'Laat bruin maar trekken'

In toenemende mate was geld nodig ten behoeve van de velen die te lijden hadden onder de Duitse bezetting. Eerst de gezinnen van zeelieden, later de onderduikers, de verzetsgroepen en de stakende spoorwegen....

IN APRIL 1945 werd De Nederlandsche Bank beroofd door zijn kassier-generaal, mr C. W. Ritter. Vijftien keer wist hij de kluismeesters om de tuin te leiden en schatkistpapier om te wisselen voor vervalste exemplaren. De echte werden verkocht voor 50 miljoen gulden.

Daarmee haalde de 'Bankier van het verzet' het leeuwedeel binnen van het geld dat nodig was voor onderduikers, gezinnen van zeelieden, illegale groepen en de spoorwegstakers.

Het begon vier jaar eerder. Toen in mei 1940 de Duitsers binnen vielen, was ruim 90 procent van de koopvaardijvloot met meer dan achttienduizend opvarenden buitengaats.

Gebruik was dat de reders tweederde van de gage rechtstreeks aan de gezinnen uitbetaalden als de mannen op zee waren, de zogenaamde week- of maandbrieven.

Aanvankelijk gingen de reders hiermee door. Maar op 11 april 1941 dreigde de Duitse bezetter deze maandbrieven te verbieden als Nederlandse zeelieden bleven doorvaren voor de geallieerden.

Op 15 september van dat jaar maakten de Duitsers hun dreigement waar. De reders mochten niet méér betalen dan wat gebruikelijk was bij de gemeentelijke diensten van maatschappelijk hulpbetoon, de voorloper van de bijstand. Dat betekende maximaal 90 gulden per maand voor de zeemansvrouw, 40 gulden voor het eerste kind, 25 gulden voor het tweede en 15 gulden voor elk volgend kind.

In 1939 verdiende een tweede machinist per maand 240 gulden, een olieman 100 gulden, een matroos 89 gulden en de keteljongen 22 gulden. De maatregel trof dus de gezinnen van koopvaardij-officieren. Daarom verlaagde de bezetter de normen: 70 gulden voor de zeemansvrouw en voor de kinderen respectievelijk 30, 20 en 15 gulden.

Aanvullende hulp was onontbeerlijk. Cees Trapman, een medewerker van de afdeling personeelszaken van de Holland Amerika Lijn (HAL), nam het initiatief. Het was een omvangrijke klus, vooral omdat hij ook al geld inzamelde voor politieke gevangenen. Daarom nam gezagvoerder Abraham Filippo van de HAL zijn taak over.

Filippo nam contact op met andere rederijen en in korte tijd kreeg de hulpverlening een landelijk karakter, weldra bekend onder de naam De Zeemanspot. In februari 1942 kwamen hierbij de gezinnen van de Marine-mensen die overzee dienden. Vanaf eind 1943 ook de gezinnen van in Engeland terechtgekomen officieren en manschappen van de landmacht en de marechaussee.

De Zeemanspot keerde tijdens de oorlog 5,2 miljoen gulden uit aan 4700 koopvaardijgezinnen, 1400 gezinnen van de marine en 300 gezinnen van de landmacht. In 1944 bedroeg de maandelijkse uitkering naar schatting 40 gulden per maand.

In Amsterdam kwam Filippo in aanraking met Walraven van Hall, een voormalige koopvaardij-officier van de Koninklijke Hollandse Lloyd. 'Wally' van Hall was wegens een oogafwijking afgekeurd voor zeedienst en belandde als compagnon bij het bankiers- en effectenkantoor van de Wed. te Veltrup in Zaandam.

Er waren steeds grotere sommen geld nodig. Walraven van Hall kwam op het idee uitsluitend op zoek te gaan naar grote bedragen. Dan zouden er minder mensen bij betrokken zijn die niet zo vaak hoefden te worden benaderd. Dat zou de risico's verminderen. Het ging om geleend geld, dat na de oorlog zou worden terugbetaald. Er moest dus worden gewerkt met kwitanties als bewijsstuk voor de geldlening.

Hiervoor gebruikte Walraven van Hall waardeloze effecten, bijvoorbeeld van een failliete onderneming, en tekende daarop aan welk bedrag hij had geleend. Elk effect heeft een eigen nummer. Van Hall hield een lijst bij van de genummerde effecten en de daarbij behorende bedragen. Deze lijst was voor een buitenstaander onbegrijpelijk, en wie een afgetekend effect vond, kon er evenmin vanaf lezen aan wie geld was geleend.

Gijs van Hall, Walravens oudere broer en de latere burgemeester van Amsterdam, werd de kassier van de Zeemanspot. Kort na de Februaristaking van 1941 sprak hij 'een zeer belangrijk heer aan op de beurs en vroeg hem of hij ook tien gulden voor dit doel wilde geven. Hij keek vreselijk verschrikt en zei dat hij dat niet doen kon.

Toen ik hem vroeg: waarom niet?, zei hij dat hij, als ik de Beurs uit zou gaan en zou worden gearresteerd, ''er bij'' zou zijn omdat men bij mij dat tientje zou vinden. Ik zei toen dat ik toch wel iemand was die met tien gulden in zijn zak kon lopen.' (Parlementaire Enquêtecommissie).

Vele anderen staken beter in hun vel. Zaterdag 13 maart 1943 werden onverhoeds alle biljetten van duizend gulden per 31 maart ongeldig verklaard. Gijs van Hall had 200 biljetten in kas. De maandag daarop gingen de broers Van Hall op stap om de biljetten om te wisselen in kleine coupures.

Dat lukte diezelfde dag nog en bovendien kregen zij van verschillende financiële instellingen te horen dat zij bereid waren meer biljetten van duizend gulden om te ruilen. Eind maart was de Zeemanspot gegroeid van 212 duizend tot 785 duizend gulden.

In 1942 betaalde de Zeemanspot een half miljoen gulden uit. In 1943 zou een veelvoud van dat bedrag binnen komen. Aanvankelijk uit giften van particulieren, later ook van grote bedrijven.

De broers Van Hall hadden geen moeite daarvoor een bestemming te vinden: de steun aan onderduikers en zo mogelijk de illegale organisaties. De Duitsers oefenden geleidelijk zwaardere druk uit om mannen te werven voor werk in Duitsland. Velen doken onder. Zij hadden geld nodig voor zichzelf, en voor hun gezinnen.

Deze nieuwe activiteit van de broers Van Hall heette aanvankelijk het Landrottenfonds, later aangeduid als het Nationaal Steunfonds (NSF). Bij deze steun stond voorop dat het ging om geld dat was geleend en na de oorlog door de regering zou worden terugbetaald. De basis hiervoor was een toespraak van minister Steenberghe van Handel, Nijverheid en Scheepvaart via Radio Oranje, op 17 april 1941.

Daarin zei hij dat de regering 'garant was voor alle betalingen welke zijn of nog zullen worden gedaan aan de naaste familieleden van Nederlandse zeelieden' tot de hoogte van 'het volle bedrag van de voor hen vastgestelde week- en maandbrieven'.

Van Hall ging er vanuit dat deze garantie zich ook zou uitstrekken tot de andere activiteiten van het NSF, maar hij had een ondubbelzinnige bevestiging hiervan nodig. Dat was echter niet eenvoudig. Een belangrijke handicap waren de gebrekkige verbindingen met Londen.

Najaar 1943 ontving de regering een radiobericht van de geheim agent Van Borssum Buisman, met de vraag of de regering garant stond voor terugbetaling van hulp aan onderduikers. Zo ja, meldt dit dan via Radio Oranje met de code 'Wij garanderen het voer dat de kippen moet worden verstrekt'.

LONDEN meldde akkoord te gaan, maar het totaal aan uitkeringen was beperkt tot 200 duizend gulden. Daarmee kon je toen duizend gezinnen misschien twee maanden steunen. De regering in Londen, zo bleek, had geen flauw benul van de omvang van het probleem.

Informatie van Engelandvaarders, Nederlanders die vanuit Nederland naar Engeland wisten te ontkomen, en krachtige tussenkomst van koningin Wilhelmina brachten de regering tot het besef dat er meer aan de hand was.

In de nacht van 10 op 11 januari 1944 werd de geheim agent H. Steen boven Nederland gedropt. Verborgen in een manchetknoop bracht hij mee een microfoto van een brief van premier Gerbrandy aan het verzet.

De regering, zo zei de brief, stelt zich garant voor het terugbetalen van 'ten hoogste 30 miljoen gulden', waarvan voorlopig 10 miljoen mag worden gebruikt. Voor de resterende 20 miljoen was een nieuwe machtiging nodig. De regering was niet bijster scheutig.

In de nacht van 7 op 8 augustus 1944 arriveerde geheim agent jhr mr R. de Brauw in bezet gebied. Hij had bij zich, eveneens tot microfoto verkleind, een tweede machtiging van Gerbrandy die de resterende 20 miljoen krediet vrijmaakte.

Walraven van Hall hield de inkomstenkant van het NSF strikt gescheiden van de uitgaven, die vooral door de hulp aan onderduikers een grote omvang had gekregen. Omdat het ging om geleend geld (de regering zou terugbetalen) stond Van Hall op een gedegen financiële verantwoording, welke echter gepaard moest gaan met maximale veiligheid.

Er kwamen 'onderzoekers' die per geval nagingen of en hoeveel steun nodig was. De gegevens noteerden zij op een papier dat was gecamoufleerd als 'Schadeformulier ongevallenverzekering'. Hierop was ook het adres vermeld waar maandelijks het geld moest worden bezorgd. Het formulier kreeg vervolgens een nummer waarmee de 'uitbetalers' aan de slag konden. Voor iedere betaling kregen zij een kwitantie, met het nummer, maar zonder naam.

Het NSF stelde normen. Het fonds gaf alleen steun als naaste familieleden of andere instanties (gemeenten, kerken) daartoe niet in staat waren. Stelregel was 80 procent van het salaris met een maximum van 500 gulden per maand. Illegalen, die hun hele inkomen moesten missen, kregen het volle bedrag voor hun gezinnen en eventuele nabestaanden.

Uiteindelijk telde de organisatie bijna negentienhonderd vaste illegale medewerkers en medewerksters, 23 districtshoofden, daaronder plaatselijke hoofden, onderzoekers, uitbetalers, koeriers. Ieder had een schuilnaam en men kende zo weinig mogelijk medewerkers. De man aan de top kende al helemaal niemand. Misschien had deze of gene gehoord van een zekere Van Tuyl (Walravens schuilnaam), maar wie dat was, daarvan had men geen flauw benul.

Het spoor naar boven was zo goed mogelijk afgegrendeld om te verhinderen dat de Duitsers de organisatie zouden oprollen. Zo kreeg bijvoorbeeld iemand in Dordrecht iedere maand bezoek 'van een juffrouw uit Amsterdam die hij niet kende, met een pak bankbiljetten. Als de man in Dordrecht werd gearresteerd (en dat is ook gebeurd) had hij, wanneer hij iets had willen zeggen, niets kunnen zeggen. Hoogstens dat een juffrouw die hij Miep noemde, hem geld kwam brengen.' (Verklaring van Gijs van Hall voor de Enquêtecommissie). Van de negentienhonderd medewerkers hebben er 80 het leven verloren. Het NSF was als zodanig uniek in de bezette landen van Europa.

Op zondag 17 september 1944 landden Amerikaanse en Britse paratroopers bij Eindhoven, bij Nijmegen en bij Arnhem. Vanaf het Albert-kanaal vertrok het 30ste Britse legerkorps voor wat een snelle doorstoot over de rivierbruggen naar Arnhem had moeten worden, waardoor het Ruhr-gebied opengelegd en de Duitse eenheden in west-Nederland afgesneden zouden worden, en de oorlog nog in 1944 beëindigd kon worden. Dezelfde dag gelastte de regering in Londen een algemene spoorwegstaking in Nederland.

Een groot deel van de 30 duizend man personeel dook onder, met vrouw en kinderen. Voor het verzet kwam dit geheel onverwacht. De Nederlandse Spoorwegen hadden geen landelijke organisatie opgezet om te zorgen voor deze onderduikers. In maart van dat jaar had de directie iedereen een maand extra salaris gegeven, het zogenoemde invasiegeld.

De idee was dat de komende invasie het spoorwegbedrijf tijdelijk zou verlammen, maar met die ene maand invasiegeld zou het personeel die periode kunnen overbruggen tot de 'normale situatie' zou zijn hersteld. De directie van NS dacht aan 'enkele weken'. Dat de regering een algemene staking zou kunnen uitroepen, had niemand bedacht.

NS stonden bij de illegale groepen in een kwade reuk. In de illegale pers was er vaak schande van gesproken dat het bedrijf met stipte regelmaat Duitse orders uitvoerde en de tienduizenden slachtoffers van het regime vervoerde. In zijn studie over Goudriaan velt Arie van der Zwan een hard oordeel. 'NS is te laken voor zijn medewerking met de Duitsers waarin aan de belangen van onschuldige slachtoffers geen enkel gewicht is toegekend. Geen poging van de leiding is bekend om het gevaar voor deze slachtoffers af te wenden of het af te zwakken, de onberispelijke uitvoering van de dienstregeling moest troefkaart voor de handhaving van de eigen positie en die van het personeel blijven.'

DE Duitsers hadden de uitkering van het invasiegeld verboden, maar het geld was blijven liggen op de stations. Veel hiervan konden de stakers in september meenemen. Maar er moest veel meer komen. Aanvankelijk wilde Walraven de spoorwegstakers de gebruikelijke, nogal lage NSF-uitkeringen verstrekken. Maar de directie van de NS stond erop dat de stakers hun normale loon (en pensioen) zouden ontvangen. Dat vergde maandelijks een bedrag van 8 miljoen gulden.

Met deze uitkeringen is gedurende de rest van de oorlog een bedrag van 63 miljoen gulden gemoeid geweest. NS namen hiervan 28 miljoen voor hun rekening, het NSF betaalde het leeuwedeel: ruim 34 miljoen, de zwaarste last van de bankier van het verzet uit de hele oorlog.

Er was dus ineens erg veel extra geld nodig. De broers Van Hall vroegen de directies van acht Amsterdamse bankinstellingen om grote bankbiljettenreserves aan te leggen. Zij deden dit prompt en voorzagen het NSF daardoor van ruim 8 miljoen gulden per maand. Voor de rest van 1944 was dit voldoende. Maar de Duitsers kregen in de gaten dat de banken bankbiljetten oppotten en dwongen ze deze over te dragen aan De Nederlandsche Bank.

Gijs van Hall kwam toen op een vernuftige gedachte. In de jaren dertig werkte hij in de VS in het bankwezen en was toen getuige geweest van een reusachtig schandaal, veroorzaakt door de Zweedse maatschappij Kreuger en Toll. Ivar Kreuger had banken opgelicht door valse schatkistpromessen in onderpand te geven. Van Hall had toen alle finesses van de zaak gehoord. 'Ik dacht: dat wat de heer Kreuger kon, zouden wij ook wel kunnen, laten wij het dus eens met vals schatkistpapier proberen.'

Schatkistpromessen zijn door de staat uitgegeven, genummerde, gedateerde en door de Algemene Rekenkamer afgestempelde schuldbewijzen. Van Hall wilde nagemaakte promessen niet in de handel brengen, omdat daarvan na de oorlog een hoop ellende zou komen. De nagemaakte promessen zouden moeten worden geruild tegen echte, die vervolgens verkocht zouden worden. De valse zou men na de oorlog vernietigen.

Wie had veel promessen? De Rijkspostspaarbank had er stapels van, in de kluis van De Nederlandsche Bank. Mr L.J.A. Trip - in 1941 afgetreden als President van De Nederlandsche Bank uit protest tegen het leegroven van Nederland - ging naar de directie van de Rijkspostspaarbank.

Die was bereid, maar de bank verkocht nooit promessen. Toen kwam Kasvereniging te hulp. Die had voor 180 miljoen verhandelbare promessen in huis, welke eigendom waren van de Centrale Coöperatieve Boerenleenbank in Eindhoven. De Kasvereniging zou deze promessen leveren in ruil voor die van de Rijkspostspaarbank.

Het plan was rond. Alleen, mr A.J. d'Ailly, directeur van de Kasvereniging, wilde wel de goedkeuring van de regering. Die kwam op 12 april 1945 met de codeboodschap 'Laat bruin maar trekken'. De vervalsing was een hels karwei. De echte promessen waren gedrukt op papier dat bezet was met haartjes in blauwe, paarse, groene en rode kleur.

Met tal van grafische hoogstandjes lukte het de illegale drukkers acceptabele vervalsingen te maken. Gelukkig kon de kluis van De Nederlandsche Bank alleen met kaarsen worden verlicht, zodat de verschillen niet werden ontdekt als Ritter met de stukken kwam.

In totaal heeft het NSF in de oorlog 84 miljoen gulden doorgesluisd. Walraven van Hall heeft de bevrijding niet meegemaakt. Datum en plaats van een vergadering waren verraden door ene Van Arkel (schuilnaam). Deze had buiten medeweten van zijn vrouw een minnares, welke was opgepakt. Om haar vrij te krijgen, sloeg hij door. Op 26 januari 1945 werd Walraven van Hall gearresteerd en op 12 februari is hij in Haarlem-Noord gefusilleerd. Hij heeft geen woord losgelaten. Van Arkel werd door het verzet geliquideerd.

Bronnen:

Dr L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede

Wereldoorlog.

A.D. Wentholt: Brug over den oceaan - Een eeuw geschiedenis van de Holland Amerika Lijn.

Arie van der Zwan: Goudriaan in botsing met NS.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden