La poste, de laatste strohalm van de beschaving

Er zijn Françaises die zich speciaal opmaken voor de postbode. Die kan, als hij dat wil, makkelijk drie keer per week bij zijn klanten eten....

Guy Journault staat in hemdsmouwen te wachten voor de deur van het stadhuis van Vijon. Nou ja, stadhuis is een groot woord voor het kantoortje plus raadszaal ter grootte van een flinke woonkamer. Journault is de postbode van dit dorp van 331 inwoners, of 161 haarden zoals ze bij La Poste zeggen. Vijon ligt in het departement Indre, dat wil zeggen in het hart van la profonde, profonde France.

Naast Guy Journault staat burgemeester Martin Thierry. Die wil eerst kwijt hoe hij denkt over zijn postbode - mon facteur, zegt hij inderdaad. We gaan zitten in de raadszaal onder de toeziende foto van president Chirac. In een dorp als Vijon is de postbode ab-so-luut cruciaal, verklaart burgemeester Thierry. De school is weg, de winkels zijn weg, de bus is weg. De postbode is de laatst overgebleven vertegenwoordiger van de openbare dienst. 'Service public', dat begrip zal her en der nog vaak over tafel gaan.

De ronde van Guy Journault is een demonstratie van sociale dienstverlening. De eerste klant is mevrouw Jeannot, die een klavertje vier voor haar postbode heeft gevonden. Het ligt op het plastic tafelzeil, ernaast staan twee kopjes te wachten met korrels Nescafé en suiker. 'Er is maar één postbode en dat is hij', zegt mevrouw Jeannot. Ze loopt tegen de tachtig, is alleen, en wacht haar facteur elke morgen op. Hij brengt haar medicijnen en leest de bijsluiter voor. Nu is hij te laat vanwege het buitenlandse bezoek.

Er zijn vrouwen die zich speciaal opmaken voor de postbode, zegt Guy Journault weer buiten. De facteur is de enige mens die ze de hele dag zien. Anderen nemen speciaal een abonnement op de krant, hier La Nouvelle République, om verzekerd te zijn van postbodebezoek. We lopen binnen bij meneer Mayet. Hij wil wat geld opnemen van zijn spaarbankboekje en wat postzegels kopen.

Dat kan, want Guy Journault is ook huisbank, banque à domicile. 'Iedereen hier had vroeger een rekening bij de Crédit Agricole', zegt meneer Mayet. Maar alle banken hebben afscheid genomen van het platteland. Niet rendabel meer. La Poste is de laatste strohalm van de beschaving.

We lopen verder, Guy Journault als een handenschuddende dorpsvedette. Binnenkort gaat hij de euro uitleggen, aan mensen die in meerderheid nog in oude francs rekenen. In de slagerij van monsieur Cassier hangt een zware etenslucht. Hier wordt tussen de middag nog stevig gegeten. Twee jaar geleden is de slager ermee gestopt. De hammen en worsten hangen nog aan het plafond te vergaan, naar de oude Franse gewoonte om na gedane zaken de boel de boel te laten.

'Ik heb hier toentertijd weleens gegeten. Het vlees was zo zacht dat je er geen mes voor nodig had', zegt Guy likkebaardend. Acht jaar loopt hij deze ronde nu, tot diepe tevredenheid van zijn klanten. En van zichzelf. Hij houdt van lopen. In Vijon hoeft hij zijn adresjes niet met de gele bestelauto af. En als hij wil, kan hij driemaal per week bij zijn klanten eten.

Vijon valt onder het postkantoor van het stadje Sainte-Sévère-sur-Indre, 5 kilometer verderop. Kenners weten dat Jacques Tati daar vlak na de oorlog de speelfilm Jour de Fête opnam, misschien wel de beroemdste Franse film aller tijden. Tati had er zelf tijdens de oorlog ondergedoken gezeten, en kwam terug om de komieke belevenissen van een postbode vast te leggen. François heette die postbode, zonder achternaam. Hij viel een film lang van zijn fiets in een zonnig landschap dat rook naar versgemaaid hooi en waar draaiorgelmuziek verwaaide in een warme wind.

Is het toeval dat de beroemdste Franse film aller tijden over een postbode gaat? Vlak na de oorlog was Frankrijk een verscheurd land. Tussen ex-collaborateurs en communisten, tussen pétainisten en gaullisten. Jour de Fête begon met een uitgesproken tekst: 'Hebt u ook zo genoeg van de tobberijen van alledag? Wilt u ook weer eens onbekommerd en onbedaarlijk lachen?' De postbode was zorgeloosheid, een onbewolkte hemel, daar kon je op rekenen. Sainte Sévère is ruim vijftig jaar na dato nog net zo zonnig als toen Jour de Fête er werd opgenomen. Het moet de enige belevenis ooit zijn geweest, in deze contreien. De supermarkt verkoopt Tati-bekers, Tati-affiches, Tati-eierdopjes. En de winkeldame, Mme Chevassus, bijna 80 nu, speelde een glansrol in Jour de Fête. 'Ik was de caissière van de cinema op de kermis. Wij waren dol op Tati, en wij zijn nog altijd dol op onze facteur. Wij hebben een hele grote, die kan zo voor François spelen met die lange benen van 'm.'

Niet alleen Sainte-Sévère, heel Frankrijk houdt nog altijd innig van zijn postbode. Misschien zelfs wel meer dan ooit. Rave-parties denderen over het land, onderwijzers en bisschoppen worden veroordeeld wegens pedofilie, jeugdbenden slaan elkaar de koppen in. Maar de postbode is een rots in de branding. De postbode is de Republiek, net als de warme maaltijd tussen de middag op de openbare school. Meer dan de sncf, waar ze altijd staken. Meer dan Elec tricité de France (edf), waarvan je de vertegenwoordigers zelden ziet op straat, en dat bovendien jammerlijk faalde bij de reparaties na de grote storm van Kerstmis 1999.

Alle zestig miljoen Fransen geven met kerst hun facteur een stevige fooi, in ruil voor de Almanak van het volgende jaar. Daarop staan de heiligendagen, de schoolvakanties, een kaartje van de Parijse metro, de belangrijkste gemeenten in het departement, een omrekentabel voor de euro, zonsopgang, zonsondergang, telefoonnummers van ziekenhuizen, brandweer, apotheken en dierenambulance. En er is voorgedrukt ruimte om de naam, voornaam, het postkantoor en het adres van de eigen postbode in te vullen. Plus zijn telefoonnummer thuis, want de postbode mag tot in zijn bed worden gestoord.

Iedereen, in alle uithoeken van de 'zeshoek', zoals Frankrijk vaak wordt genoemd, heeft recht op zijn post. Daar kan niet mee gemarchandeerd worden. Groene brievenbussen aan de weg kennen ze niet in Frankrijk. De postbode hoort tot aan de voordeur te komen, al moet hij daarvoor de duivel en Beëlzebub trotseren. 'Hondenbeten zijn de meest voorkomende beroepsblessures', zegt Guy Journault opgewekt. Daarvan heeft hijzelf geen last, zoals de meeste postboden met een vaste wijk geen last hebben. Het zijn de invallerskuiten die gepakt worden.

We lopen naar een hoekhuis. Guy wijst bewonderend op de groente tuin. 'Geen sprietje onkruid.' Hij heeft taart besteld bij deze klanten. Mevrouw bekent grif dat ze de krant heeft, alleen om elke dag een taart voor de postbode te kunnen bakken. 'Altijd grote stukken', knort Guy tevreden. En weer wordt naast de cuisinière de lof van de postbode gezongen. Als de post niet komt, is het nimmer zijn fout. Uitgesloten dat notre facteur een fout maakt.

Desondanks pakten al in Jour de Fête - 1947 - donkere wolken zich samen boven de postbodepet. Fietsende François zag op de kermis van Sainte-Sévère een documentaire over de post in Amerika. Lo pende banden, automatische sortering, postboden die uit helikopters worden neergelaten boven onmogelijk adressen. En François besloot Sainte-Sévère op z'n Amerikaans te gaan bedienen. Als een bezetene trapte hij door het stadje, onder het uitroepen van 'rapidité, rapidité' en 'à l'Américaine!' Het was een onbewuste aankondiging van veranderingen waaraan zelfs 'het eeuwige Frankrijk' van generaal De Gaulle niet kon ontkomen.

Burgemeester Martin Thierry wacht nog altijd in de raadzaal. Weet u, zegt hij, de postbode is de enige sociale controle die we nog hebben. Hij neemt een kijkje als er iets is, of als er niemand thuis lijkt te zijn. Meer dan de helft van de mensen hier is bejaard en we willen de ouderen zo lang mogelijk thuis houden.

Zes jaar geleden hebben ze actie gevoerd in Vijon en omstreken. Uit protest tegen het opheffen van het postkantoor. Toentertijd ging het ene na het andere kantoor dicht. Na hevig protest stelde premier Balladur een 'moratorium' in. Het sluiten van het postkantoor zou een catastrofe zijn, zegt de burgemeester. Want de volgende stap is: geen postbode meer. O zeker, Guy komt medicijnen brengen als het moet, brood en zelfs de boodschappen. Maar vanuit het hoofdkantoor in Parijs begint de vraag te prangen of de postbode wel brood moet rondbrengen. Zou niet eerder de bakker postzegels moeten verkopen? 'Hier is geen bakker', riposteert de burgemeester. Om te besluiten: 'We blijven waakzaam.'

Het hoofdkantoor van La Poste voor heel Frankrijk is een immens spiegelgebouw aan de Seine in Parijs. Een paar jaar geleden hing er nog een grote afbeelding van Tati's fietsende François als reclame voor de posterijen. Nu klinkt er discomuziek in de hal. La Poste wil modern gevonden worden. Op de tv adverteert de post tegenwoordig met surrealistische filmpjes. Ondersteund door David Bowie-muziek. Een koffiekan schenkt dwars door een kop-en-schotel heen koffie over tafel. Een laars stapt in het zand en laat de afdruk van een blote voet na. La Poste doet het onmogelijke, zal de boodschap wel zijn. Ze bezorgen met vliegtuigen, hebben een verbond gesloten met de Amerikaanse snelbezorger FedEx, wagen zich op de overnamemarkt, geloven in internetbezorging, zijn bijna voor de helft concurrerend. Kortom, à l'Americaine. Waar is de gele fiets van de postbode?

'Ik zou toch niet willen dat La Poste wordt afgebeeld met behulp van een postbode in Sainte-Sévère', verzucht woordvoerder Philippe Moucherat. Onlangs stond er een groot stuk in het weekblad l'Express dat ze bij La Poste in het verkeerde keelgat is geschoten. Met een foto van de postbode in le Marais Poitevin, dat is de Franse Biesbosch bij La Rochelle. Op de foto zag je de postbezorging per roeibootje. Prachtig, maar niet meer het beeld dat de posterijen willen uitdragen. De voorbeelden zijn er nog genoeg. De postbode die zijn brieven per kabelliftje over een ravijn in de Tarn naar boven trekt.

Of de postbode die in de overzeese gebiedsdelen als Guadeloupe, Réunion, Frans-Guyana, per vierwielaandrijving aan huis komt bezorgen in de bushbush. Overal met auto's in dezelfde poepgele kleur, met hetzelfde uniform, voor dezelfde 3 franc per brief. 'De bonden hebben geprotesteerd tegen dat beeld', zegt woordvoerder Moucherat. Ze doen zoveel meer bij La Poste, en de postboden zien links en rechts de vrachtwagens van dhl en tnt voorbij stuiven.' Die willen niet als achterlijk te kijk staan.'

Terug naar Sainte Sévère, waar het postkantoor wordt gedreven door directrice Catherine Rollat. Er hangt een prikbord van de communistische vakbond cgt, eentje voor de autonome fo en een voor de gematigde cfdt. Op de borden is een pamflet over een pro test actie geprikt. Tegen de uitbesteding van het wagenpark van La Pos te aan een particulier bedrijf. Nee, zegt mevrouw Rollat. Haar twaalf postboden zijn geen vakbondstijgers. Haar lokettisten evenmin. Sainte-Sévère werkt van harte mee aan de nieuwe aanpak die het hoofdkantoor voorstaat. bramsa, is de kreet die bedrijfspresident Vial heeft gelanceerd voor zijn lokettisten. Dat betekent: Bonjour, Regard, Attention, Merci, Sourire, Au revoir. Goedemorgen, Aankijken, Aan dacht, Dank u wel, Glimlach, Tot ziens. Kennelijk is die benadering niet in alle postkantoren niet evident. De Franse burgers zijn 100 procent tevreden over hun postbode. Maar slechts 30 procent is dat over de bediening in het postkantoor.

En inderdaad, de bonden maken bezwaar tegen die 'mercantiele' aanpak. De bonden spreken niet van 'klanten', maar van 'gebruikers' van La Poste. Klanten horen bij handel, gebruikers zijn de gelijke burgers van de Republiek. En winst hoort al helemaal niet bij La Poste.

Bedrijfspresident Martin Vial ontwijkt handig een vraag naar wat hij zou doen met zijn veertienduizend postkantoren als er geen bonden zouden zijn. 4 Miljard franc kosten die postkantoren, tweemaal de winst van La Poste over 1999. Service public is prachtig, maar in werkelijkheid worstelt La Poste ook met een versteend apparaat, onder druk van bonden en burgers.

Sainte Sévère heeft 5700 inwoners, of 1735 haarden, zoals postkantoordirectrice Catherine Rollat het noemt. Tien vaste postboden, twee reserve, dat is iets meer dan een postbode voor vijfhonderd inwoners. In het hele departement Indre zijn 113 postkantoren voor 233 duizend inwoners. Tweeduizend klanten voor een postkantoor. In nog verlatener departementen in het Massif Central is er een postkantoor per duizend inwoners.

Pittoresk voor de toeristen, een godsgeschenk voor de bejaarde inwoners. Maar weinig efficiënt met een of twee klanten per dag voor een postzegel of een afboeking van hun spaarbankboekje. Terwijl de service in de dichtbevolkte gebieden eronder lijdt, waar twaalfduizend mensen of meer een postkantoor moeten delen en de rijen heel wat langer zijn dan de gedroomde vijf minuten van president-directeur Vial. 'De liefde van de Fransen voor hun postbode, is de doodskus voor La Poste', zegt een oud-bestuurder die anoniem wil blijven. Zo gevoelig is La Poste.

Martin Vial geeft geen krimp. 'Wij hebben nu eenmaal te maken met een dubbele opdracht. We zijn zowel een onderneming als een instelling die het algemeen belang moet dienen. Wij willen overal dezelfde diensten aanbieden. Dat betekent geografische gelijkheid, in alle hoeken van het land. Maar ook sociale gelijkheid: La Poste is ook aanwezig in alle 450 moeilijke wijken waar verder niemand meer komt. Vaak als laatste vertegenwoording van de overheid, met de school en de politie.'

De volgende ochtend meld ik me op het postkantoor van Au ber villiers, een drukke noordelijke voorstad van Parijs die het officiële etiket 'zus' heeft - zone urbaine sensible. Ook Frankrijk kent zijn eufemismen voor wijken waar veel allochtonen wonen en veel moeilijkheden zijn. De criteria voor een zus worden op de prefectuur bepaald. Zoveel sociale woningbouw, zoveel uitkeringen per duizend inwoners, zoveel misdrijven. In ieder geval niet het percentage al lochtonen, want die kent Frankrijk officieel niet: in de republiek is iedereen gelijk.

Christine Lhomelet is 29 en ze is zichtbaar met overgave postbode. Ze heeft haar wijk twee jaar, niet een hele moeilijke wijk, maar onvergelijkbaar met het werk van Guy Journault in Vijon. Aubervilliers is een volkswijk met afwisselend flats en Parijs-achtige huizenblokken. Christine is nog geen tien minuten bezig met postbezorgen, of al aangesproken door drie heren die de weg vragen, een klant die geholpen wil worden met het invullen van een cheque en mevrouw die haar post wil hebben.

De sensibele banlieues van Parijs zijn berucht. Er zijn er waar de brandweer met stenen wordt ontvangen, en waar de electriciens van het edf of andere openbare diensten 's morgens zo vroeg mogelijk opereren. Dan liggen de pestkoppen van Algerijnse komaf nog in bed. Christine zegt dat ze nooit last heeft. 'Ik word niet als vertegenwoorder van de staat gezien. Ik kom wat brengen en de mensen helpen, als het nodig is.' Haar moeilijkheden? Vernielde brievenbussen, snel wisselende bewoners. Het binnenkomen wordt steeds moeilijker. 'Tegen woordig hebben de meeste buitendeuren een code-apparaat, voordat je bij de brievenbussen bent. Dat ding is vaak zo afgesteld, dat de deur 's morgens een kwartier open is voor de postbode. Als je te laat bent, blijft de deur potdicht.'

Christine doet haar wijk op een mooie gele fiets met vijf versnellingen. Ze kon ook een model kiezen met een klein voorwiel en een verstelbare bagagedrager. Daar zag ze niks in. Er zijn ook gele Moby lettes, maar niet voor Auber villiers. En het nieuwste van het nieuwste is gele step. Ook niet weggelegd voor Aubervilliers.

We fietsen naar het postkantoor Saint-Denis-Barbusse. Dit filiaal bedient twaalfduizend klanten, ruim tweemaal zoveel als Sainte-Sévère. Een klassiek kantoor in een moeilijke wijk, op de hoek van een drukke straat. De gevel bladdert, binnen hangen wat klanten, een meisje geeft haar baby de borst op de stoel voor een computerterminal waar de klanten kunnen internetten. Het is nu rustig. Maar de eerste dagen van de maand, zegt directeur Gilles Croneiss, komen de klanten voor hun uitkeringen en staan ze om zeven uur in de rij, terwijl het postkantoor om half negen opengaat.

Kinderbijslag, bijstand, ww, pensioen, alles wordt overgemaakt op het spaarbankboekje. 'Wij zijn de enige bank in de wijde omtrek', zegt Gilles Croneiss. 'Commerciële banken willen de klanten van Croneiss vaak niet hebben, omdat ze meer rood staan dan zwart. En trouwens, hier zijn geen banken, geen winkels, helemaal niets. Alleen maar woningen. En La Poste.'

Lichtjaren scheiden het ruwe Saint-Denis en Aubervilliers van het zonovergoten Sainte-Sévère. En toch lijken ze sprekend op elkaar: de Crédit Agricole heeft zijn boeltje gepakt op het platteland, de Crédit Lyonnais in de banlieue. Niet rendabel meer. La Poste is de laatste strohalm van de beschaving.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden