Kwinkslagen van een denkende hand

Vijftig jaar lang was Saul Steinberg Amerika's vindingrijkste tekenaar. Zijn bijdragen aan The New Yorker zijn nu verzameld in een begerenswaardig boek....

In een autobus kun je het beste rechtsvoor zitten, dicht bij de chauffeur. Niet vanwege de beenruimte, meende de Amerikaanse beeldend kunstenaar Saul Steinberg, maar omdat je daar het nobelste uitzicht hebt – hoog en recht naar voren: 'Zoals een man te paard .'

Saul Steinberg (1914-1999) hield van Amerika, zij het onder voorwaarden. Zo kon je het landschap volgens hem beter niet vanuit een personenauto bekijken, want dan kwam je niet boven het gezichtspunt van de gemiddelde tv-kijker uit. Ook de trein beviel hem matig, wegens het ongewenste zijwaartse perspectief. Bezien door de voorruit van een Greyhound oogde Amerika wat hem betreft op z'n best: een oneindig asfaltlint, ingeklemd tussen de bakens van een op volle toeren draaiende cultuur.

De jonge kunstenaar moet het gulzig in zich hebben opgezogen, zomer 1942, toen hij als joods-Roemeense emigrant via Lissabon en Santo Domingo in Florida was beland. Engels sprak hij nog gebrekkig, maar de taal van de snelweg zal hij hebben verstaan.

Gas Food Lodging; tweeduizend buskilometers lang, van Miami naar de gedroomde vrijhaven New York.

Vergeleken met andere oorlogsvluchtelingen beschikt Steinberg over benijdenswaardige papieren. Hij komt niet als berooide verschoppeling naar de Verenigde Staten, maar als een veelbelovende illustrator die al tijdens zijn architectuurstudie te Milaan in Amerikaanse tijdschriften publiceerde en er nuttige contacten aan overhield. De redactie van het weekblad The New Yorker handelt niet uit louter naastenliefde, als zij bevriende relaties op het departement inschakelt om Steinberg aan een inreisvisum te helpen.

Op 9 februari 1943 wordt de Roemeense asielzoeker Amerikaans staatsburger. Dezelfde maand nog nodigt een galerie in Manhattan hem uit voor een expositie. Veel tijd om van zijn nieuwe status te genieten is de 28-jarige kunstenaar niet vergund, want kort daarop wordt hij als dienstplichtig soldaat overzee gezonden – terug de oorlog in waaraan hij net met kunst-en vliegwerk was ontsnapt. Hij belandt als marineofficier in de persoonlijke staf van generaal 'Wild Bill' Donovan, die hem op sleeptouw neemt langs de brandhaarden in het Verre Oosten, Noord-Afrika en Italië. Zijn talent komt van pas: hij tekent niet van echt te onderscheiden valse documenten, die achter de vijandelijke linies worden gedropt.

Onderweg ziet Steinberg kans zijn eerste vaste bijdragen aan The New Yorker te versturen. Het zijn informele, lichtvoetige impressies van Amerikaanse soldaten aan vreemde kust, die daar niet alleen in heroïsche gevechten verwikkeld blijken, maar ook een beetje rondlummelen, de plaatselijke schonen bezichtigen en wachten op post van thuis. Hoofdredacteur Harold Ross drukt de schetsen af als zelfstandige reportages, zonder toelichtende tekst. Het is een stunt die de tekenaar een naam bij het thuisfront bezorgt. Als vervolgens zijn eerste bloemlezing All In Line niet aan te slepen blijkt, is Steinbergs lot bezegeld: de komende 55 jaar zitten hij en The New Yorker aan elkaar vastgeklonken.

Het inmiddels tachtig jaar oude, onverminderd relevante periodiek heeft meer vindingrijke illustratoren gekend (van Charles Addams tot en met Art Spiegelman), maar geen van hen lijkt meer met de stijl van 'the gentlest of magazines' verbonden dan Steinberg. Wie rubrieken als The Talk of the Town leest, kan zich even net zo kosmopolitisch wanen als het magazine. Dat is niet alleen voorbeeldig geïnformeerd, betrouwbaar en exact, maar ook onderhoudend, stijlvol, ietwat snobistisch en laconiek. Door en door New Yorks is het ook, net als de informele toon die auteurs als E.B. White, John McNulty en Joseph Mitchell in hun gevatte essays en reportages introduceren. Ze schrijven zonder intellectueel vertoon, met de souplesse van de spreektaal en het raffinement van de bellettrist.

In die dubbelzinnigheid moet Steinberg zijn eigen ambities hebben herkend. Hoewel ongecompliceerd en aangenaam van lijn, lijken zijn tekeningen net niet in één keer te overzien. Ze zijn geestig, zonder dat je meteen kunt zeggen waarom. Je snapt ze niet helemaal, terwijl je onwillekeurig 'zo zit het' denkt. In zijn in 1975 verschenen memoires Here at The New Yorker omschreef redacteur Brendan Gill het Steinberg-effect als volgt: 'Het (is) alsof zijn hand tegelijk kon denken en tekenen, zonder de hinderlijke tussenkomst van het brein.'

Overvloedig bewijsmateriaal voor die stelling is te vinden in Steinberg at The New Yorker, een subliem salontafelboek waarin Joel Smith de wisselwerking tussen blad en kunstenaar uitputtend heeft geboekstaafd. Alle 89 omslagen die Steinberg voor het tijdschrift ontwierp zijn erin afgebeeld, evenals een thematische keuze uit de honderden tekstloze cartoons ('spots') en getekende verhalen (portfolio's) die hij in de afgelopen halve eeuw maakte.

Het is een parade van briljante invallen, te beginnen met de omslagillustratie: een mannetje dat zichzelf tekent en zijn hoofd laat eindigen in een sierlijk gekalligrafeerde krul. Letterlijk een selfmade man dus en in die zin een passend zelfportret, inclusief het ontbrekende gezicht, dat wijst op Steinbergs hang naar anonimiteit. Een traditionele portretfoto ontbreekt overigens niet, maar ook daar is iets mee aan de hand. Op het hemd van de kunstenaar prijkt een zelfportret als angsthaas, en hoe graag je ook zijn gelaatstrekken wilt bestuderen, die bange snoet eist alle aandacht op.

De reden van die zelfverhulling heeft Steinberg toegelicht in het na zijn dood verschenen Reflections and Shadows. Deze fragmentarische autobiografische schets, opgetekend door zijn jeugdvriend Aldo Buzzi, bevat roerende herinneringen aan zijn jeugd in het vooroorlogse Boekarest; een met schilderachtige ooms en tantes bevolkt sprookjesoord, waar de kippen 'met danspassen' door de keuken scharrelen en het gras in de straten groeit.

Ondanks de 'fantoompijn' die opspeelt na de val van Ceausescu, heeft hij nooit naar Roemenië willen terugkeren. Niet alleen om de herinnering aan het antisemitisme dat hem het land uitjoeg, maar ook 'omdat sommige plaatsen geen geografie hebben, maar alleen in de tijd bestaan'.

In het van fantasie en stijlgevoel doortrokken boekje vertelt Steinberg ook hoe hij elke keer worstelt om een eenmaal gevonden idee zó te presenteren, dat het persoonlijke eruit verdwijnt. Dat moet, legt hij uit, omdat anders het particuliere het universele in de weg zit. Zo kun je je voorstellen dat zijn beroemdste omslagontwerp, The View from 9th Avenue (afgedrukt in maart 1976 en nog steeds een wereldwijde bestseller als affiche), begon met het uitzicht uit zijn eigen atelier in Manhattan, terwijl dat voor de onder het oppervlak verborgen frappe – sardonische kritiek op een bekrompen wereldbeeld – volstrekt irrelevant is.

Steinberg hield van meerduidigheid. In Smiths boek bekent hij dat hij een enkele keer misbruik maakte van het snobappeal van The New Yorker door tekeningen af te drukken die hij zelf ook niet helemaal snapte. Geen lezer die zou durven zeggen dat hij de grap niet doorhad, dacht hij.

Maar in september 1971 ging hij kennelijk toch te ver met zes bijna identieke waterverflandschappen, waarin een naar eigen fantasie ontworpen poststempel steeds op een andere plek op de lege horizon staat. De redactie moest verontruste briefschrijvers uitleggen dat de kunstenaar echt geen 'bijzondere bedoelingen' met het vergezicht had.

Liever verkeerd begrepen dan te snel begrepen, was Steinbergs motto. Zijn vondsten lijken op in zichzelf gekeerde puzzels waarin je heel soms nog de filosofische gedachtesprong herkent die eraan ten grondslag lag. Dat geldt bijvoorbeeld voor een serie associaties over de jaargetijden, die achtereenvolgens worden verbeeld als landkaart (met de winter ter hoogte van de Alpen), als de afslagen op een snelweg, en als beeldrijm over wijn: de kurkentrekker is de lente, de fles de zomer, het glas de herfst, en in de hamer is de kater van de winter verdisconteerd .

Bij uitzondering gaf hij soms iets prijs over de oorsprong van zijn vondsten. Voor een omslag in maart 1967 tekende hij een verlaten landschap met een reusachtige ananas die wordt aangevallen door een nietige Don Quichot. Smith citeert een brief waarin Steinberg uitlegt hoe hij op het idee kwam: iemand had hem het boek The Heroic Encounter opgestuurd, waarna hij op visite bij de criticus Harold Rosenberg zag hoe die met een groot mes een ananas aan stukken sneed. Wie dit leest, begrijpt waarom de maker bij voorkeur zijn mond hield: de uitleg degradeert het intrigerende beeld tot een verhaaltje.

Tegen Buzzi bekende Steinberg veel te danken te hebben aan de Russische schrijver en criticus Andrej Sinjavski. Van hem leerde hij dat de raadsels van het leven zich het best in grappen, rijmpjes en verzen laten vangen, omdat die zelf ook raadselachtig zijn.

In navolging van Sinjavski beschouwde Steinberg zijn scheppingen als 'getekende verzen'. Ze stelden hem in staat te filosoferen over schaduwen, reflecties ('een gratis extra werkelijkheid') en andere ongrijpbaarheden, zonder zwaarwichtig te worden. Speelsheid en humor rekende hij sowieso tot de beste menselijke eigenschappen: 'Dieren zijn speels, de natuur is speels. Een weersverandering is een grap, een spiegelbeeld in water een kwinkslag.'

Zes jaar na zijn dood verschijnen er nog steeds nieuwe illustraties van Steinberg in The New Yorker, dat sinds 1999 ook een aantal niet eerder gebruikte omslagen uit de nalatenschap putte. Zo bezien staat achter in Smiths boek het geestigste p.s. bij zijn oeuvre. Tegen het einde van zijn leven vroeg Steinberg zich tobberig af of hij nog wel paste in het gemoderniseerde blad, dat jarenlang zijn 'patria' was geweest. Hij verzocht een bevriende redacteur hem te waarschuwen zodra z'n werk te kinderlijk werd .

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden