Kunst maken uit ijle lucht

Sommige meesterwerken uit de wereldliteratuur valt het privilege ten deel dat ze nooit zonder bepalend lidwoord worden genoemd. We spreken over Blauwe maandagen en Awater, maar ontzag doet ons gewagen van De Oidipous, De Max Havelaar en De Decamerone....

Door zijn nieuwe bundel de ondertitel 'De grote gedichten' mee te geven, plaatst Ilja Leonard Pfeijffer zich niet alleen in dit illustere rijtje, ook suggereert het lidwoord dat er al jaren op dit grootse werk werd gewacht. Er zijn twee mogelijkheden, die elkaar geenszins uitsluiten: óf hij meent het, óf hij maakt een grap.

Grappen maken is Pfeijffers specialiteit. Zo opende de bundel Het glimpen van de welkwiek (2001) met een bijzonder geestige vertaalde 'gebruksaanwijzig', kan men de roman Rupert (2 0 02 ) niet dan schuddebuikend lezen en is He t grote baggerboek (2004) een uit de hand gelopen flauwiteit, die dan ook zowel bewondering als irritatie heeft gewekt. In zijn eigen krant, NRC Handelsblad, werd Pfeijffer onlangs frontaal aangevallen door collega-poëziecriticus Guus Middag, en menige dichter kan men horen verzuchten dat Pfeijffers recensies altijd alleen maar over hemzelf gaan. Pfeijffer is een arrogante vlerk die overal een show van maakt. Er is dus alle reden In de naam van de hond met enige argwaan open te slaan.

Je behoeft maar een paar bladzijden te lezen om te zien dat de dichter weer alles uit de kast heeft gehaald om zijn lefer: zers te imponeren. De bundel begint met een citaat van Vergilius ('Laten wij nu de wat grotere dingen bezingen') en in het wijd uitwaaierende openingsgedicht met de pompeuze titel 'Europa' herkent de geschoolde lezer toespelingen op Homeros, Ovidius en Aristophanes. Pfeijffer gooit met 'quidditas rerum' (de watheid der dingen), 'zusammenvernibelungter seelenschmerzlichkeit' en verzonnen Grieks dat 'zijwind rondom waar men neerzet' zou kunnen betekenen. In een ander gedicht citeert hij de geniale wijsheden van de loser To t o : voor mij is het iets van dat ik iets heb van dat er ergens iets is

Kortom, Pfeijffer heeft zijn trukendoos weer als vanouds opengetrokken. Maar betekent dat ook dat het slechte poëzie is?

Helemaal niet. Er zijn weliswaar momenten waarop Pfeijffer zich veel te veel laat gaan, de ene woordspeling na de andere spuit en niet uitgebrald raakt over de onbereikbaarheid van een geliefde, maar het boek staat als een huis. Na 'Europa', dat als megalomane drempel fungeert – de spreker is immers niemand minder dan Zeus – volgen vijftien gedichten, waarvan het eerste correspondeert met het laatste, het tweede met het op een na laatste, enzovoort. Het middelste gedicht is een in half Duits, half Nederlands opgevoerde circusvoorstelling vol toespelingen op Plato, Rilke, Roland Holst en de 'Todesfuga' van Paul Celan. De spreekstalmeester is de duivel, de dood, God en de dichter tegelijk: 'op thermiek van grootsgesperd ogen maakt hij kunst uit lucht/uit ijle lucht zonder vangnet uit uitstel van zekeren val.'

Deze regels herinneren aan Pfeijffers credo dat poëzie gevaarlijk moet zijn. Gevaarlijk is deze bundel nergens, hoogstens waar hij de aanblik van een vrouw als 'ademloos auschwitz' beschrijft, wat vooral een provocatie is. Niet gevaarlijk dus, maar wel geestig, vindingrijk, beeldrijk en swingend, en –-voor de liefhebbers – een paradijs van intertekstualiteit. Hier is de ontheemde en geseculariseerde mens op zoek naar zingeving: trachten bleke lippen oude zang en namen om te fluisteren bij het vuur/sturen wij pasfoto's van onszelf in goud naar verre sterren/bellen wij op naar de melkweg zoeken zin in vergeten gebaren ('. . .) en toen wij eindelijk huilden brak er onweer los boven de stad.' Dit is het begin van een rondeel dat voorkomt in 'een nieuw belgisch volkslied': ik wil vanmiddag laat naar noorder dokken als schemer druilt op het verroest perron op grijze sokken staan in beige schoenen ik wil vanmiddag laat naar noorderdokken De regel 'ieder krijgt dorst van een land dat bedacht is' correspondeert met 'ieder krijgt dorst van een land dat te groot is' uit het gedicht 'hoe ik moe werd van mijn russische ziel'. Ook in dit opzicht is Pfeijffer ambitieus: hij wil geheel Europa, van Moskou tot Oostende en van Sicilië tot Sint-Petersburg, omvatten 'en sowieso dreigt dit gedicht wat al te/intimiderend uit te pakken'.

De hond uit de titel, die zowel Kerberos als Skylla, zowel Sirius als de hond van Odysseus, zowel een weerwolf als een ergerlijk keffertje is, blaft, jankt en kwijlt in vrijwel ieder gedicht. Soms zou je het beest kunnen kelen. Soms krijgt zelfs Pfeijffer genoeg van zijn eigen gebalk en schrijft hij ineens teder en ingetogen: 'ik zal voor altijd in je naam bestaan.' Maar ook hier ontbreekt de dubbele bodem niet: de geliefde is een teef.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden