Kunstwereld houdt publiek voor achterlijk

Moet het oordeel van het publiek een rol spelen in de verdeling van kunstsubsidies? Suggesties in die richting kunnen steevast rekenen op een stekelig onthaal van de kunst-elite....

HANS ONNO VAN DEN BERG

UIT de reacties van de Raad voor Cultuur, van het Fonds voor beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst (beide Forum, 29 november) en het Amsterdams Uit Buro (24 november) op het artikel van Hans Blokland en Nico Konings (Forum, 21 november) blijkt hoe snel de gesubsidieerde kunstwereld op haar teentjes is getrapt.

Blokland en Konings hielden een pleidooi voor meer inbreng van het publiek. De beoordelende adviesraden en commissies zouden niet alleen uit direct betrokkenen ('incrowd') moeten bestaan, maar ook de kunstliefhebbers zelf zouden structureel een plaats in de beoordeling van kunstsubsidies dienen te krijgen. Dit alles met het doel de te eenzijdige nadruk in veel podiumkunsten en beeldende kunst op 'vernieuwing en oorspronkelijkheid' enigszins te kunnen remmen.

Opvallend aan de reacties is het hoge kregeligheidsgehalte ervan. Alsof het nu maar eens uit moet zijn met die eeuwige kritiek op de gesubsidieerde kunsten en al die aantijgingen van kliekvorming. Einde discussie.

In ieder geval lijkt A. Nicolaï het eens met de stelling dat er ooit een probleem was. 'Dat was misschien twintig jaar geleden, nu valt daar weinig meer van te bespeuren', stelt hij. Hij kan ook moeilijk anders want toen hij zes jaar geleden (dus geen twintig) nog bij het ministerie van WVC werkzaam was, schreef hij de notitie Maatschappelijke Respons, waar precies al die dingen waar Blokland en Konings het over hebben, zoals het 'gemis aan maatschappelijk draagvlak' en het 'los raken van de samenleving' van de gesubsidieerde kunsten toen ook door hem en de rest van het ministerie als een groot probleem werden gezien. Is dat nu opeens allemaal over?

Zelf ben ik als adviseur bij de ontwikkeling van die gedachtengang betrokken geweest, en vastgesteld kan worden dat de daaruit voortgevloeide zogeheten 15 procent-maatregel (gezelschappen moeten ten minste 15 procent van hun omzet uit publieksentrees halen, zo niet, dan verminderen we de subsidie) in de uitwerking om zeep is gebracht. Er werden uitzonderingen geformuleerd, er ontstond gestoei over de vraag of sponsorinkomsten en onderlinge betaalde dienstverlening als eigen inkomsten gerekend mochten worden, bureau Berenschot mocht twee keer onderzoek doen, alles met als eindresultaat dat van een aantal podiumkunsten de kwaliteit blijkbaar dermate uitzonderlijk is dat een maatschappelijke respons van 15 procent van de omzet al te veel gevraagd zou zijn.

Het is zeker waar dat er in toenemende mate onderzoek wordt gedaan naar het publieksbereik van de gesubsidieerde kunstinstellingen (Nicolaï), maar bij geen van de fondsen of raden is in de doelstellingen opgenomen dat er met de uitkomsten van dat onderzoek ook iets gedaan moet worden.

Dat is ook voor iedereen met ogen en oren waarneembaar. Ik zal uit elke gesubsidieerde kunstdiscipline een voorbeeld geven.

Nog altijd wordt de openbare weg vervuild met opdrachtkunst die daar is neergezet om ons als passanten te epateren. De stedebouwkundige en architect Ashok Bhalotra heeft om die reden voor de invulling van de openbare ruimte in de wijk Kattenbroek alle kunstenaars die zich ten doel stelden het volk te confronteren, te schokken of te vervreemden, termen die in (post)modernistisch jargon in positieve zin moeten worden opgevat, nadrukkelijk geweerd. Kattenbroek is mede daarom een wijk geworden waar mensen willen wonen, maar één Bhalotra maakt in ons gesubsidieerde kunstklimaat nog geen zomer.

Jenny Arean werd enkele jaren geleden in de jury van de Nederlandse Filmdagen gevraagd, maar, zo wordt gezegd, bedankte na het zien van de eerste selectie voor de eer, omdat zij alle genomineerde (= gesubsidieerde) films te slecht vond. Dit jaar gooide Rijk de Gooyer zijn Gouden Kalf uit het raam van zijn taxi.

Maar deze aan te moedigen acties hebben niet kunnen verhinderen dat de film Antonia van Marleen Gorris met Willeke van Ammelrooy in de hoofdrol kon winnen. Een film die is opgezet als één grote niet ter zake doende flashback, met een als een houten klaas bewegende en op vlakke toon sprekende hoofdrolspeelster, van wie de teksten nog eens worden herhaald door een voice-over, allemaal ingrediënten die onmiddellijk herkend worden als de domme clichés van de kunstzinnige (cult)film, waarbij de kijker voor achterlijk wordt gehouden (alles wordt twee keer gezegd) en door middel van half-filosofische verzen steeds weer uit het toch al niet al te meeslepende verhaal wordt gehaald. Als het maar vervreemdt en niet meeslepend is, dan krijgt het een prijs.

De omroepen werden door minister Brinkman van onvoldoende cultureel gehalte gevonden en dus werden er enkele tientallen miljoenen uit het omroepbudget gehaald en apart gezet in het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties. Wanneer bij de commissies van dit fonds voldoende kwaliteit kan worden aangetoond, kunnen de omroepen (na aftrek van de adviserings- en beheerskosten van het fonds) dit geld voor echte kunst terug verdienen.

Antonia had die kwaliteit blijkbaar, evenals de documentaire Bevroren Koper van Johan van der Keuken over blaasinstrumenten in oud-koloniën, waar om het kunstzinnige gehalte ervan te onderstrepen juist weer helemaal geen enkele tekst in zit, zodat je als kijker niet weet wie waar wat of waarom zit te spelen (een bruiloft?, een geestuitdrijving?) en je het moet doen met sfeerbeelden. Mooie beelden, daar niet van, maar verknoeid door culti gedrag. Documentaires zonder tekst, speelfilms met te veel.

IN de gesubsidieerde beeldende kunst wordt tonnen geld uitgegeven aan de restauratie van Who's afraid of Red, Yellow and Blue van Newman, uitgevoerd door Goldreyer die volledig terecht vaststelt dat het niet uitmaakt of je die vlakken met de roller of met een ingewikkelde tamponeer-techniek herstelt omdat de meeste mensen het verschil niet zien, in elk geval directeur Wim Beeren niet, maar 'de' kunstwereld spreekt er schande van en er valt een wethouder op.

In het toneel wordt een voorstelling als Suiker van Hugo Claus, waar je als toneelliefhebber van denkt: 'Ha, eindelijk, een stuk van een echte toneelschrijver' geheel vernield omdat de produktie (Noord Nederlands Toneel) koos voor toneelspelers met slechts twee uitdrukkingen (schreeuwen en zwijgen) en een decor op postzegelformaat, waardoor je in de zaal (ik zag hem in Maastricht) dacht dat je naar het televisietoestel van je buren zat te kijken.

Ellen Vogel, een actrice die mij al door het optrekken van een wenkbrauw de tranen in de ogen kan doen schieten, wordt bij Toneelgroep Amsterdam gedwongen op de rand van het toneel onbegrijpelijke Spaanse teksten uit te spreken in een voortdurend vervreemdende, confronterende, epaterende voorstelling waar geen touw aan valt vast te knopen. Ik ben daar weggelopen onder de uitroep 'Es tiempo para tomatos', een kreet die mijn buurman wakker schudde.

In de muziek wordt door de zogenaamde Grote Ensembles met niet aflatende hardnekkigheid 'eigentijdse' muziek geprogrammeerd, die alleen in de vijf grote steden publiek van enige omvang bereikt. Ook bij componisten en musici in het moderne circuit lijkt het erop dat een aantal er genoeg van krijgt alleen maar voor elkaar te spelen, maar het verschijnsel van de zelfbevlekkende kunst-kunst, waarvan het vaandel van de 'vernieuwing' sinds Brinkman is vervangen door het nog veel mystificerender vaandel van de 'kwaliteit', is nog verre van uitgestorven. Enzovoort, enzovoort.

Er zijn lichtpuntjes, zelfs in het toneel - waar nog niemand ooit zijn excuses voor het gooien van een tomaat heeft aangeboden - maar de strijd is nog verre van gestreden.

Blokland en Konings hebben volledig gelijk als zij stellen dat deze strijd gestreden moet worden tegen een incrowd. Dat deze incrowd niet alleen uit kunstenaars bestaat, maar ook uit theaterdirecteuren en uitgevers spreekt vanzelf. Die zijn voor een belangrijk deel immers even (staats)afhankelijk als de kunstenaars voor wie zij in naam opereren. Die incrowd bevolkt niet alleen de commissies, fondsen en raden, maar vormt soms ook een substantieel deel van het publiek. Zo bestaat ruim 50 procent van het bezoek aan het Stedelijk Museum uit mensen die zelf werkzaam zijn in de (beeldende) kunst.

'Hoe kun je met niet meer dan 10 procent van de markt de smaak dicteren', vraagt Dales van het Fonds voor de beeldende kunst zich retorisch af. Dat is helemaal niet zo moeilijk als de beoordeling op dat marktsegment door dezelfde mensen geschiedt die op andere plaatsen aankopen doen, musea voor eigentijdse kunst beheren, of prijzen uitdelen. Wie stelt dat door bij subsidies ook met prijstoekenningen rekening te houden 'invloed aan de burger' wordt gegeven, bedot de zaak op een manier die sterk lijkt op de wijze waarop sommige kunstenaars bij de afschaffing van de Beeldend Kunstenaars Regeling aan de eigen inkomsten-eis voldeden, namelijk door werk van elkaar te kopen.

De incrowd bevolkt ook de jury's van de diverse prijzen. Frans de Ruiter (directeur van het Koninklijk Conservatorium) zit in enkele tientallen besturen en commissies en beïnvloedt vanuit die positie de toekenning van prijzen aan Reinbert de Leeuw en het Schönbergensemble en dicteert als bestuurslid van de Stichting Oude Muziek een nieuwe koers waarin nu ook de nieuwe muziek geprogrammeerd dient te worden. Door toedoen van Elmer Schönberger en Arthur Sonnen, de laatste ooit onder De Ruiter theaterprogrammeur van het Holland Fesfival en nu onder andere werkzaam bij de internationale theateropleiding in Maastricht, kreeg De Ruiter onlangs de Sphinx Cultuurprijs. Voor welke verdienste? Voor al zijn bestuurslidmaatschappen?

Het Amsterdamse Fonds voor de Kunsten, verantwoordelijk voor de jaarlijkse uitreiking van maar liefst zeventien kunstprijzen, verschaft deze aan kunstenaars waar het publiek nog nooit van gehoord heeft en naar alle waarschijnlijkheid ook nooit zal horen, prijzen waarvan de meeste zijn vernoemd naar kunstenaars zoals de componist Matthijs Vermeulen, wiens werk vrijwel nooit meer gespeeld wordt omdat het publiek, en onder hen ook of juist de muziekliefhebbers, de kwaliteit ervan ver onder de maat vindt.

Jan van Vlijmen, bij het Haags Conservatorium de voorganger van Frans de Ruiter en nu bij het Holland Festival diens opvolger, haalt Karl Heinz Stockhausen naar Nederland om deze een aantal helikopters te laten dirigeren, terwijl Frans de Ruiter hem voor een workshop naar het conservatorium haalt. Elmer Schönberger werkte bij Van Vlijmen toen deze nog directeur van de Opera was. Hoezo 'geen sprake van incrowd'.

NIET alle gesubsidieerde kunst heeft zich van het publiek vervreemd. Het modernisme in de kunsten, dat de doelstelling van de 'vernieuwing' van het overheidsbeleid voor zijn rekening nam, is op zijn retour, maar de zelfverheffende pretenties ervan hebben onder het kleed van de 'kwaliteit' in veel opzichten een nieuwe dekmantel gevonden. En alle mooie woorden van Aad Nuis in Pantser of Ruggegraat over 'de markt' kunnen niet verhelen dat het kunstbeleid van de overheid op een aantal gebieden de ivoren kelder (Bert Blanken) alleen nog maar hermetischer sluit.

Het 'op afstand zetten' van het beleid door fondsen en dergelijke in te richten, geeft de beoordeling nog meer in handen van de professionals, de incrowd, en plaatst deze nog verder van de 'gewone kunstminnaars' af, want die zitten niet in de commissies en raden.

De gemeente Amsterdam geeft op dit moment vier ton uit aan een haalbaarheidsstudie voor de bouw van een vlakke vloertheater voor Toneelgroep Amsterdam, te bouwen aan het IJ. De 'vlakke vloer' in theaterland is een modegril uit de jaren zeventig en tachtig. Erger nog is dat volstrekt onduidelijk is wat er 'haalbaar' moet zijn. De naar mijn smaak holle pretenties van Toneelgroep Amsterdam, i.c. Gerard Jan Reijnders, met repertoire dat de achthonderd stoelen van de Stadsschouwburg nauwelijks vol kreeg en die nu aarzelt over de vraag of hij daar twee of drie zalen wil hebben. Of moet er ook publiek worden gehaald?

Op rijksniveau wordt nu een spastisch circus opgevoerd waarbij door middel van convenanten, het toverwoord van het modern overheidsbeleid, de verlaging van de btw voor de kunsten niet aan het publiek ten goede mag komen, maar gebruikt moet worden voor produktie- en afnamefondsen, waar de zoveelste commissie van 'producenten, directeuren e.d.' gaat beoordelen welke theaters en welke podia extra geld mogen krijgen bij voldoende 'kwaliteit'.

Als Joop van den Ende erin slaagt zonder een cent subsidie een musical-theater in Scheveningen te runnen, wanneer kamermuziekgezelschappen, jazzgroepen, cabaretiers, vrije toneelproducenten er zonder subsidie in slagen produkties van enkele artiesten tot en met casts van tientallen acteurs, musici en technici langs halfgesubsidieerde theaters en concertzalen door het hele land te laten trekken, dan is het voor een gezelschap dat voor meer dan 80 procent van zijn exploitatie wordt gesubsidieerd toch wel erg bar dat uit de entreegelden niet eens de reiskosten kunnen worden terugverdiend en dat daar vervolgens aparte fondsen voor moeten worden ingericht.

Nog altijd verschaffen veel subsidies kunstenaars een inkomen ver voordat de prestatie voor een publiek geleverd is. De toekenning vindt plaats op grond van kwaliteitsoordelen vooraf. Dat dit mogelijk is, is een groot goed. Maar als de subsidie eenmaal is verworven, eist de subsidiënt zelden meer dan de produktie van het werk (schilderij, muziekstuk, toneelstuk) en soms de vertoning, maar zelfs die niet eens altijd.

Dat er ook iemand komt kijken of luisteren, speelt bij te veel toekenningen nog altijd een ondergeschikte rol. Die aanwezigheid van publiek kan alleen maar worden afgedwongen door een minimaal bezoek (of minimale inkomsten) te eisen of door degenen die na afloop geacht worden te komen kijken ook vooraf al een plaats in de beoordeling te geven. Bij veel kunstbeleid is geen van beide het geval. De oorlog tegen de holle pretenties is voorlopig nog lang niet afgelopen, laat staan gewonnen.

Hans Onno van den Berg is onderzoeker en adviseur, werkzaam onder de bedrijfsnaam Cenario, en docent kunst en kunstbeleid aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden