Kunst van het afkijken

Hugo, de nieuwe film van Martin Scorsese, is genomineerd voor elf Oscars. Het is misschien wel zijn meest persoonlijke film ooit en een hommage aan de filmgeschiedenis. Cinefiel Scorsese ademt en leeft films.

Wanneer Hugo Cabret hoort dat zijn nieuwe vriendinnetje Isabelle nog nooit een film heeft gezien, is hij verbijsterd. Isabelle is, net als de weesjongen Hugo zelf, een jaar of twaalf. En dan is ze nog nooit naar de bioscoop geweest? Dat kan niet. Meteen neemt hij haar mee.


Ze sluipen - zonder kaartje - een bioscoopzaal in. De film die er draait is Safety Last! uit 1923 van Harold Lloyd, met de beroemde scène waarin de komiek aan een wolkenkrabber blijft hangen door de wijzers van een grote klok vast te grijpen. Isabelle kijkt haar ogen uit. Voor het eerst ervaart ze de magie van cinema. Het is alsof ze zelf aan die klok bungelt, hoog boven het verkeer op straat.


Hugo, de eerste familiefilm van Martin Scorsese (én zijn eerste film in 3D), lijkt zo op het oog misschien niet de meest persoonlijke film van de regisseur: het is een groots opgezette avonturenfilm die zich afspeelt in het sprookjesachtige Parijs van 1931. En Scorsese, die verbinden we eerder met het rauwe, gewelddadige New York zoals hij dat liet zien in films als Taxi Driver (1976), Bringing Out the Dead (1999) of Gangs of New York (2002).


Scorsese, dat is de man die met zijn films over kleine en grote gangsters, zoals Mean Streets (1973) en Goodfellas (1990), uit eigen ervaring sprak: die gangsters, dat waren de vrienden en buurtjongens met wie hij opgroeide in Little Italy, een wijk in Manhattan waar de maffia de dienst uitmaakte.


En toch is Hugo ook een beetje een zelfportret. Die jongen in de bioscoop, dat is Scorsese zelf: zo gek op film dat hij iedereen om zich heen ermee besmet. En net als bij Hugo begon die filmliefde bij Martin Scorsese in zijn vroege jeugd. Als 4-jarig jongetje werd hij al door zijn vader meegenomen naar de bioscoop, minstens twee keer in de week. Ze zagen alles wat er draaide: van westerns tot romantische drama's waar de jonge Scorsese nog veel te klein voor was, maar waar hij evengoed ademloos naar keek.


Op 69-jarige leeftijd geldt Scorsese als een van de belangrijkste hedendaagse regisseurs. Zijn oeuvre is rijk en veelzijdig: het omvat niet alleen gangsterfilms, maar ook komedies, thrillers, kostuumdrama's en muziekdocumentaires. Hij maakte meesterwerken als Raging Bull (1980), publiekslievelingen als The Color of Money (1986) en Cape Fear (1991) en won een Oscar voor The Departed (2006). Met zijn brede interesse en tomeloze werklust -


22 speelfilms, plus enkele tientallen documentaires en korte films staan er op zijn naam - laat hij zich moeilijk vastpinnen.


Maar als er één woord is dat Scorsese als regisseur kan definiëren, dan is het: cinefiel. Hoewel het woord in zijn geval niet helemaal de lading dekt; Scorsese een filmliefhebber noemen, is zoiets als stellen dat een alcoholist wel van een slokje houdt. Film is voor hem veel meer dan een liefhebberij; Scorsese ademt en leeft films. Het is bij hem zoals Frank Capra het ooit zei: 'Film is een ziekte. Het werkt net als heroïne. Het enige wat er tegen helpt, zijn meer films.'


Over het ontstaan van die ziekte heeft Scorsese al vaak in interviews verteld. Hoe hij, kleinkind van Siciliaanse immigranten in New York, in zijn jeugd zwaar astmatisch was. Sporten zat er voor hem niet in, en daarom ging hij extra vaak naar de film. Het werd zijn venster op de wereld - en bovendien de uitweg naar een betere toekomst. In het ruige Little Italy had je grofweg twee carrièremogelijkheden: je werd gangster, of je werd priester. In de bioscoop ontdekte Scorsese een derde carrièrepad: dat van filmmaker.


Alle films die Scorsese op jonge leeftijd in de buurtbioscoop zag -Duel in the Sun (1946) bijvoorbeeld, van King Vidor - maakten een onuitwisbare indruk. Daarnaast waren er nog de films op televisie. Zijn ouders waren de eersten in het blok met een eigen zwart-wittoestel, waarvoor de hele familie zich verzamelde wanneer er, speciaal voor de grote Italiaanse populatie in New York, films van Vittorio De Sica of Roberto Rossellini werden uitgezonden.


Scorsese vertelt erover in de twee lange documentaires die hij over filmgeschiedenis maakte: A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies (1995) en Il mio viaggio in Italia (1999). Daarin toont hij zich een bevlogen filmdocent die met gemak persoonlijke herinneringen koppelt aan bijzondere filmfeiten. Zoals altijd is hij openhartig over de manier waarop hij zich door andere regisseurs liet beïnvloeden. Federico Fellini's I vitelloni (1953), zegt hij bijvoorbeeld, was de grote inspiratiebron voor zijn eigen doorbraakfilm Mean Streets.


Allebei de documentaires, verkrijgbaar op dvd, zijn verplichte kost voor wie ook maar enigszins van film houdt. Een beetje duizelingwekkend is het wel: de rap pratende, bijna over zijn tong struikelende Scorsese springt van het ene naar het andere fragment, puttend uit een schijnbaar alomvattende filmkennis. En toch: als het om Scorseses filmobsessie gaat, lichten zijn twee documentaires nog maar een tipje van de sluier op.


Hoe erg het echt met zijn filmgekte is gesteld, wordt pas goed duidelijk in het recentelijk verschenen boek Scorsese on Scorsese. Schrijver en filmhistoricus Michael Henry Wilson, die ook meewerkte aan A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies, bundelde alle interviews die hij in meer dan dertig jaar tijd met de regisseur over diens werk voerde.


Het zijn interessante, wonderlijke gesprekken. Om de haverklap duikt weer een nieuwe filmtitel op: Scorsese kan geen vraag over zijn eigen werk beantwoorden zonder op zijn minst naar drie andere regisseurs te verwijzen. Een wandelende filmencyclopedie is hij, die feilloos naar bepaalde shots of scènes verwijst, en precies benoemt waarom ze voor hem belangrijk waren.


'Ken je Stuart Heislers Blue Skies?', vraagt hij bijvoorbeeld. 'Ik heb veel nagedacht over het hoofdpersonage in die film, in relatie tot Robert De Niro's personage in New York, New York. Pal Joey is trouwens ook een interessante film in dat opzicht. O ja, en de vormgeving van de credits heb ik geleend van Raoul Walshs The Man I Love.'


Scorsese on Scorsese geeft ook een aardig inzicht in de manier waarop de regisseur films verorbert. Hij kijkt ze in zijn eigen screeningruimte, waar absoluut niemand hem tijdens een film mag komen storen ('met mensen die het heiligdom van de screeningruimte niet respecteren, kan ik niet werken'). Hij kijkt ze ook thuis, op meerdere schermen tegelijk, heen en weer lopend van film naar film. En hij kijkt ze rustig tientallen keren opnieuw. Want waarom zou je een symfonie van Beethoven wel vijftig keer kunnen beluisteren, maar een meesterwerk van Michael Powell maar één keer mogen zien?


Ook zijn acteurs ontkomen niet aan Scorseses passie. Voor het maken van een film van start gaat, staat er steevast een mini-filmfestival op het programma. Zo keek Leonardo DiCaprio voor de opnamen van Shutter Island (2010) verplicht naar onder meer Out of the Past (1947), Bedlam (1946) en Laura (1944), oude detectives en thrillers die hem duidelijk moesten maken hoe hij moest bewegen.


Waarom een regisseur van zijn niveau nog altijd voor inspiratie naar films van anderen moet kijken? Voor Scorsese is het antwoord simpel. Hij geeft eerlijk toe dat hij graag de kunst van zijn voorgangers afkijkt. 'Vergelijk het met de schilderkunst', zegt hij in Il mio viaggo in Italia. 'Van de oude meesters kun je leren. Ik voel me nog altijd een student. Hoe meer films ik maak, hoe meer ik me realiseer dat ik niks weet.'


Het klinkt misschien als valse bescheidenheid, maar arrogantie lijkt Scorsese vreemd. Onder collega's en acteurs is hij geliefd; er is geen ster te vinden die niet graag met de kleine, energieke regisseur wil werken.


Scorseses oprechte passie voor de filmgeschiedenis blijkt ook uit Hugo, beloond met maar liefst elf Oscarnominaties. De film is meer dan een spannend jongensavontuur in 3D; het is ook een liefdesverklaring aan de cinema. Het hart van de film draait om een van de grote pioniers van de filmkunst, Georges Méliès, die tussen 1896 en 1912 honderden fantasievolle korte films maakte.


Met een aanstekelijk plezier laat Scorsese de filmstudio van Méliès herleven. Films vol draken, zeemeerminnen en andere wonderlijke wezens maakte de Fransman. Zijn achtergrond als goochelaar was duidelijk zichtbaar. Mannen zonder hoofd, verdwijnende dames, dansende skeletten - Méliès bracht het als eerste op het witte doek - vaak voor een verbijsterd publiek.


En zo is Hugo een hommage van de ene grote filmmaker aan de andere. Maar Scorsese eert niet alleen Méliès. Ook andere vroege filmkunstenaars krijgen in Hugo een eerbetoon: zo komen filmfragmenten van de gebroeders Lumière, Buster Keaton, Charlie Chaplin en Douglas Fairbanks voorbij. En daarnaast zijn er nog de minder openlijke verwijzingen. Die naar René Clairs Sous les toits de Paris (1930) bijvoorbeeld, te zien in de manier waarop Scorsese Parijs van bovenaf laat zien.


Films moeten gezien, herinnerd en bewaard worden, dat is wat Hugo duidelijk maakt. Films kunnen levens veranderen, zoals dat bij Scorsese zelf gebeurde toen hij als 10-jarige jongen besefte wat hij later wilde worden. En filmmakers zijn goochelaars, die ons de krachtigste illusies kunnen voorschotelen. Al zijn ze meer dan honderd jaar oud, films kunnen blijven inspireren.


Het mooie is dat Scorsese voor die boodschap de modernste technieken gebruikt. Zoals een goochelaar altijd op zoek is naar de allernieuwste trucs, zo rekt de regisseur de mogelijkheden van 3D op. De geschiedenis koesteren is niet hetzelfde als erin blijven hangen; dat is wat Scorsese, met zijn onstilbare kijkhonger en fenomenale cinematografische geheugen, ook laat zien.


boek: michael henry wilson: scorsese on scorsese. cahiers du cinema. isbn 978.2866.427.023 € 59,95.

EXTRA: HOMMAGE


Hugo is naast een spannend jongensavontuur een liefdesverklaring aan de cinema, en met name aan de Franse filmmaker George Méliès (rechts beeld uit zijn film Le voyage dans la Lune, Foto Photo12), die tussen 1896 en 1912 honderden korte films maakte. Scorsese brengt de filmstudio van Méliès, vol draken, zeemeerminnen en andere wonderlijke wezens, tot leven. Méliès' achtergrond als goochelaar was duidelijk zichtbaar in zijn werk. Hij was de eerste die mannen zonder hoofd, verdwijnende dames en dansende skeletten op het witte doek bracht.


EXTRA: ZELFPORTRET


Net als het hoofdpersonage Hugo, was Scorsese als kleine jongen al zo gek op film dat hij iedereen om zich heen ermee besmette. Als 4-jarig jongetje werd hij door zijn vader al minstens twee keer per week meegenomen naar de bioscoop. Ze zagen alles wat er draaide: van westerns tot romantische drama's. Op de foto rechts is Scorsese op de filmset te zien met de jonge acteur Asa Butterfield (Hugo).


Foto Jaap Buitendijk


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden