Laatste kans voor de keizersmantel

Het gaat niet goed met de Nederlandse vlinders. Al zeventien soorten zijn uitgestorven, een veel groter aantal staat op de nominatie te verdwijnen....

NEDERLAND is geen aangenaam land voor vlinders. Het is er te druk, te eentonig en te aangeharkt. Hier een meter heide, daar een snipper bos; in het door asfalt en beton doorsneden poldergroen voelt de Plebejus argus of de Heteropterus morpheus zich niet lekker. Sterker nog: volgens deskundigen is in Nederland een geruisloze vlinderexodus op gang gekomen. Niet alleen vliegen er minder soorten rond dan vroeger, uit jaarlijkse tellingen valt op te maken dat de totale populatie het afgelopen decennium met liefst 40procent is teruggelopen.

De gegevens komen van De Vlinderstichting in Wageningen, een particuliere, door een landelijk netwerk van liefhebbers en onderzoekers ondersteunde instelling, die onder de directie van Jan van der Made een serieuze stem in het nationale koor van natuurbeschermers en beleidsmakers is geworden.

In zijn met kleurige natuurimpressies versierde werkkamer legt de directeur uit waarom de 'desastreuze achteruitgang' om een nationaal reddingsplan vraagt. Hoewel het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij inmiddels een subsidie van vierhonderdduizend gulden toekende (de stichting dacht zelf 2,5 miljoen nodig te hebben), meent Van der Made dat de schade nog onvoldoende serieus wordt genomen. 'Iedereen is ervan overtuigd dat de lepelaar niet uit Nederland mag verdwijnen, maar met de vlinder zijn we zo ver nog niet.'

In het begin van vorige eeuw telde Nederland nog zeventig standvlinders. Daarvan zijn er intussen zeventien verdwenen en van de resterende 53 zijn er dertig in meer of mindere mate bedreigd. De laatste categorie is vastgelegd in de zogeheten Rode lijst dagvlinders. Deze in 1995 door het ministerie gepubliceerde inventaris noemt talrijke kwetsbare of met uitsterven bedreigde soorten, die 'bijzondere aandacht' verdienen. Het veenbesblauwtje, de sleedoornpage, het tijmblauwtje, de zilveren maan, het kalkgraslanddikkopje - wie een van die zeldzaamheden op zijn pad treft, mag zich feliciteren.

Van der Made kent de voorbeelden uit zijn eigen omgeving. 'Ik woon aan de voet van de Amerongse Berg, een mooi nationaal park, maar wat ik in mijn tuin zie valt hartstikke tegen. Ik denk niet dat ik er meer dan twaalf soorten heb geteld. Het is armoe troef, zelfs midden in de zomer.' De achteruitgang is moeilijk in een paar zinnen te verklaren: ontginningen, intensieve bemesting, milieuproblemen en landschappelijke herindelingen kunnen een rol spelen. Wat de Amerongse Berg betreft, vermoedt Van der Made dat de verdroging en de opdeling van enkele uitgestrekte heidevelden de vlinders geen goed hebben gedaan. 'Om van het ene stuk heide naar het andere te komen moesten ze nu hoog over bomen vliegen, en dat doen lang niet alle vlinders. Wat vervolgens van hun territorium overbleef, was vaak niet groot genoeg om te kunnen overleven.'

Een van de soorten die voorgoed uit Nederland verdween, is het tweekleurig hooibeestje (Coenonympha arcania), een teer, bruin-oranje lid van de zandoogjes-familie, dat tot voor kort leefde in bosranden en droge graslanden van de Hoge Veluwe. 'Over de grens kun je het nog zien, maar in Nederland is het uitgestorven.'

Met de zich in moerasgebieden schuilhoudende grote vuurvlinder (Lycaena dispar) dreigt het dezelfde kant op te gaan. In Friesland en Noord-West Overijssel komt de voor Nederland unieke ondersoort batava nog voor; vorige maand werd in samenwerking met het ministerie voor de schamele laatste populatie een beschermingsplan gepubliceerd. 'Hopelijk redt ie het.'

Goed nieuws is er ook. Twee uitgestorven soorten, het pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) en het donker pimpernelblauwtje

(Maculinea nausithous), zijn weer terug. Sinds een jaar of wat worden ze weer aangetroffen in een reservaat van Staatsbosbeheer bij Den Bosch. Een beetje hulp kwam er wel aan te pas, geeft Van der Made toe: beide soorten werden geïmporteerd uit een populatie bij Krakau, Polen - 'nog steeds een fantastisch vlinderland'.

Ruim vijfduizend donateurs ondersteunen de stichting in de ontwikkeling van een uitgebreid voorlichtingsprogramma, dat de vlinder aan een 'maatschappelijk draagvlak' moet helpen, maar ook concrete oplossingen biedt. De informatie varieert van praktische richtlijnen - maai- en begrazingsadviezen in het project Geen Vlinder Minder - tot lespakketten en simpele tips voor de tuin. Want ook van een gevarieerdere 'stadsnatuur' kan de vlinder profiteren. 'Wij adviseren de mensen wat slordiger te gaan tuinieren. Niet te veel snoeien en schoffelen. En in plaats van die grindtegels een mooie budjela planten, een vlinderstruik. Dan is er al veel gewonnen.'

Vlinderbeleid is ingewikkeld, zegt Van der Made. Alleen al omdat het dier tijdens zijn gecompliceerde levensloop (van ei tot rups tot pop tot vlinder) afhankelijk is van verschillende soorten vegetatie. Wie zich in vlinders verdiept, zal ook wegwijs moeten worden in uithoeken van de Nederlandse flora, waar fraaie vlindernamen een tegenhanger vinden in nog mooiere botanische termen. Vaak lijken die ontsproten aan een Marten-Toonderachtige fantasie, met knoestige namen als oot, bolderik, duist, tormentil en het raadselachtige look zonder look - de uitverkoren snack van het oranjetipje.

Ook onder vlinders zijn er alleseters en fijnproevers; de rupsen van sommige soorten zijn afhankelijk van één zeldzaam plantje, dat alleen op een schaarse grondsoort groeit. Van der Made: 'De leefgebieden zijn vaak te klein, wat de risico's voor het uitsterven extra groot maakt. Net Tien kleine negertjes. Als we nú niks doen, kun je eenvoudig voorspellen waar de volgende populatie verdwijnt.'

Vandaar dat samenwerking met andere natuurbeschermers tegenwoordig hoog op de agenda staat. Natuurbeschermers raken ervan doordrongen dat ze samen keuzen moeten maken: welke dier- of plantensoort krijgt in dit landschap voorrang? 'Vlinderbeleid en weidevogelbeleid gaan niet samen; het een vraagt bemesting, het andere niet.' Het is wel zo prettig voor de 'man in het veld', die vroeger licht tureluurs werd van de stoet natuurlobbyisten die alle voor hun eigen nering aan de bel trokken. 'Een terreinbeheerder kan nu ontdekken dat vlinders plezier brengen en dat de zorg maar weinig geld en moeite kost.'

Belooft 2000 toch nog een mooi vlinderjaar te worden? 'We mogen niet mopperen. We weten het pas zeker als in september het seizoen achter de rug is, maar uit onze waarnemingen blijken bedreigde soorten als het veenhooibeestje (Coenonympha tullia) het dit jaar goed te doen. In het Fochteloërveen zijn er nog nooit zoveel gezien. Het kan natuurlijk ook zijn dat we intensiever kijken dan vroeger.'

Echt sensationeel nieuws heeft het seizoen nog niet opgeleverd. Dat was wel anders in de hete zomer van 1995, toen meer dan honderdduizend rouwmantels (Nymphalis antiopa) het land binnenvielen. 'Schitterende dieren zijn dat, zúlke joekels. Er was vroeger een populatie in de Imbosch, maar ze zijn sinds lang uit Nederland verdwenen. De hoop was dat de dwaalgasten uit 1995 zich blijvend zouden vestigen, maar er zijn helaas nooit rupsennesten gevonden. Ondanks de kratten pils die voor de eerste vinder waren uitgeloofd.'

Vlinders zijn vredelievend, ze steken niet, maken geen kabaal en zijn de kampeerder en terrasbezoeker zelden tot last. Als ze in een sierlijke fladdervlucht hun kleuren tonen, lijken ze de feestversiering van de natuur. Geen wonder dat Van der Made denkt dat hun populariteit nog kan groeien. Een gunstig teken is dat de serieuze vogelaars van de Dutch Birding Association tegenwoordig ook zeldzame vlinderwaarnemingen doorgeven. Kan de stichting straks rekenen op actievoerders die door het vuur gaan voor de laatste keizersmantel (Argynnis paphia) of zilvervlek (Clossiana euphrosyne)?

De tijd is er rijp voor, meent Van der Made. Met gemengde gevoelens denkt hij terug aan de jaren waarin zijn specialisme werd geassocieerd met rare mannetjes die zwaaiend met hun vlindernet door de natuur banjeren - zie Mijnheer Prikkebeen, de populaire karikatuur van de schrijver/tekenaar Rodolphe Töpffer. 'Mijnheer Prikkebeen heeft het respect voor ons vak geen goed gedaan. Fotografen wilden ons altijd met een netje portretteren. Dat hebben we nu wel gehad, gelukkig.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden