L. de Jong, meer dokter dan doctor

Als er één monument is van de Tweede Wereldoorlog, dan wel dr L. de Jong. Een gewoon historicus is De Jong nooit geweest - hij was de arts die Nederland genas van de oorlog....

HET heden mag verwarrend, onberekenbaar, paradoxaal en vol onbeantwoorde vragen zijn, het verleden is dat nog meer. Hetzelfde geldt voor dr L. de Jong. Iedereen kent hem, want hij is al meer dan een halve eeuw een publieke figuur. Maar kennen wij hem werkelijk? Ik zou het niet durven beweren. Er blijven vragen hangen. Deze bijvoorbeeld: achtte hij zijn missie niet al voltooid nog voordat hij eraan begonnen was? Anders geformuleerd: vond hij het levendig houden van de herinnering aan de oorlog, via de moderne massamedia, niet belangrijker dan de taak waarvoor hij in 1946 was aangesteld, de wetenschappelijke geschiedschrijving, op ouderwets papier, over al hetgeen er toen was gebeurd? Op basis van wat ik weet van zijn leven, zijn werk, zijn egodocumenten en de uitpuilende knipselmappen, geloof ik dat het antwoord ja moet zijn.

In 1966 moest hij zijn eerste woord van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog nog schrijven. De twintig, bijna dertig, voorafgaande jaren had hij besteed aan voorbereidend onderzoek, aan zijn dissertatie, en last but not least aan journalistiek werk voor alle media die Nederland rijk was: krant, weekblad en pocketboek, radio, televisie, film en langspeelplaat. Daarmee was hij beroemd geworden. Beroemd? De televisie-serie De Bezetting (1960-1965) had hem tot bijna religieuze statuur verheven.

In vele religies is de priester de belangrijkste functionaris, de bemiddelaar tussen de mensen en de godheid. Hij zorgt voor de juiste verhouding tussen beide. Was De Jong een priester? Ja, als we het woord 'godheid' vervangen door 'het verleden', preciezer gezegd 'de oorlog'. Dank zij hem kreeg Nederland eindelijk een 'nationaal verleden', dank zij hem werd het Riod een nationale schrijn, met De Jong als de engel der wrake. Hij had de half vergeten, half verdrongen herinnering aan de ondergang van de joden nieuw leven ingeblazen. En dat was belangrijker dan 'de geschiedenis' zelf.

In 1988 zei De Jong dat hij van plan was een boek te schrijven over de vraag 'Wat is geschiedenis nu eigenlijk?'. Dat is nog niet verschenen, maar het kan bijna niet anders of hij heeft het verschil tussen herinneren en geschiedenis altijd beseft. Hij is er lang genoeg voor in psychoanalyse geweest. Maar de herinnering is een schuiftrompet. Door zijn decennialange ervaring met de media - als De Stem van Radio Oranje, als De Duider op televisie - moet hij hebben beseft dat een, twee of twintig boeken een minder zekere garantie vormen voor het levend houden van de herinnering dan de moderne media die ons bijna permanent omringen.

Maar wat moest moest. Daarom vroeg hij, plichtsgetrouw als hij was, in 1966 in een vergadering met het Directorium van het Riod of hij, nu hij aan het schrijven van Het Geschiedwerk zou beginnen, niet beter zijn journalistieke activiteiten zou kunnen opgeven. Maar, voegde hij daar onmiddellijk aan toe, 'hij wist niet of zijn leven wel bevredigend zou worden als hij uitsluitend met het geschiedwerk bezig zou zijn'. Het Directorium begreep het, en zo bleef hij elke woensdagochtend zijn buitenlandoverzicht meegeven aan de koerier van Vrij Nederland, tot 1969.

Dat was het jaar waarin het eerste deel van Het Koninkrijk verscheen. Onmiddellijk was duidelijk dat deze serie even 'monumentaal' zou worden als De Bezetting. Zijn Geschiedwerk zou uiteindelijk 16.000 bladzijden tellen. De historicus E.H. Kossmann heeft eens opgemerkt dat het niet te riskant is te beweren dat nergens ter wereld ooit zoveel bladzijden door één man zijn gewijd aan een zo korte periode in de geschiedenis van een zo klein land. Mij lijkt het evenmin te gewaagd te beweren dat het in de geschiedenis ook nog nooit is voorgekomen dat een tv-serie de basis heeft gevormd voor zo'n groots geschiedwerk. Zelf zou hij later zeggen 'dat het mij onmogelijk geweest was om deze serie boeken op te zetten als ik eerst niet die reeks televisieprogramma's gemaakt had'.

De Jongs hart lag dus meer bij de journalistiek dan bij de geschiedschrijving. Dat maakt zijn prestatie als historicus alleen maar verbazingwekkender. Hoe brengt iemand het op om zestienduizend pagina's te schrijven over de Tweede Wereldoorlog, terwijl hij andere dingen eigenlijk leuker vindt? Deels door zijn werkwijze. Het schrijven van Het Geschiedwerk is, zei hij eens, net zo iets als ademhalen. 's Ochtends om negen uur pakte hij een nieuwe stapel fiches, schreef tot 's middags kwart over vijf, legde dan de pen neer om de volgende dag verder te werken aan zijn 'prachtig spoorboek', zoals H.J.A. Hofland zijn magnum opus heeft genoemd.

En waren bij de Grieken en Romeinen priesters ook niet doorgaans gewoon ambtenaren die voor kortere of langere tijd met het verzorgen van de cultus werden belast? Tijdens de hoogmissen van deze cultus, de zorgvuldig georkestreerde perspresentaties van een nieuw deel, was hij de hogepriester. Door de week moet hij zich toch meer gevoeld hebben als iemand die, om het plat uit te drukken, gewoon bezig was de tuin om te spitten.

Vandaar ook dat het laatste woord dat hij, in 1988, neerschreef over Het Koninkrijk hem voldoening noch vertwijfeling had geschonken. 'Het is gewoon voorbij', zei hij in een tv-gesprek. Hij zat, 74 jaar oud, ook vol nieuwe plannen: zijn memoires schrijven, die 16.000 pagina's nog eens samenvatten in 600 à 700 bladzijden en deze ook in het Engels uitbrengen. En hij was, zei hij, 'natuurlijk bezig' met de nieuwe serie van De Bezetting.

Bezig? De Jong was bezeten van De Bezetting. Een jaar later was de nieuwe serie zo goed als gereed, op de opnamen na. Op 20 juli 1989 kreeg hij, tijdens het bekijken van filmbeelden voor de laatste aflevering, een lichte hersenbloeding. Het gevolg was afasie, een stoornis in het gebruik van de taal. Afasie is, zegt een neuroloog in een nawoord bij zijn boekje Opkrabbelen, 'een medisch, psychologisch en emotioneel probleem'. Bij De Jong gold dat zeker.

In het AMC dacht De Jong, naar eigen zeggen, slechts aan één ding: De Bezetting. Hoe kon dat project in oktober gered worden? 'Ik zag geen andere mogelijkheid dan het zelf te doen.' Het eerste wat hij, enkele weken later, zeer moeizaam sprekend, aan zijn logopediste vroeg, was: 'Kunt u mij klaarstomen voor de uitzendingen van De Bezetting?' Deze drang gaf hem de kracht om al die spraakoefeningen te doen om weer als vanouds gebruik te kunnen maken van zijn stem, De Stem. En het was hem nog gelukt ook, als de regisseur niet had bedacht dat anno 1989 een documentaire flitsender diende te zijn, en swingender gepresenteerd dan begin jaren zestig.

Anderhalve maand later viel De Muur in Berlijn. Daarmee kwam een einde aan een tijdperk, ook aan het tijdperk Lou de Jong. De nieuwe serie De Bezetting werd een matig succes. Waarom? Mede door de ongelukkige timing. Iedereen kon immers live ooggetuige zijn van even wereldschokkende gebeurtenissen, het einde van de Koude Oorlog.

Ingehaald door de tijd en door de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de media? Het antwoord is meer ja dan nee. Nee omdat De Jong zich vanaf de jaren zeventig zeer wel wist aan te passen aan de wereld van de talkshow en, in 1988/89, aan de wereld van de commerciële produktie. Op dit gebied hoefde hij weinig meer te leren. Als een van de eersten in Nederland wist hij de kracht van de moderne massamedia op waarde te schatten, en nog beter te benutten. De Jong werd ingehaald door de tijd wegens de taak die hij zich al heel vroeg moet hebben gesteld: voor de natie heden en verleden duiden als 'morele les'.

Dat hij daarbij voor zichzelf een centrale plaats inruimde, is niet alleen aan ijdelheid toe te schrijven. Dat was zijns inziens nodig om die les zo krachtig en eenduidig mogelijk te laten klinken. Bij Radio Oranje was hij ervan overtuigd geraakt dat een omroep van een regering in ballingschap niet moest bestaan uit een wisselende reeks sprekers, maar uit twee, drie of vier 'die vormgeven aan wat het volk bezielt'. Die vormgeving mocht niet al te veel nuanceringen kennen, wilde de kracht ervan niet verloren gaan.

Een strak omlijnde visie was De Jong wel toevertrouwd. Zijn geschiedenisleraar Jacques Presser noteerde in 1930 in een tussenrapport over De Jong: 'Leert zijn lessen wel, maar overschat zich. Beziet alles te veel vanuit zijn eigen standpunt.' Zo zou het blijven, al zouden twee van zijn vooroorlogse standpunten - tegen nationale bewapening, tegen Amerika - door de oorlog en de Koude Oorlog die erop volgde, in het tegendeel omslaan. Vanaf dat moment ontwikkelde zijn visie op de oorlog en op de wereld zich nauwelijks meer. Niet alleen fysiek was hij honkvast - na terugkeer in Amsterdam verhuisde hij slechts twee keer - ook psychisch was hij dat. Hij vermeed al te veel aanleidingen om andere visies op te doen. Zo antwoordde hij recentelijk op de vraag waarom hij, in tegenstelling tot die andere beroemde commentator, mr G.B.J. Hiltermann, geen landen bezocht had waarover hij commentaar gaf: 'Ik had het gevoel dat het reizen door die landen me zou afleiden. Het zou het gehele beeld van waaruit ik sprak vertroebelen.'

De Jong schreef en commentarieerde niet op basis van eigen ervaring maar op basis van 'de bronnen'. Daarbij voelde hij zich niet zo zeer een historicus als wel een 'hersenchirurg', zoals hij zelf eens zei. Ook hier kunnen we de oude Grieken erbij halen. Volgens Hippocrates was er een nauw verband tussen arts en ziener, omdat ze in Apollo dezelfde vader hadden. En Apollo was, als de god van de muzische kunsten en wetenschappen, de drager van de cultuur die het ordenende en redelijke element vertegenwoordigde, tegenover de onbeteugelde hartstocht van Dionysos.

De Jong voelde zich dus niet zo zeer doctor als wel dokter, die het hele volk als patiënt had. Daarom was televisie onmisbaar voor zijn spreekuur. Wat de presentatie betreft betekende het dat hij zowel ontzag als vertrouwdheid moest uitstralen. 'Ik geloof dat ik vanavond weer eens mijn koele hand op het voorhoofd van het Nederlandse volk moet leggen', zo zou hij eens tegen zijn toenmalige collega Arie Kleywegt hebben gezegd. Ontzag en een zo groot mogelijk publiek vormden ook de reden dat hij zijn oratie in 1967 twee keer hield, de eerste keer op de Erasmus Universiteit, de tweede keer live voor de Vara-televisie.

Hoe lang hij er ook naar gestreefd had hoogleraar te worden, toen hij het eenmaal was, gebruikte hij de titel 'professor' niet, omdat die volgens hem 'te veel afstand schept'. Niet professoren maar dokters klonken in die tijd vertrouwenwekkend. Dr L. van Egeraat liet de kijkers reizen door Nederland. Dr A.C. van Swol sprak over ziek zijn en beter worden.

Van zijn Het Koninkrijk vond De Jong het 't belangrijkste dat de kranten er een pagina (of twee) aan wijdden. Want wie las ook werkelijk al die boeken? Daarom beschouwde hij televisie als medium bij uitstek om zijn diagnose en receptuur te verbreiden. Televisie, zei hij in 1989, 'is een fantastisch medium. De macht van televisie is ongelooflijk groot.'

Die overtuiging was gebaseerd op het fenomenale succes van De Bezetting. Hij had ingestemd om de eerste aflevering, begin mei 1960, te maken omdat anderen hadden moeten afhaken. Hij begon zijn inleiding met te zeggen dat hij 'geen wetenschappelijk historicus' was. 'Ik zou graag willen dat u mij zag als iemand uit uw midden, die op zijn eigen plaats ook iets meegemaakt heeft. Deze televisie-uitzendingen hebben niet de pretentie hèt afdoende antwoord te geven.'

Dat laatste werd wel zo opgevat. Om diverse redenen. De eerste reden was De Jong zelf. Het ontzag domineerde de poging tot vertrouwdheid. Hij sprak soms minutenlang, recht in de camera kijkend zonder een blik te hoeven werpen op zijn tekst. Hij kwam inderdaad over als een hersenchirurg. Alleen de witte jas ontbrak. En de chirurg had doorgaans sombere mededelingen, geaccentueerd door zijn soms als 'te onheilspellend, te theatraal' beoordeelde presentatie, verricht tegen de achtergrond van schoolbord, landkaart of het wapen van de Nederlandsche Bank. Toen Directoriumlid prof. dr P.J. van Winter eens opmerkte dat hij het thema 'bezettingshumor' zo graag eens behandeld zag, wees hij dit resoluut van de hand. Goedlachs kon men De Jong in die tijd inderdaad niet noemen, en het programma nog minder.

HET enorme succes had ook, en misschien wel vooral, te maken met het feit dat hij voor het eerst samenhangende beelden toonde van die oorlog in Nederland zelf, beelden die de meeste mensen nog nooit hadden gezien. Voeg daarbij de oordelen van De Jong over de hoofdrolspelers - goed of fout - en men kan zich voorstellen dat vanaf het moment dat De Jong in de studio het grote boek dichtsloeg, er in de huiskamer een indrukwekkende stilte bleef hangen.

Misschien wel de belangrijkste factor voor het succes was de omstandigheid dat De Jong sprak voor een captive audience. De eerste uitzending viel samen met het in gebruik stellen van de laatste steunzender, in Smilde, zodat voor het eerst het hele volk kon kijken. En iedereen keek, altijd en gebiologeerd. Als men iets anders wilde zien, kon dat niet. Tot 1964 was er immers maar één net.

Hoe groot de waardering voor De Bezetting ook was, over het effect ervan op het levend houden van de herinnering is veel minder met zekerheid te zeggen. Men kan De Bezetting niet los zien van de overige populaire publikaties van het Riod in die jaren: de pockets, de fotoboeken, de langspeelplaten voor het onderwijs, en ook niet van de andere wetenschappelijke werken zoals De Februaristaking van Ben Sijes. En vooral niet van het boek van Jacques Presser dat in 1965 werd gepubliceerd, Ondergang.

Dit aangrijpende boek werd een dreun die de herinnering aan de oorlog voorgoed heeft gecentreerd rond de vernietiging van de joden en de passieve rol van de meeste Nederlanders daarbij.

Over gebrek aan aandacht voor de oorlog kon De Jong na 1965 dus eigenlijk niet klagen. Toch heeft hij sindsdien jaar in jaar uit aangedrongen op herhaling van zijn serie. Na afloop ervan zei hij dat er sinds 1960 eigenlijk geen dag voorbij was gegaan dat hij niet gedacht en geschreven aan en gepraat had over de tv-serie. Het was 'immens heerlijk werk' geweest.

Op zijn aandrang werd de serie in 1966/67 herhaald, begeleid door discussieprogramma's om de verbinding te kunnen leggen met het woelige heden van Provo. Het werd geen succes. Er was inmiddels een tweede net, en De Jong moest het afleggen tegen programma's als Maigret. En net als in 1989 was het in deze jaren op straat net even interessanter dan in de huiskamer. Wegens de lage kijkcijfers gingen er bij de NTS in maart 1967 zelfs stemmen op het programma voortijdig van het scherm te halen.

De Jong had zich inmiddels gestort op Het Koninkrijk, èn op de andere functie van de priester-historicus, die van vermaner. Apollo was behalve heilgod immers ook orakelgod. Wat er ook gebeurde, De Jong werd op de televisie naar zijn oordeel gevraagd, als 'het geweten van de natie'. Maar orakelgoden worden niet altijd bemind.

Zijn interventies in het heden werden met meer wrevel dan gejuich ontvangen, zoals zijn vruchteloze oproep om wegens het kolonelsregime niet naar Griekenland op vakantie te gaan. Of zijn vergelijking in 1970 van de staat van paraatheid van het Nederlandse leger met die in mei 1940. Weerloos dus. Men beschuldigde hem van 'demagogie'. De VARA, zijn voormalige werkgever, sprak van 'het krijgsgehuil van de dokter'.

Maar De Jong bleef manen. In 1973 ondertekende minister Max van der Stoel mede de EG-verklaring tijdens de Yom-Kippoeroorlog. De strekking: Israël moet gaan praten met de Palestijnen. De Jong noemde dit 'een trap in Israëls rug', die hem deed 'denken aan München'. Om dit soort uitspraken, en om zijn steun aan Amerika in de Vietnamoorlog, werd hij door zijn voormalige vrienden, van VN en de VARA tot de Volkskrant, afgedankt als weinig minder dan een 'oorlogshitser'.

De Jong werd niet warm of koud van alle kritiek die in 'het progressieve decennium' na 1965 over zijn hoofd werd uitgestort. Toch moet hij, als man die de media in zijn macht dacht te hebben, beseft hebben dat hij in deze New Age van zelfexpressie en talkshow zijn greep op de media en het publiek begon te verliezen. Van de ene op de andere dag begon hij publiekelijk de andere, onbekende kant van zijn karakter te tonen. En hij koos feilloos de beste journalist om het breekijzer in zijn granieten buitenkant te zetten, Ischa Meijer.

Meijer somde in zijn portret in HP in december 1973 zijn negatieve eigenschappen op: 'eigenlijk dom', 'hij lachte altijd mee', 'waanzinnig eerzuchtig', 'nog steeds die hang naar erkenning, het established-zijn'. Al het slechte werd suggestief samengevat in de opmerking dat hij op school eens een opstel over 'het opportunisme' schreef, en er een tien voor had gekregen.

MAAR Meijer legde meer bloot, en dat maakte een diepere indruk. Hij beschreef de spanning tussen zijn uiterlijk gedrag en innerlijke roerselen: de neurose, de worsteling met zijn identiteit, zijn jaloezie op zijn 'briljante' tweelingbroer en 'alter ego' Sally, zijn psychoanalyse. Dit waren problemen die critici als W.L. Brugsma herkenden, en waar menig modieuze fan van Freud en Fromm niet van terug had. En zeker niet van de kracht waarmee hij al zijn psychische spanningen en verdriet over het verlies van zijn familie - omgekomen in de gaskamers - in geestelijke spankracht en energie had weten om te zetten. 'Mijn werk is de wijze waarop ik het mede verwerk.'

Dit portret was de aanleiding voor Brugsma om, in april 1974, een lang tv-gesprek te voeren met De Jong. Hierin schetste hij zijn eigen portret 'met een eerlijkheid die soms bijna pijnlijk was', aldus Het Vrije Volk. Zo was het overheersende oordeel: die soms zo irritante dominee bleek 'gewoon ook een aardige man'.

Maar niet alle reacties waren positief, zoals ook niet iedereen gecharmeerd was van de wijze waarop hij zich opwierp als 'geweten van de natie'. Vooral de onthulling (in 1978) van het oorlogsverleden van CDA-leider Willem Aantjes via de media, wekte verzet. Filosoof/columnist dr C. Verhoeven oordeelde: 'Deze terechtstelling gebeurde bovendien in het openbaar en op die manier zijn wij met de moderne media weer terug in de tijd waarvoor wij een afgeleerd afgrijzen aan de dag leggen.'

De Jong praat sindsdien niet graag meer over de zaak-Aantjes. Zo blijft onduidelijk waarom hij, die zijn gevoelens zo goed wist te beheersen, zo geemotioneerd en meedogenloos uithaalde via de televisie. Opmerkelijk is in elk geval dat hij enkele maanden eerder een grote teleurstelling had moeten verwerken. De NOS wees in 1977 zijn verzoek om herhaling van de tv-serie De Bezetting af: 'caricaturaal', 'te traag', 'te rhetorisch', beeldkwaliteit 'niet om aan te zien'. Hoewel de jaren ervoor, met de Drie van Breda in 1972 en de zaak-Menten in 1976, bol hadden gestaan van De Oorlog, meende De Jong dat herhaling noodzakelijk was omdat de 'kennis omtrent het oorlogsgebeuren vooral bij de generatie die niet zelf als volwassenen de oorlog en de bezetting doorstond, veel te wensen overlaat'.

Na de voltooiing van Het Koninkrijk tien jaar later deed De Jong opnieuw pogingen tot integrale heruitzending te komen. Nu belandde hij in het inmiddels gecommercialiseerde Hilversum bij de produktiemaatschappij Belbo. Maar na het herzien van de hele serie moest zelfs hij toegeven: 'Het was echt televisie uit het stenen tijdperk.' Na de voltooiing medio 1989 van de remake zei Belbo-man Harry Prins: 'Geen drie woorden zijn hetzelfde gebleven.' Voor beeld en geluid gold hetzelfde.

De Jong vond het werk opnieuw even heerlijk en belangrijk als destijds: 'Ik vind het een voorrecht een zekere invloed te hebben op mensen, op de gedachten van volwassenen over wat er toen gebeurd is.' Op de vraag of hij dacht dat de remake net zo'n diepe indruk zou maken als de oude serie van begin jaren zestig, antwoordde hij: 'Daar ben ik van overtuigd.' Ook die overtuiging moest hij bijstellen.

Net als bij de herhaling in 1966/67 waren de straten niet leeg tijdens de uitzendingen. Gemiddeld keken slechts 440.000 mensen, meest ouderen. Van de jongeren tot 19 jaar keek slechts 1 procent, van de kijkers tussen de 20 en 34 jaar 2 procent. Hoe kwam dat? Omdat er, zoals recensent Hans Steketee opmerkte, 'oude televisie van gemaakt is'. In deze vorm was de Tweede Wereldoorlog 'vooral iets voor mensen van vroeger'. Hij wees er terecht op dat de fictie die in de oorlogsperiode speelt onveranderd zeer populair was gebleven. Wetenschappers hadden niet minder dan 26 speelfilms, 147 toneelstukken en tussen de zes- en zevenhonderd romans en verhalen weten te turven sinds 1945, en nog 150 kinderboeken ook. Voor de televisie gold en geldt hetzelfde: sfeerdocumentaires, verhalen, docudrama's und kein Ende.

Ook De Jong zag natuurlijk deze populariteit van het docudrama. Toen de remake al bijna af was, zei hij dat hij wat televisie betreft nog één grote wens had: een 'drama-serie' maken à la The Jewel in the Crown.

Welke betekenis 'de media' precies hebben bij de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is niet gemakkelijk vast te stellen. De Jong heeft de beeldvorming erover niet in die mate kunnen bepalen als hij misschien gehoopt heeft. Zeker is wel dat Het Koninkrijk en De Bezetting als een monumentale sokkel in het landschap van onze collectieve herinnering staan. Met daar boven op de inmiddels wat frêle figuur van dokter L. de Jong.

De auteur heeft een bijdrage geleverd aan de deze week verschenen bundel 'Dr L. de Jong en zijn geschiedwerk. Een dure verplichting en een kostelijk voorrecht'. SDU ¿ 24,90. ISBN 90 12 08154 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden