LAAT KUNST STERVEN

In 1947 waren er in Nederland 195 musea; nu zijn er meer dan duizend. We bezwijken onder onze verzameldrift. Bewaren om te bewaren, dat kan toch niet de bedoeling zijn?...

Musea verzamelen voor het nageslacht al jarenlang antieke potscherven en talloze geologische specimina, duizenden en duizenden opgeprikte vliegen en vlinders, spinnen en krekels, preparaten in flessen en opgezette zoogdieren, klokken, draaiorgels, porselein, zilverwerk, tekeningen en schilderijen. De Nederlandse museumdepots barsten uit hun voegen. Het zijn kerkhoven vol vergeten en soms ook verwaarloosd erfgoed. Vele miljoenen voorwerpen, die door de musea zijn aangekocht of verworven uit schenkingen en legaten, liggen opgeslagen in kelders, op zolders of in bunkers, vaak ten prooi aan schimmel, kever, luis en mot.

De verzamelingen nemen door die ongebreidelde bewaarzucht onbeheersbare proporties aan. In 1947 waren er in Nederland 195 musea; nu zijn er al meer dan duizend. We bezwijken onder onze verzameldrift. De waarde van de rijksmuseumcollecties, becijferden onderzoekers, beloopt - afhankelijk van de dagkoers van de Van Goghs - 40 à 45 miljard gulden. Dat is meer dan de totale Neder landse goudvoorraad, die circa 12 miljard bedraagt.

Het rapport Verzamelde natuur, een verkenning (1998) over de natuurhistorische musea, geschreven in opdracht van de Nederlandse Museumvereniging, rept over honderd miljoen voorwerpen, met een waarde van ruim twee miljard. De collecties groeien met miljoenen objecten per jaar. Dat doet denken aan de verzamelwoede van 'de Jezus van Eerbeek', die in 1988 op zijn 78ste overleed. Hij had liefst 250 duizend dieren opgezet en bewaard in hutten en bunkers op de Veluwe. Toen politiemannen de verborgen schatten ontdekten, schrijft Midas Dekkers in De vergankelijkheid, waren ze 'verbijsterd door de stortvloed aan vogeltjes, geprepareerd tussen vloeipapier, in kartonnen doosjes, naar oud-testamentische wijze mannetjes en vrouwtjes bij elkaar'. De zonderling van Eerbeek had als een tweede Noach van alle soorten exemplaren bijeengebracht, zwarte zwanen en krokodillen, beren en herten, zodat ze allemaal 'klaar zouden zijn voor de Dag des Heren, bij de wederopstanding'.

Tevergeefs willen we al die voorwerpen opbergen en voor latere generaties conserveren. Het kost handenvol geld en het vergt onnoemelijk veel inspanning en tijd. Moet je in het digitale tijdperk wel alles van enigerlei waarde in magazijnen opslaan? En waarom zou je al die voorwerpen ook nog eens willen opkalefateren als je die dingen toch nooit op zaal of eender waar laat zien? Je archiveert toch ook niet al je paperassen of notities. In de jaren zeventig, weet Dekkers, prees Maar ten 't Hart, toen nog als onderzoeker werkzaam aan de universiteit, 'al knaagdieren als documentenvernietiger aan'. Hij gooide alle overbodige stencils, memoranda en notulen in een bak met woestijnmuizen, alwaar ze ogenblikkelijk tot kleine snippers werden vermalen.

'Je kunt toch niet alles bewaren, je zou in je eigen spullen omkomen'. Alles is vergankelijk en weerloos, en ongetwijfeld zullen ook die miljoenen voorwerpen in de museumdepots schilfer voor schilfer verkruimelen. Al worden van tijd tot tijd scherven gelijmd of wordt het koper weleens gepoetst, ook al gaat de verniskwast over een oud schilderij, alles van waarde is sterfelijk. Je kunt het weliswaar allemaal prepareren, in zijn oude glorie herstellen of onderdompelen in formol, maar dan nog kun je je de vraag stellen: moeten we wel al die objecten blijven verzamelen?

'In tegenstelling tot hun titel', schrijft Dekkers over conservatoren en archivarissen, 'is niet bewaren en opslaan, maar weggooien en vernietigen hun hoofd taak.' Je moet selecteren. 'De tijd heeft geen tanden. De tijd doet niets, behalve verstrijken. Wat knaagt dat zijn gewoon de muizen en de wormen en de schimmels en de gewetens.

'De dikke muren en hoge drempels van onze musea en archieven vormen een zwaar gepantserde hersenpan, die de tand des tijds buiten moet sluiten', betoogt Dekkers, 'ook al weten de directeuren als geen ander hoe vergeefs dat is.' Depots ruiken naar mottenballen en formol, zilver of oude schilderijen verliezen hun glans, en papier verpapt. Je kunt nu eenmaal niet alles restaureren.

Onaantastbaarheid van scho on heid of waarde is maar schijn. Alles is onderhevig aan een onvermijdelijk verouderingsproces. De Engelse kunstenaar William Hogarth maakte in 1761 de spotprent Time smoking a picture, waarop de naakte Chronos zijn zeis door het linnen van een schilderij steekt. Dit attribuut is het symbool van de nietsontziende en voortschrijdende tijd. Chronos rookt een pijp, waarvan de rook het doek in nevelen hult. Van de voorstelling is vrijwel niets meer te zien. De tijd is een vijand van de kunst.

Waarom zou een museumvoorwerp niet mogen 'overlijden'? Je moet niet per se een door een kunstenaar in vergankelijke materialen gemaakt werk voor het museum willen behouden. Je kunt die voorwerpen ook fotograferen en, zoals foto's van je overleden dierbaren, als souvenirs bewaren. Want een door warmte en vochtigheid aangetaste vetdoos van Joseph Beuys of Dieter Rothts in chocolade uitgevoerde Portret van de kunstenaar als vogelvoer worden door motten en ander ongedierte weggevreten. 'Het is het onontkoombare lot van moderne kunst', zegt kunsthistorica Nicole Ex, van kunst 'die haar bestaansrecht deels ontleent aan de vergankelijkheid die in haar concept besloten ligt'.

Museumvoorwerpen, ook kunst, hebben recht op een natuurlijk leven van jeugd, ouderdom en dood. Misschien moeten restauratoren niet alles op alles zetten om die voorwerpen te redden en kan er in veel gevallen beter tot een vorm van 'euthanasie' worden overgegaan. 'We kunnen het verval accepteren', zegt Ex, 'en de tijd zijn gang laten gaan. Waarom niet? De dood is inherent aan het leven. Maar we kunnen al dat erfgoed ook bewaren. Dat is nu eenmaal de paradox van het restaureren en van het verzamelen.'

Ex schreef een boek over 'de achterkant van het restaureren': Zo goed als oud, 'een poging tot een filosofie van het behoud'. Het zichtbare verval van schilderijen waarvan we houden, herinnert ons wellicht 'te veel aan onze eigen vergankelijkheid en aan het verglijden van de tijd'. Door restaureren proberen we de tijd terug te draaien. Oude schilderijen zien er soms zo goed als nieuw uit. 'Ik vergelijk het altijd met een facelift, met zo'n gladgetrokken huid van een oudere vrouw. Het is hoe dan ook toch niet meer die onbevangen blik van een jong meisje? Zouden we daarom liever zien dat het reine gelaat van de Venus van Botticelli niet craqueleert, dat de Zonnebloemen van Van Gogh niet verbleken bij het zien van zoveel daglicht, en dat de blauwe lucht boven Monets Papaverveld niet vergeelt door vervuiling?'

Het verval kun je waarderen 'als iets natuurlijks en nuttigs'. Mis schien moeten we de tand des tijds toch zijn gang laten gaan. Niets is eeuwig. 'In de westerse cultuur komt steeds meer verzet tegen de zichtbaarheid van vergankelijkheid. Veroudering van het menselijk lichaam, maar ook van kunstwerken, blijkt moeilijk te aanvaarden.' Maar daarom moet je niet alles willen schoonmaken of herstellen, en het vervolgens in overvolle musea willen opslaan.

Karel Schampers, directeur van het Haarlemse Frans Hals Museum, alarmeerde de gemeentelijke commissie Cultuur 'over de ramp die zich aan het voltrekken is'. De hele depotcollectie, klaagde Schampers, 'is aan het verpieteren'. Door schimmels, rot, vocht, ongedierte, grillige temperatuur, krappe behuizing en brandgevaar 'dreigt het nationale kunstbezit verkwanseld te worden', schreef een inderhaast opgericht comité van aanbeveling. 'Verjaag de rot! Frans Hals gaat kapot!'

Nochtans heeft Nederland de laatste tien jaar, sinds het Deltaplan voor het Cultuur behoud, zich financieel buitengewoon ingespannen om collecties te behouden. Er werden adequate depotruimtes gebouwd, er werden standaarden ontwikkeld voor een goed klimaat in de museumzalen en de verzamelingen werden geïnventariseerd. Soms kwamen de conservatoren en de depothouders tot onthut sende vaststellingen. Niet alleen schrokken ze van de hoeveelheid gecollectioneerde voor werpen, maar ze stelden ook vast dat er heel wat erfgoed in de loop der jaren was zoekgeraakt. Uit de collectie beeldende kunst van het rijk waren kunstwerken 'verdwenen'.

Tien, twintig jaar geleden wist niemand wat het rijk nu precies bezat en waar een kunstwerk uit de verzameling stond of hing. Jarenlang werd de rijkscollectie 'geplun derd'. Func tionarissen dien den verzoeken in voor bruiklenen, 'ten behoeve van representatie of decoratie'. Dat kon een tuinvaas zijn of een oude eikenhouten stoel, een zeventiende-eeuws landschapsschilderij of de lambrizering van een stijlkamer met bijpassende kroonluchter. Het ver huisde allemaal naar ambassades, consulaten of ministeries om er werkvertrekken mee te verfraaien of enigszins te stofferen. De dienst die daarover rapporteerde, heette veelbetekenend de Dienst van 's Rijks Verspreide Kunst voorwerpen.

Tijdens de verbouwing van het Leidse Rijksmuseum voor Volken kunde werd de hele collectie onder het stof vandaan gehaald. Die operatie voor het cultuurbehoud, schreef Ewald Van vugt in Vrij Nederland, 'bracht aan het licht dat 11.500 museumstukken onherroepelijk zijn verdwenen'. Er werd vroeger slordig met het erfgoed omgesprongen. De musea hadden te veel verzameld, de depots puilden uit en de verzamelingen waren onoverzichtelijk.

'Nederland is een trots museumland', schrijft staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Rick van der Ploeg in een nog te verschijnen boek ten behoeve van icom's General Con fe ren ce, de internationale museumvereniging. Het Deltaplan voor het Cul tuur behoud, dat door het ministerie in 1990 werd geïntroduceerd, 'is een reusachtig succes geworden'. Maar nu dringen zich andere vragen op. 'Al deze inspanningen van de museumwereld en de overheden hebben gezorgd voor een infrastructuur die ruimte biedt aan het heroverwegen van het museumbeleid.' Het Nederlandse erfgoed moet uit de kelder, vindt Van der Ploeg. Veel rijkdom leidt een te duister bestaan. 'Deze comateuze toestand', zei de staatssecretaris eind 1998 tijdens een toespraak voor de Nederlandse Museum vereniging in het Enkhui zense Zuider zeemuseum, 'kan worden doorbroken door een al te behoudzuchtige houding in te ruilen voor meer cultureel ondernemerschap: een houding die nooit kan berusten in een overvolle opslagplaats.' De nieuwe toverwoorden luiden: collectiemobiliteit, opschonen, ontzamelen of afstoten.

'Er is sinds het Deltaplan veel gebeurd', zegt Rik Vos, directeur van het In stituut Collectie Nederland. 'Maar nu hebben wij maar één doel: voorkomen dat er in de toekomst opnieuw een Deltaplan nodig is om de achterstand in conservering en restauratie in te halen. De door musea onbe heersbare hoeveelheid verza melde voorwerpen is ons grootste probleem. Dat kun je alleen maar oplossen door een goed doordacht collectiemanagement. Je moet strenger selecteren, nog voor je iets verwerft; je kunt schenkingen en legaten weigeren. Selectie begint bij de museumpoort.'

Sinds 1997 zijn de vroegere Rijksdienst Beeldende Kunst, het Cen traal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap en de Op leiding Restauratoren samengevoegd. Vos bedacht een nieuwe naam, het Instituut Collectie Nederland, 'hét nationale ken nisinstituut op het gebied van beheer en behoud van roerend cultureel erfgoed'. Alle musea, maar ook eigenaren of beheerders van particuliere verzamelingen en monumenten, restauratoren en wetenschappers 'kunnen gebruik maken van de diensten en producten van het icn'. Het instituut beheert ook de rijkscollectie van beeldende kunst, meubels en toegepaste kunst, die meer dan honderdduizend voorwerpen omvat. Die zorg over een eigen verzameling, zegt Vos, 'maakt ons instituut uniek'.

Na de opheffing van de contraprestatie en de Beeldende Kunst Re geling, de bkr, erfde de vroegere rijksdienst - die al duizenden kunst werken beheerde - nog eens duizenden kunstwerken, die in de rijksdepots verkommerden, onderworpen aan een soort permafrost. De rijkscollectie was onbeheersbaar. 's Rijks kunstbezit kwam uiterst willekeurig tot stand, vaak door legaten, maar toch in hoofdzaak door het binnenstromen van niet minder dan 220 duizend bkr-werken. Toen die boedel werd geïnventariseerd, kreeg nauwelijks tien procent de zogenoemde bcw-status, het bijzondere-culturele-waarde-label. Het meeste werd afgestoten, overgedragen of weggeschonken aan lagere overheden, of het werd aan de kunstenaars teruggegeven. De 'kunstboterberg' was te groot.

De overheid wist zich geen raad met bkr-kunst. De collectie moest worden 'opgeschoond'. Maar dat was, enkele jaren geleden, nog een behoorlijk moeilijke en door kunstenaarsvakbonden betwiste operatie. Afstoten was toen nog taboe: wegschenken kon niet, verkopen was onfatsoenlijk 'en zou de markt verpesten' en vernietigen was een woord dat je al helemaal niet in de mond nam.

Echt liefdevol werd er echter niet mee omgesprongen. Een schilderij van bkr-kunstenaar Steven Kwint, dat aan het Amsterdamse politiebureau Warmoestraat was uitgeleend, werd door de agenten gebruikt voor hun schietoefeningen. Kunstwerken werden ook achteloos weggegooid. Van collectiemanagement was nog geen sprake. Je moest alles voor latere generaties bewaren, ook al was dat onbegonnen werk, of je deed het geniepig weg.

Die onoverzichtelijkheid van de bkr-verzameling, zegt Vos, is 'voor ons een metafoor van de vergelijkbare onbeheersbaarheid van de steeds aangroeiende museumcollecties'. Het ministerie pleit in rapporten voor 'het opschonen van de collectie', en sluit ruil, verkoop en afstoting niet langer uit als dit het saneren van de verzamelingen ten goede kan komen. Dat klonk tien jaar geleden nog als heiligschennis in de oren. De door museumdirecteuren aangekondigde verkoop van een Mon driaan, een Picasso of een Roth-ko, werd toen nog door kunst-

minnenden in discussies en krantenartikelen 'aanzet tot roof' genoemd. Pas sinds het icn-congres Grenzen aan de groei, dat op 29 en 30 november 1999 in het Amsterdamse Koninklijk Insti tuut voor de Tropen werd gehouden, wordt in de museumwereld in een open sfeer over afstoting gesproken. 'Wat eens een taboe was, is nu goed bespreekbaar geworden; wat eens een schande was, is nu tenminste onderhandelbaar geworden.' Niet alles moet je willen bewaren. 'Neem nu een museum', preciseert Antoinette Visser, hoofd Cultuurbeheer & Passieve Conservering van het icn, 'dat alle keien verzamelt die de padvinderij heeft bijeengebracht. Dat moet je toch niet allemaal willen behouden?' Het Catharijne convent in Utrecht 'liep vol toen de kerken leegliepen'. Die duizenden heiligenbeelden en kerkelijke gebruiksvoorwerpen 'kun je ook in de kerken herplaatsen', zij het zonder veel museale eisen.

Het congres was een doorbraak. Vos en Visser herinneren zich 'de adrenaline die omhoog spoot' toen op dinsdagmiddag 30 november de vraag op tafel kwam 'wie er principieel tegen afstoten is'. Bijna de hele zaal had geen bezwaar, van de vierhonderd vakgenoten waren er maar twee tegen, 'voor velen toch wel een verrassing, zo bleek naderhand in de wandelgangen'. Over alles werd gesproken, over groei, grenzen, verzamelen, ontzamelen en afstoten.

De congresgangers beseften dat je wel iets moest doen met die 'ongewenste kinderen' in een museumverzameling, die een verborgen leven leiden in het depot. 'De maat van mijn museum', citeert Vos de Haagse museumdirecteur Hans Locher, 'is de maat van mijn collectie.' Je kunt niet alle klokken of porseleinen borden verzamelen, 'je moet keuzes maken, en dan maak je ongetwijfeld ook fouten'. Wie niet selecteert, 'bewaart de problemen voor een volgende generatie. Bewaren om te bewaren, dat kan toch niet de bedoeling zijn? Je moet dingen wegdoen. Misschien moet je niet alleen voorwerpen afstoten, je kunt ze ook verkopen of ter veiling aanbieden. Daarvoor hebben we een "leidraad voor het afstoten van museale objecten' opgesteld", want je kunt geen kunst werken verkopen om bijvoor-

beeld je verbouwingen te bekostigen. Na tuur lijk willen de musea de opbrengst houden, 'maar de comp t abiliteitswet verbiedt dat nog'. Daarover worden gesprekken gevoerd. Met dat geld kunnen musea hun collecties, waarin alleen nog wordt bewaard wat de moeite van het behouden waard is, aanvullen met nog ontbrekende museumstukken.

In de toekomst zullen nog altijd schilderijen en tekeningen, oude boeken, globes, zelfs opgezette olifanten of gedemonteerde vliegtuigen gerepareerd moeten worden. Maar musea zullen strenger moeten kiezen wat ze wel of niet willen behouden, en wat ze voor onze nakomelingen als getuigenis of herinnering willen conserveren. Na het Deltaplan voor het Cultuurbehoud en het congres Grenzen aan de groei, zegt Vos, 'werkt het Instituut Collectie Nederland nu aan de voorbereiding van een mobiliteitscongres in 2003'. Alles wat Nederland verzamelt, mag niet langer in depots verborgen blijven. Uiteindelijk bewaar je toch al die miljoenen voorwerpen om ze in de musea of op exposities aan een steeds groter publiek te kunnen tonen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden