vanenburg, Davids? Waar is de voetballer die de tribune in lichterlaaie zet? Dat gebeurt sporadisch, door een ren of het inzicht van Eriksen, door een snufje voetbalpracht van jongeling Fischer. Maar als zij, de toptalenten van de selectie, het niveau benaderen van de waarlijk groten, zijn ze vermoedelijk alweer vertrokken.


Waar is de veel scorende spits, voor het derde seizoen op rij? Ajax wekt verlangen naar Van Basten, naar Bosman of Kieft desnoods. Ajax roept melancholie op naar een sprankelende buitenspeler. Menigeen die zich nu flankspeler mag noemen, Boerrigter, Sana of Lukoki, is van minder gehalte dan wat bij menig concurrent voorradig is.


Frank de Boer zeurt nooit over zijn spelers. Hij giet Ajax in de mal van zijn gedachten, die zijn gevormd door jarenlange ervaring en de wetenschap dat het team sterker is dan het individu.


Ajax, geboren als club van aanvallers, dankt vooral ook de verdedigers. Op een gegeven moment, halverwege de winter, maakten ze bijna alle doelpunten. Op 10 februari Roda-thuis, 1-1, dankzij Blind. Op 14 februari: Steaua Boekarest-thuis, in de Europa League: 2-0, met Alderweireld en Van Rhijn. Op 17 februari, RKC-uit: 0-2, Moisander en middenvelder Eriksen. Dan, via een sprongetje van twee weken, op 2 maart: Moisander en Alderweireld, in de sleutelwedstrijd bij FC Twente.


Het is een saillante paradox. Cruijff eiste de ingrijpende hervorming van de jeugdopleiding. Het accent moest liggen op de ontwikkeling van het individu. Het (aanvallende) genie moest ontspruiten. Of, zoals opleider en assistent-trainer Dennis Bergkamp zei, in een gesprek met de Volkskrant in januari, over het gemis bij Ajax: 'We willen een speler die constant wil bewijzen dat hij de beste is. Voetballers verschuilen zich zo vaak.' De beste van allemaal zijn dus, in plaats van met zijn allen gewoon goed zijn.


Ajax vraagt geen kampioenschappen meer van de jeugd, maar ontluikende topspelers. Een titel, dat hoeft pas bij de senioren. Dat laatste lukt dus wonderwel, doch zonder werkelijke uitblinker, zonder de Cruijff van 2013, zelfs zonder de Seedorf van 2013.


Revolutie

Het is het duidelijkste bewijs dat de revolutie van Cruijff nog lang niet is voltooid, dat die ondanks de ingetreden rust eigenlijk pas net is begonnen. Tal van functies binnen de club, van hoog tot laag, zijn ingevuld, veelal met oud-profs. Het wachten is op de vruchten van jeugdcomplex de Toekomst, waar de verwikkelingen zich afspelen tussen de coulissen.


Eigenlijk bouwt Ajax volop aan de toekomst, terwijl het alvast trofeeën van het heden opvist. Dat is knap en mooi meegenomen. Overal halen scouts intussen jeugd vandaan, om de aanvoer te verbeteren, om de toekomst te waarborgen, om Ajax te perfectioneren. Alleen al sinds de winterstop zijn de volgende jongens gehaald, scholieren nog, tot aan Tsjechië en IJsland toe: Nathan Leyder (16, Zulte Waregem), Vaclav Cerny (15, Pribram), Dejan Meleg (18, Vojvodina), Riechedly Bazoer (16, PSV), Anwar El-Ghazi (17, Sparta), Ottar Magnus Karlsson (16, Vikingur). En Joe van der Sar, de zoon van de nieuwe directeur.


Ajax trekt ook jeugdtrainers aan, mannen zonder glorieus verleden als prof zelfs. Willem Weijs, 26 pas, komt van PSV. Patrick Ladru keert terug bij de club, als manager van de zogenoemde middenbouw, jongens van 13 tot 16. Het is het bewijs dat de omwenteling niet alleen een zaak kan zijn van De Boer en zijn broer Ronald, Perez, Roy en al die andere oud-topspelers, want een oud-prof is niet automatisch een goede trainer.


In stilte weten ze bij Ajax dat op het veld van de Arena iets wezenlijks ontbreekt, ondanks al die titels. Kijk naar de topschutterslijst: Bony, Pellè, Finnbogason, Altidore, Malki, Mertens, Lens, Wijnaldum, Castaignos, Immers, Mulenga, Tadic, en dan pas: Siem de Jong, samen met Matavz en De Leeuw. Ja, Sigthorsson was weer lang geblesseerd, maar toch. Twee seizoenen geleden was El Hamdaoui topschutter van de kampioensploeg met 13 treffers, vorig seizoen De Jong eveneens met 13, en nu dus De Jong met 11.


Kijk ook naar het klassement van de speler van het jaar in VI. Pellè staat op 1 en Strootman op 2. Dan volgt een Ajacied, maar dat is de doelman, Vermeer. Vervolgens: Bony, Janmaat, Clasie, Van Ginkel, Toornstra, Vilhena. Vitesse, Feyenoord en FC Utrecht. Dan pas: Blind, een Ajacied. Een verdediger.


De Boer lijkt in menig opzicht op een illustere voorganger, Louis van Gaal. Ook die wees altijd op het team, ook in dat gouden jaar 1995. Ajax won toen alle prijzen, maar George Weah uit Liberia werd voetballer van het jaar. Van Gaals spelers als Davids, Seedorf, Rijkaard, De Boer zelf, Blind en Kluivert waren gemiddeld beter dan die van De Boer, maar ook zij maakten zich ondergeschikt aan het teambelang. Althans, een tijdje.


Rakel dat verleden op en de weemoed sijpelt door de gedachten, ondanks weer een titel. Dat valt de huidige Ajacieden overigens niet euvel te duiden. Ze vieren kampioenschap 32; de Schaal van Allemaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden