Kunstwerken met een oorlogsverleden

Er hangen in Nederlandse musea schilderijen van Rembrandt, Van Gogh en Rubens, waarvan alleen bekend is dat ze in de oorlog door de nazi's zijn geroofd....

HET IS HET topstuk van het Haags Gemeentemuseum. Het Klaprozenveld van Vincent van Gogh is nog niet zo lang geleden getaxeerd op 35 miljoen dollar. Maar Hans Jansen, hoofd van de afdeling moderne schilderkunst van het museum, wordt niet vrolijk van het doek. 'Dit schilderij staat, zolang als ik het ken, in het teken van de Tweede Wereldoorlog, deportaties en gaskamers,' zegt hij.

Het klaprozenveld is in 1948 in bruikleen gegeven door de Stichting Nederlands Kunstbezit, de vroege voorloper van de Rijksdienst Beeldende Kunst en het Instituut Collectie Nederland. Volgens Jansen zijn de 'klaprozen' afkomstig uit de verzameling van de joodse kunsthandel Huinck en Scherjon in Amsterdam. Van deze firma is bekend dat ze voor de oorlog en in de eerste twee oorlogsjaren handelde in negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse kunstenaars, vooral Nederlanders.

Jansen vermoedt dat het schilderij van Van Gogh is geconfisqueerd door de nazi's en dat de eigenaren Huinck en Scherjon zijn afgevoerd naar concentratiekampen. Door wiens handen het doek vervolgens is gegaan, of het in de collectie van Hermann Goering, Adolf Hitler of misschien een Duits museum terechtkwam, weet hij niet. Evenmin is hem bekend of na de oorlog de voormalige eigenaren - zo die nog in leven waren - of erfgenamen het schilderij hebben teruggeëist.

Jansen is niet verbaasd over deze lacune in de provenance (de herkomst) van de Van Gogh, en het gebrek aan gegevens over de omstandigheden waaronder de joodse eigenaren destijds hun kunstwerk moesten afstaan. Het Haags Gemeentemuseum heeft nog meer van dergelijke schilderijen in zijn collectie. Een 'mooi schilderijtje' van Leickert, een De Brakeleer, een Van Os. Van geen van de schilderijen weet Jansen de provenance. Op de inventariskaarten staat alleen 'Bruikleen Stichting Nederlands Kunstbezit, 1948'.

Het Haags Gemeentemuseum is geen uitzondering. Alle Nederlandse musea hebben meer en minder kostbare schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken en kunstnijverheid in hun collectie, die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit joods en niet-joods bezit naar Duitsland zijn gevoerd. Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft er, museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Mauritshuis in Den Haag, het Bonnefantenmuseum in Maastricht, het Frans Halsmuseum in Haarlem, het Van Gogh Museum in Amsterdam, de Lakenhal in Leiden, het Groninger Museum, het Dordrechts Museum en het Rijksmuseum Twenthe - om de belangrijkste te noemen.

Onder de schilderijen die in Nederlands openbaar bezit zijn terecht gekomen, bevinden zich meesterwerken zoals Portret van dr. Ephraïm Bueno en Stilleven met Pauwen van Rembrandt (Rijksmuseum), Madonna met Kind van Lucas Cranach (Mauritshuis), Portret van Pater Jan Neyen van Rubens (Noordbrabants Museum), Verdrijving uit het Paradijs van Domenico di Michelino (Bonnefanten), Kruisiging van Cornelis Engelbrechtsz (Boijmans Van Beuningen) en een vroeg zestiende-eeuws drieluik van Barend van Orley (Rijksmuseum Twenthe).

Er zitten ook 'kleinere' meesters bij: diverse Jan Steens, stadsgezichten van Van der Heyden, schilderijen en panelen van vroege Italianen zoals Ghirlandaio, Veneto en Neri di Bicci, schilderijen van Aert van der Neer, Patinir, Poelenburgh, De Momper, Breughel, Saverij, Van Ruysdael, De Heem, Heda en talloos veel Van Goijens. Van sommige van deze schilderijen en panelen kennen de musea de herkomst. Maar van veel ook niet.

In een 'Memorandum betreffende de claims van Nederland betreffende herstelbetalingen van Duitsland' legde de Nederlandse overheid in 1945 vast dat ze circa twee miljard dollar aan schadevergoeding van Duitsland claimde. Bijna 57 miljoen dollar van die twee miljard, zo becijferde het ministerie van Economische Zaken toen, gold uit Nederland weggevoerde kunstschatten. Men registreerde zo'n twintigduizend verdwenen voorwerpen, waaronder 27 Rembrandts, 45 schilderijen van Jan Steen, 40 van Aert van der Neer, liefst 88 van Jan van Goyen, 38 van Rubens en 10 van Van Gogh. Deze schilderijen waren in de oorlog door roof, confisquatie en verkopen terechtgekomen in de kunstcollecties van Hitler, Goering en andere hoge nazi-officieren.

In de eerste jaren na de oorlog recupereerde de vlak na de bevrijding opgerichte Stichting Nederlands Kunstbezit duizenden kunstschatten. Uit archiefonderzoek, verricht bij het Ministerie van Financiën en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, blijkt dat slechts een deel van deze schatten is teruggegeven of terugverkocht aan de rechtmatige eigenaren, of hun erfgenamen. De SNK spoorde niet actief eigenaren of erfgenamen op, maar hield vier niet-openbaar toegankelijke tentoonstellingen - in 1946, 1947 en in 1950. Hiervoor konden particulieren een toegangsbewijs aanvragen bij de Stichting, mits ze ook aangifte van vermissing van een kunstwerk bij de Stichting hadden gedaan.

Voor een groot deel van het herwonnen kunstbezit dienden zich tot op heden geen eigenaars aan. Een flink aantal claims werd bovendien door de SNK niet rechtsgeldig verklaard. Deze kunstwerken werden staatseigendom. De SNK gaf ze in bruikleen aan musea ter verrijking van de collectie, aan ministeries, ambassades en ambtswoningen ter verfraaiing, of men sloeg ze op in depot. Bij uitzondering werden kunstwerken weggeschonken, aan de Canadese bevrijders bijvoorbeeld en aan de Zwitserse regering als dank voor bewezen diensten in de oorlog. Zelfs hield men veilingen van gerecupereerd kunstbezit, in de jaren tussen 1948 en 1953. De opbrengsten vloeiden naar de schatkist.

Op dit moment zijn er nog 3709 'oorlogskunstwerken' in het bezit van het Rijk, waaronder 1492 schilderijen. Van deze schilderijen bevinden zich - naar schatting van het Instituut Collectie Nederland - ruim duizend, de 'topstukken', in Nederlandse musea. Over het 'oorlogsverleden' van deze schilderijen is bij vrijwel geen conservator in Nederland iets bekend.

In Frankrijk is onlangs een groot onderzoek gepubliceerd over 'oorlogskunst' die nog steeds in overheidsbezit is en waar nog nooit een claim voor is ingediend. Vijf grote musea, waaronder het Louvre en Musée d'Orsay, toonden wat ze in huis hadden: ruim duizend schilderijen, tekeningen en kunstvoorwerpen uit voormalig joods en niet-joods bezit.

Wie in Nederland iets over de herkomst van 'oorlogskunst' wil weten, kan het best terecht bij het ICN. Dit instituut bezit niet alleen gegevens over de herkomst, maar ook over de omstandigheden waaronder de schilderijen in rijksbezit zijn gekomen. Dat zegt Evert Rodrigo. Zijn officiële functie is Divisie Hoofd Collectiebeheer in het depot van het ICN in Rijswijk. Hij beschikt over een computerbestand met de herkomstgegevens, voorzover bekend, van de 'oorlogsschilderijen'.

'Deze herkomstgegevens geven wij niet standaard mee aan de musea die bruiklenen van ons ontvangen', zegt Rodrigo. 'We hebben een sluis ingebouwd met informatie die we beschikbaar stellen. Ik vind het geen prettig idee gruwelijke feiten zo maar aan de openbaarheid prijs te geven. Zoals dat een schilderij in de collectie van Adolf Hitler heeft gehangen en dat de eigenaar een kopje kleiner is gemaakt. Dat belast het esthetisch genot dat je van een kunstwerk hebt.'

Conservatoren van musea kunnen, als ze geïnteresseerd zijn of onderzoek doen ter gelegenheid van een tentoonstelling naar de herkomst van een kunstvoorwerp, die informatie opvragen. In de praktijk blijkt dat dit weinig gebeurt. De meeste conservatoren zeggen daarvoor geen tijd te hebben of niet geïnteresseerd te zijn in de herkomstgeschiedenis.

Niet bekend

Bestandscatalogi bieden weinig soelaas. Zo beschrijft het Rijksmuseum in Amsterdam in zijn catalogus van 1976 tientallen schilderijen waarvan de herkomst onduidelijk is en waar alleen specialisten van kunnen vaststellen dat het schilderijen 'met een oorlogsverleden' zijn. Bijvoorbeeld van twee portretten van Maarten van Heemskerck, waar bij de provenance alleen staat dat ze door de gebroeders Katz uit Dieren in 1948 zijn geschonken aan het museum. Wie in archieven gaat speuren, ontdekt dat de joodse firma Katz in de oorlog miljoenen heeft verdiend aan de handel met de nazi's. De firmanten ontsnapten aan de jodenvervolging doordat ze halverwege de oorlog een visum wisten te bemachtigen en naar Zwitserland vertrokken. Na de oorlog is tijdens een geruchtmakende fraude-affaire waarbij de directeur van de SNK betrokken was, bekend geworden dat de gebroeders Katz hun verkochte kunst weer terug mochten kopen voor een geringe prijs. Als dank schonken ze een aantal schilderijen aan het Rijksmuseum.

Zo zijn er meer schilderijen waarvan de herkomst onduidelijk is. Wouter Kloek, hoofd afdeling schilderkunst van het Rijksmuseum, kan niets meer over deze schilderijen vertellen dan wat er in de catalogus staat. 'Wij hebben de informatie niet over de omstandigheden waaronder de kunstwerken destijds naar Duitsland zijn gegaan, en daarna in het bezit van de Nederlandse overheid raakten,' zegt hij. 'We zijn er altijd vanuit gegaan dat dergelijke gegevens werden uitgezocht door de toenmalige Rijksdienst Beeldende Kunst. Wij volstaan met het gegeven dat we het schilderij in bruikleen hebben.'

Dit gebrek aan kennis stelt particulieren die op zoek zijn naar vermiste kunstwerken uit de collecties van omgekomen familieleden, voor grote hindernissen. De Amerikaan Nick Goodman - kleinzoon van Fritz Gutmann, een Joodse bankier en kunstverzamelaar uit Heemstede die met zijn vrouw door de nazi's werd vermoord - zegt aan de telefoon dat hij op zoek is naar nog ten minste vijftien gestolen kunstwerken uit de collectie van zijn grootvader.

In januari van dit jaar onderschepte hij met succes een Portret van een jonge man van Botticelli bij het veilinghuis Sotheby's in New York. Goodman bereidt verder rechtzaken voor over een schilderij van Degas en een van Renoir die nu in handen zijn van een Amerikaanse en Britse verzamelaar.

Niet bekend

De kans dat gerecupereerde kunst zoek is geraakt sinds 1945, is groot omdat er in de loop der jaren veel en vaak met bruiklenen geschoven is. 'Van dergelijke bruikleen-verplaatsingen stellen wij de vroegere eigenaars niet op de hoogte', zegt Evert Rodrigo van het ICN. 'Want wij gaan ervan uit dát er geen voormalige eigenaars zijn. De staat is de jure eigenaar van die kunst. Dus mogen wij ook naar believen schuiven met ons bezit.'

De erven van de Nederlandse bankier en kunstverzamelaar Franz Koenigs betwisten deze de jure-redenering. Koenigs bracht in de jaren twintig en dertig een wereldberoemde verzameling van ruim 2700 tekeningen van oude meesters en 46 schilderijen van onder anderen Jeroen Bosch, Joachim Patinir, Breughel en Rubens samen. Toen Koenigs aan het eind van de jaren dertig in financiële problemen raakte, was hij gedwongen zijn verzameling in onderpand te geven bij de Joodse bank Lisser & Rosencranz.

De bank verkocht in april 1940, onder dreiging van de Duitse inval, de tekeningencollectie en een aantal schilderijen tegen een zeer laag bedrag aan de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen. Van de schilderijen kocht Van Beuningen er twaalf. De andere schilderijen werden na de Duitse inval gekocht door Hitler en Goering. Die schilderijen zijn na de oorlog door de SNK teruggevoerd naar Nederland en als eigendom van de Nederlandse staat in bruikleen afgestaan aan museum Boijmans, dat de schilderijen nog steeds in bezit heeft.

Volgens Christine Koenigs, de kleindochter van Koenigs, had de Nederlandse staat deze doeken niet tot haar bezit mogen rekenen. Zij doet al meer dan drie jaar archiefonderzoek in Nederland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten naar de omstandigheden waaronder haar grootvader van zijn verzameling afstand moest doen. Op advies van Jaap Soesan, voormalig voorzitter van de inmiddels opgeheven Stichting Slapende Joodse Fondsen, heeft zij haar zaak voorgelegd aan de in januari van dit jaar opgerichte Stichting Joods Onteigend Bezit 1940-1945. Deze stichting is onder andere een adviesorgaan van de Commissie van Kemenade, die onderzoek doet naar joodse tegoeden op Zwitserse banken.

Christine Koenigs weerspreekt de opvatting van de Nederlandse overheid dat haar grootvader de collectie vrijwillig heeft verkocht. 'Mijn grootvader heeft de collectie nooit vrijwillig verkocht', zegt ze. 'Hij verongelukte in 1941 en na de oorlog heeft mijn grootmoeder de aangifteformulieren van deze schilderijen verkeerd ingevuld. Daar heb ik bewijzen van. Als Franz Koenigs nog geleefd had na de oorlog, had hij zijn verzameling terug mogen kopen. Ik heb een brief gevonden van na de oorlog, van de toenmalige directeur van museum Boijmans, Ebbinge-Wubben. Er komt een Koenigs-schilderij terug naar Nederland. Ebbinge-Wubben schrijft: ''God, dat schilderij behoort toe aan de erven Koenigs, maar die hebben toch geen geld.'''

Met medewerking van Otto Spronk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden