Laat de proefmuis los

De proefmuis, al decennia 'diermodel' nummer één, ligt weer eens onder vuur. Niet van dierenbeschermers dit keer, maar van wetenschappers.

Niet vaak gebeurt het dat je bij een eerste ontmoeting in ondergoed tegenover elkaar staat. Maar wie het proefdiercentrum van het AMC binnen wil, moet de kleren inruilen voor mintgroene laboratoriumpakken. Inclusief haarnetjes en mondkapjes. Zo worden invloeden van buiten zo veel mogelijk geweerd uit het muizenhuis.

Binnen wonen zo'n 12 duizend witte, grijze en zwarte muizen in doorzichtige kleine bakken, opgesteld in stellingkasten. Er klinkt rustige muziek uit de radio. 'Zo wennen de muizen aan omgevingsgeluid', zegt een medewerkster. Een ietwat vreemde combinatie, deze klinische omgeving met de inhoud van een dierenwinkel. In de kleine kamers ruikt het naar zaagsel en knaagdier. De proefmuizen rennen en rollen over elkaar heen. Maar voor hoe lang nog?

Afgelopen maanden laaide de vraag weer op hoe dienstbaar het muismodel eigenlijk is voor de wetenschap. Opvallend genoeg komt de kritiek dit keer niet vanuit de dierenbeweging, maar van artsen zelf. Muizen blijken in veel gevallen geen goed model te zijn voor de mens, proeven worden niet nauwkeurig genoeg uitgevoerd en onderzoekers publiceren alleen gewenste resultaten, luidt de kritiek.

Zo bleek in januari uit een studie in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS dat muizen geen goed model zijn voor ontstekingsreacties bij mensen. De genen in de muis die reageren op een ontsteking verschillen sterk van die van de mens, noteerde het onderzoekssamenwerkingsverband 'Inflammation and the Host Response to Injury'. Ook muisonderzoek naar beroertes, obesitas, diabetes, de ziekte van Parkinson en MS levert problemen op.

Muizen zijn geliefde proefdieren. Ze zijn tam, goedkoop en makkelijk te verzorgen. Daarnaast beschikken onderzoekers inmiddels over veel kennis van muizen. En, ook niet geheel onbelangrijk, het afweersysteem van een muis lijkt erg op dat van een mens. 90 procent van de genen van de muis ligt in vrijwel dezelfde volgorde als de overeenkomende mensengenen.

Dat zou je niet zeggen als je de viervoetertjes in het proefdiercentrum van het AMC al piepend aan een dubbel geklapt stuk karton ziet knabbelen. 'Alle kooien hebben zo'n huisje, zodat de muizen zich niet vervelen. Ze vinden het prettig om gaten te knagen, dat zit in hun natuur', verklaart de tevens in laboratoriumpak gehulde rondleidster.

Ondanks kennis over muizen en de gelijkenissen met de mens slaan muisproeven geregeld de plank mis. Als nieuwe medicijnen slagen voor muizenonderzoek, testen onderzoekers ze vervolgens op mensen in het zogeheten klinisch onderzoek. Onderzoekers vertalen de resultaten van de muisproeven naar het menselijk lichaam. Slechts 10 procent van de medicijnen die slagen voor de dierproef, lukt het ook de klinische proef te doorstaan, blijkt uit Canadees onderzoek uit 2006.

Recenter toonde Brits onderzoek aan dat de voorspellende kracht van dierstudies nog geen 50 procent is. En dan is er nog de studie van Utrechtse wetenschappers van vorig jaar december. Zij testten 43 medicijnen, maar uit de dierproeven kwam 80 procent van de ernstige bijwerkingen bij mensen niet naar voren.

Hoe komt het dat dierproeven zo weinig resultaten opleveren als artsen ze vertalen in klinisch onderzoek? Ten eerste zijn de meeste proefmuizen inteelt, zegt immunoloog Alex de Vos, die onderzoek doet naar infectieziekten aan het AMC. 'Dat wil zeggen dat een groep proefmuizen nauwelijks genetische variatie heeft.' Alle muizen binnen een proefgroep lijken op elkaar, omdat hun reactie op ziekteprocessen dan beter te zien is. Bij menselijke patiënten ligt dat natuurlijk anders, die zijn allemaal erg verschillend. 'Proefmuizen geven dus een beperkte weergave van mensen', zegt De Vos.

Dat is niet het enige probleem. Neuroloog Bart van der Worp van de Universiteit Utrecht onderzocht vanaf 2004 samen met Schotse en Australische collega's waar de vertaalfouten vandaan kwamen en ontdekte dat de muisproeven vaak niet 'blind' worden beoordeeld: de onderzoekers weten welke behandeling de muis heeft gehad. Gevolg hiervan is dat ze de effecten van een behandeling, bewust of onbewust, door een roze bril beoordelen, en soms te gunstig inschatten. Dit kan tot onjuiste resultaten leiden.

Ook blijkt uit hetzelfde onderzoek opnieuw dat diermodellen niet altijd even goede voorspellers zijn van de processen in mensenlichamen. Moleculair bioloog Guillaume van Eys van de Universiteit van Maastricht noemt dit logisch. 'Natuurlijk weet je als je met een muis gaat sleutelen; dit is geen mens', zegt hij. 'Ieder onderzoek met proefdieren geeft daarom op z'n best een indicatie van wat er gebeurt bij mensen.'

Een ander groot probleem is dat positieve proefdieronderzoeken vaker worden gepubliceerd dan onderzoeken die geen of een negatief resultaat hebben, aldus Van der Worp. Oorzaak hiervan ligt deels bij wetenschappelijke tijdschriften, die vooral geïnteresseerd zouden zijn in positieve bevindingen. Zo ontstaat er een vertekend beeld en beoordelen wetenschappers bepaalde behandelmethoden positiever dan eigenlijk het geval is. Maar het is ook verspilling van proefmuizen: omdat de resultaten die de muizen opleveren niet worden gepubliceerd, zijn ze voor de wetenschap niets waard. Daarbij komt dat ongepubliceerde onderzoeken met negatieve uitkomsten op een andere plaats herhaald kunnen worden. Onderzoekers weten immers niet dat eerdere studies geen goed resultaat opleverden.

Merel Ritskes-Hoitinga, hoogleraar proefdierkunde en afdelingshoofd van het Centraal Dierenlaboratorium van de Radboud Universiteit, wil daar verandering in brengen. Met collega's werkt zij aan een nieuw systeem om dierproeven beter in kaart te brengen: Systematic Review. 'Het rare is dat er voor dierproeven hele andere kwaliteitseisen gelden dan voor klinische proeven', zegt ze. 'Met deze nieuwe methode willen we ervoor zorgen dat er een overzicht komt van bestaande proeven en hun effecten. Zo registreren we welke modellen een voorspellende waarde hebben'.

Ook de opkomst van 'open access' tijdschriften zoals Plos ONE dragen hieraan bij. Veel onderzoekers zijn blij met deze ontwikkeling en pleiten voor meer gelijkenis tussen dierproef en klinische proef. Onderzoeksfinancier ZonMw stelde 160 duizend euro beschikbaar voor het publiceren van oude onderzoeken, met negatieve of neutrale uitkomst. Onderzoekers kunnen hun studies vanaf 2003 zo alsnog openbaar maken. Uiteindelijk moet dat leiden tot minder muisproeven. 'Maar daar zijn we nog lang niet', aldus Ritskes-Hoitinga.

Proefmuizen zijn met zo'n 300 duizend stuks per jaar - de helft van het totaal aan proefdieren - nog steeds het meest populaire proefdier van Nederland. Maar volgens Coenraad Hendriksen, hoogleraar Alternatieven voor Dierproeven aan de Universiteit Utrecht, kunnen we met alternatieven ook heel ver komen.

Bijvoorbeeld door de werking van stoffen te onderzoeken in weefselkweken (ook wel in-vitro systemen genoemd): geïsoleerde cellen van mens of dier die menselijke ziektemodellen nabootsen. In-vitro systemen kunnen aantonen wat bepaalde stoffen teweegbrengen in een cel. Steeds meer gebruiken onderzoekers hier stamcellen voor, een soort basiscellen die uit kunnen groeien tot verschillende typen lichaamscellen. Onderzoeksresultaten vertalen naar de levende mens gaat vooral met geïsoleerde menselijke cellen beter.

Computermodellen spelen eveneens een belangrijke rol. Die kunnen de transport en opname van stoffen in het lichaam nabootsen. 'Ook kunnen beginnende chirurgen oefenen op computergestuurde dummy's in plaats van op dieren', legt Hendriksen uit.

Een ander verrassend alternatief dat steeds meer wordt toegepast is de mens zelf. Onderzoekers kunnen mensen een minieme hoeveelheid stof toedienen die niet giftig is. Vervolgens kijken ze met behulp van scans naar wat de stof in het lichaam doet.

Hendriksen vindt dat alternatief onderzoek al veel heeft gebracht. 'Waar we vroeger direct op een proefdier testten, verzamelen we nu al zo veel mogelijk informatie in het vooronderzoek met behulp van proefdiervrije methoden.' Zo zijn minder proefdieren nodig. 'Als er niet zoveel alternatieven zouden zijn, werden er nu vier tot vijf keer zoveel proefdieren gebruikt', aldus de hoogleraar.

Tijd om afscheid te nemen van de proefmuis? Van Eys denkt dat we op het moment nog niet zonder kunnen. 'Er is nog te weinig inzicht en er zijn geen goede alternatieven. We hebben gewoonweg geen beter systeem, of andere opties kosten te veel.' Ook Hendriksen meent dat totale vervanging van het proefdieronderzoek nog niet aan de orde is. 'Alternatieve methoden leveren op dit moment nog niet voldoende informatie op.'

Daarnaast zijn regelgevende instanties er niet altijd van overtuigd dat nieuwe methoden net zo goed of beter zijn dan proefdieronderzoek. Iedereen is gewend aan het gebruik van proefmuizen. 'Mensen houden graag vast aan vertrouwde testmethoden', zegt Ritskes-Hoitinga. Het gebruik van proefmuizen zit in onze onderzoekstraditie en dus ook in protocollen en beleid.

De muizen in het muizenhuis weten van niets. Ze slapen overdag, net als in de natuur. Een witte proefmuis draait zich nog even om in zijn kartonnen huisje. Al zou dit zomaar zijn laatste nacht kunnen zijn.

MUZIEK EN SPEELTJES VERPLICHT

In Nederland is sinds 2001 de Wet op de dierproeven van kracht. Daarin is bepaald dat proefdierverblijven voorzien moeten zijn van:

- Airco

- Luchtbevochtigingsinstallaties

- Verwarming

- Lichtdimmers

- Speeltjes

- Muziek

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden