Kunstcircus

Onder de noemer Pompidou mobile brengt het museum topstukken naar de uithoeken van Frankrijk. In een tent. 'Het is een spoedcursus kunst.'

Alsof het circus is neergestreken in Chaumont - zo ziet het eruit. Een circus zonder trapezewerkers wel te verstaan, zonder leeuwen ook en zonder clowns. Vooruit, met één acrobaat dan toch, de Papa Gymnastique van Jean Dubuffet. En daarnaast, dat vooral, nog dertien artiesten, beroemd genoeg om publiek uit de wijde omtrek te trekken.


Pompidou Mobile, dat is de luchtige titel van deze nieuwe buiging van het Parijse megamuseum naar zijn hooggeëerde publiek - een maand nadat Pompidou-Metz, de eerste dependance in de provincie, zijn miljoenste bezoeker verwelkomde. De roodblauwe tent huisvest een reizende expositie, die de beeldende kunst van de 20ste eeuw moet brengen naar plekken waar doorgaans in de verste verte geen kunst te bekennen is. En waar de mensen wonen


(50 procent van de Fransen, zegt een woordvoerder van Pompidou) die nog nooit een museum van binnen zagen.


Het project is een oude droom van Alain Seban. Een nomadisch museum dat topstukken brengt naar de uithoeken van het land, dat was wat hem voor ogen stond in 2007, bij zijn aantreden als directeur van het Centre Pompidou, het Franse museum voor moderne kunst. Een architectuurprijsvraag werd uitgeschreven, bedrijven legden de 2,5 miljoen euro bij elkaar die het project zou kosten.


Het idee is simpel: gemeenten die Pompidou Mobile willen ontvangen, moeten 200 duizend euro op tafel leggen. Dat is het leeuwendeel van de kosten om de reizende expositie op te bouwen, drie maanden draaiende te houden en vervolgens weer af te breken. Ze worden ook geacht te zorgen voor het terrein, voor water en elektra. De toegang is gratis. Overdag kunnen de scholen komen, 's avonds en in de weekeinden is er vrij toegang. In Chaumont, een afgelegen stadje in de Haute-Marne, op 250 kilometer ten zuidoosten van Parijs, slaat het plan alvast aan. Al ver voor de opening is de expositie volgeboekt.


Eenvoud is een leidend beginsel bij dit project. Veertien werken, meer niet, zijn er te zien. Die werken zijn wel van hoge kwaliteit: Frantisek Kopka (La gamme jaune), Pablo Picasso (Femme en bleu) en Henri Matisse (Nature morte au magnolia) vormen een geel-blauw-rode verwelkoming. Dan volgt Georges Braque, waarna het de beurt is aan de abstractie: Yves Klein, Yaacov Agam, Josef Albers.


In de tweede zaal wordt het kleurgebruik grilliger, met Fernand Léger en Alexander Calder, die het begrip mobiel naar een ander plan brengt. Sonia Delauney en Olafur Eliasson vormen in het voorlaatste zaaltje een verrassend duo. Waarna Niki de Saint-Phalle en Bruce Nauman een feestelijk slotakkoord verzorgen. Bij elkaar een spoedcursus moderne kunst, met de nadruk op kleurgebruik. 'Het was bijzonder, ik mocht met een verlanglijst door die collectie van zestigduizend werken lopen', vertelt conservator Emma Lavigne. Ze heeft gezocht naar werken die door een direct zintuiglijke uitwerking kinderen kunnen aanspreken. 'Met een zekere verleidelijkheid heb ik wel rekening gehouden. Ik heb geprobeerd uit te rekenen wat deze veertien werken waard zijn', vertelt Lavigne. 'Maar ik kom er niet helemaal uit: het moet vele tientallen miljoenen euro's zijn. Ze zijn goed beveiligd, goed verzekerd, goed geconserveerd ook. En toch, zoiets kan alleen omdat het nationaal erfgoed is. Deze kunst is van iedereen, het is geen handelswaar, niet iets dat je in de kluis stopt totdat het nog meer waard is en kan worden verkocht. Juist dat maakt dit project passend: dit is geen luxe warenhuis, geen theater, maar een simpele tent.'


Ook de presentatie is van een grote eenvoud. De wanden zijn stralend wit, het frame van stalen buizen wordt niet verhuld, de buizen voor de temperatuurregeling al evenmin - inderdaad, net als bij het Centre Pompidou in Parijs. De stijl doet ook denken aan Pompidou Metz: licht, zichtbare techniek, en met een ingebouwde relativering; hier wordt niet gewichtig gedaan. De werken hangen - prachtig uitgelicht - achter onbreekbaar glas, dat tegelijk als brandkast dienst doet; je kunt er met je neus bijna bovenop staan.


'Het laatste wat we wilden was als een Parijse ufo op het platteland landen, met iets wat zou imponeren door z'n technologie en blingbling', zegt architect Patrick Bouchain. Hij bedacht de constructie: drie vliegervormige tenten, op spanning gehouden met grote blauwe zakken, door de plaatselijke brandweer te vullen met water.


'In zekere zin gebruiken we de principes van een partytent', vertelt hij. 'Maar hier wordt gewerkt met dubbel doek. Tussen die doeken lopen de luchtstromen die de temperatuur regelen. Het is een simpele constructie. We hechten er aan dat het opbouwen en afbreken gebeurt door mensen uit de buurt.'


Pompidou Mobile zet na Chaumont zijn tenten op in Cambrai in het hoge noorden. Daarna volgt vissersstad Boulogne-sur-Mer, aan het Kanaal. Vervolgens is Libourne in het zuidwesten aan de beurt. Ook Le Havre en Nantes hebben zich aangemeld. Overal staat de expositie drie maanden. Tien vrachtwagens komen voorrijden om de honderd ton materiaal te vervoeren. Het opbouwen kost een ploeg van achttien man twaalf dagen, voor het afbreken staat zes tot acht dagen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden