Laag op de schaal van Richter

HOE BELANGRIJK is het eigenlijk dat Nederlanders soms (of vaak, of altijd, of vooral gedurende hun vlegeljaren, of allemaal tegelijk en zeer hardnekkig) een hekel hebben aan Duitsers, althans zeggen een hekel te hebben aan Duitsers?...

Twee jaar geleden was die vraag een poosje hoogst actueel als gevolg van twee voorvallen, die overigens geheel los van elkaar stonden. In maart (1993) publiceerde het Haagse instituut Clingendael de resultaten van een onder jonge Nederlanders - tussen vijftien en negentien - gehouden enquête naar hun mening over Duitsland en de Duitsers, en de uitkomsten van het onderzoek leverden een buitengewoon negatief beeld op. Toen een paar maanden later vijf Turkse vrouwen omkwamen bij een vermoedelijk door neo-nazi's aangestoken brand in Solingen, stuurden 1,2 miljoen Nederlanders een (voorgedrukte en voor tachtig cent bij Albert Heijn en de sigarenwinkel verkrijgbare) briefkaart aan Helmut Kohl, waarop in kapitale letters vermeld stond dat de afzender woedend was.

Over de methodiek en de betrouwbaarheid van het Clingendael-rapport is naderhand nog het nodige te doen geweest en de briefkaartenactie bleek achteraf, geloof ik, in gang gezet door twee disc-jockey's van Veronica, die hun schreeuwlelijken-imago een beetje wilden bijstellen - maar met dat soort opmerkingen in de kantlijn kon het effect van de twee signalen nauwelijks gerelativeerd worden. Er was nu toch in één klap bewezen dat de Nederlandse jeugd de Duitsers nog altijd overwegend associeerde met begrippen als krijgszuchtig, arrogant, gezagsgetrouw, eerzuchtig en nationalistisch, en dat we bijna collectief, en in ieder geval meer dan miljoenvoudig, het vreemdelingenbeleid in de Bondsrepubliek krachtig van de hand wezen. En eigenlijk was opnieuw aangetoond wat K.L. Poll in 1978 al eens had opgeschreven: dat Nederlanders zich nog liever Sinterklaas laten afpakken dan het idee dat het met de democratie in Duitsland nooit wat zal worden.

Maar hoe belangrijk was de bevestiging van iets dat we dus al een poosje wisten?

Als we de samenstellers van een zojuist verschenen bundel over Deutschlandbilder aus den Niederlanden moeten geloven, was het heel belangrijk. 'Kein Zweifel', schrijven ze in hun inleiding. 'Das psychologische Verhältnis ist nach dem Schock von 1993 ein Sorgenkind auf höchster politischer Ebene geworden.'

Een schok? En sindsdien psychologische verhoudingen die een zorgenkind betekenen op nota bene het hoogste politieke niveau?

Ik kan niet precies uitleggen waarom (zomin als de redacteuren van Kannitverstan? het omgekeerde kunnen uitleggen; dat is nog een troost), maar volgens mij is het onzin. Volgens mij is er, zeker als we het hebben over 'het hoogst politieke niveau', sprake geweest van een opwinding van nogal ondergeschikt belang.

Natuurlijk hebben we er in Nederland veel ernstige bespiegelingen aan overgehouden, met een hoog gemiddeld kletsmajoren- of theetantegehalte. Natuurlijk heeft de Nederlandse ambassade meteen geprobeerd van de Clingendaelnood een diplomatieke deugd te maken (uitwisselingsprogramma's, informatiefolders!), natuurlijk hebben ze bij het Bundespostamt even opgekeken van al die briefkaarten (zoals het me menselijk lijkt dat Kohl, toen hij ervan hoorde, geërgerd iets gemompeld heeft over die blöden Holländer), en natuurlijk heeft Der Spiegel een jaartje later - 28 februari 1994 - nog grimmig wraak genomen met een groot artikel onder de titel Frau Antje in den Wechseljahren.

Maar niemand zal toch in gemoede volhouden dat Kohl dáárom de internationale carrière van Ruud Lubbers heeft getorpedeerd, of dat hij vervolgens, om die wonde weer te helen, voor Zadkine in Rotterdam bijna net zo diep heeft gebogen als Willy Brandt destijds voor het monument in Warschau, of dat de psychologische verhoudingen tussen Nederland en Duitsland het op enig politiek niveau ooit verder zullen schoppen dan een cocktail-terzijde tussen het ene hapje bitterbal en het volgende slokje witte wijn?

Kannitverstan? is uitgegeven vanwege de Landeszentrale für politische Bildung Nordrhein-Westfalen, waar ze (met name vanuit de universiteit van Münster) talloze initiatieven ontplooien om de nabuurbetrekkingen in de Duits-Nederlandse 'Euregio' steeds mooier en beter en hartelijker te maken - dus begrijpelijk dat zo'n instelling het boekje graag op de markt zag komen: op 'regioniveau' ziet een wolkje voor de zon er gauw zwarter en dreigender uit dan van enige afstand.

Hetzelfde geldt in zekere zin voor de samenstellers. De publicisten Wielenga en Müller (de een van Nederlandse, de ander van Duitse origine) zijn zo langzamerhand de wetenschappelijke fulltime bewakers van de Nederlands-Duitse relaties geworden - die rukken uit bij de geringste oneffenheid die ze op hun monitor menen waar te nemen: ze leven er als het ware van en dan ben je vanzelf sneller geneigd naar de pen te grijpen, of een huivering eerder aan te zien voor een aardschok.

Als je naar de relevantie van hun bundel vraagt, ligt het antwoord misschien voor een deel in de vaststelling dat vijf van de acht bijdragen al eerder gepubliceerd werden, en vier daarvan zelfs vóór het 'schok'jaar 1993. Wielenga's eigen inbreng - onder de titel Die hässlichen Deutschen - is kennelijk speciaal voor de bundel geschreven, maar voor het grootste deel gevuld met feiten, cijfers en gegevens (over in vroege jaren gehouden opinie-onderzoeken) die in eerdere artikelen van zijn hand al waren verwerkt.

Kortom: van 'nieuw' is eigenlijk in het geheel geen sprake, tenzij wellicht voor de lezer in Nordrhein-Westfalen, die in ieder geval de integrale vertaling van het Clingendael-rapport in de bundel vindt. Robert Aspeslagh, die indertijd medeverantwoordelijk was voor de zo veelbesproken enquête, komt er in een kort artikeltje, genaamd Nachdenken über Deutschland, nog even op terug. 'Het beeld van Duitsland en de Duitsers', begint hij zijn conclusie, 'is anno 1995 enigszins veranderd in vergelijking met het beeld uit het Clingendael-onderzoek uit 1993, en wel in positieve zin.'

Hoe zou dat zo snel gekomen zijn, wil de nieuwsgierige lezer natuurlijk meteen weten, en Aspeslagh vervolgt (alvorens te vervallen in vrome wenken hoe we het nog positiever kunnen krijgen): 'Beelden veranderen. Hoe en waardoor ze veranderden, laat zich niet eenduidig vaststellen. De Clingendael-peiling over het beeld van Duitsland en de Duitsers heeft de gemoederen in beweging gebracht. Je zou kunnen zeggen dat de Nederlanders zich met dat onderzoek tegen hun eigen 'tolerantie-schenen' hebben geschopt. De daardoor veroorzaakte schok was heftig, maar zegenrijk. Sinds maart 1993 zijn veel initiatieven ontwikkeld. Ook aan Duitse kant wordt erkend dat men in de Duits-Nederlandse betrekkingen moet investeren. Veel is veranderd en daarmee verandert ook het beeld van Duitsland en de Duitsers.'

Ik zou jokken als ik zei dat ik me met het hier geciteerde tot mijn intellectuele gerief gekomen voel. En jammer dat ik dat eigenlijk van het meeste in de bundel moet zeggen.

Bernd Müller & Friso Wielenga (Herausgeber): Kannitverstan? - Deutschlandbilder aus den Niederlanden.

Agenda Verlag, Münster; ¿ 25,05.

ISBN 3 929440 63 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden