'Kunst mag geen wereldsoep zijn'

'Fransen zijn serieus, en merkwaardig pessimistisch', zegt Henk Pröpper. Hij werkte zeven jaar op het Institut Néerlandais in Parijs en gaat nu vanuit Amsterdam de Nederlandse literatuur wereldwijd onder de aandacht brengen....

Ja, Amsterdam, zijn stad, is wel veranderd in de acht jaren dat hij in Parijs woonde. 'De auto's zijn groter, de restaurants duurder, de mensen zelfverzekerder. Verwender, misschien ook, gericht op uiterlijkheden en met weinig oog voor de medemens. En waren de mensen op straat altijd al zo onbehouwen? Het begon mij eind jaren negentig op te vallen, als ik hier af en toe was: die enorme rijkdom, die snel gedemocratiseerd raakte. Ineens was iedereen hier hartstikke rijk. Ach, nu ik hier weer zit, is de recessie ingetreden. Het enige wat ik voorlopig mis, is de Franse lunch. Lekker eten, en dan met iemand leuke plannen maken, iets construeren. Dat moet ik opnieuw leren bij een broodje kaas.'

Henk Pröpper (45) is terug. Bijna zeven jaar werkte hij op het Institut Néerlandais, met een soortgelijk huis in Jakarta het enige buitenlandse instituut waar Nederland zijn cultuur een gezicht geeft. De afgelopen vijf jaar was hij er directeur. Hij bracht nieuw leven in het huis. Niet alleen presenteerde hij er belangrijke en vernieuwende kunst, hij organiseerde ook vele debatten over onderwerpen als euthanasie en migratie.

En nu, per 1 september, zet Rudi Wester zijn werk aan de Rue de Lille voort, en zit Pröpper op háár grote kamer aan het Singel in Amsterdam, te midden van de duizenden boeken die door de bemiddeling van het Nederlands Literair Productie en Vertalingen Fonds in 45 talen werden vertaald.

Wester en Pröpper lieten beiden een bloeiend huis achter. En ja, eerst de Nederlandse cultuur naar Frankrijk halen, en nu de Nederlandse literatuur over de wereld helpen verspreiden - er zit logica in. Zoals er logica zit in de hele carrière van Pröpper. De Nederlandse identiteit houdt hem bezig. Al in 1995, voordat hij vermoedde dat hij deze twee banen ooit zou krijgen, schreef hij er een boek over, Waterlanders - Bespiegelingen over de moraal van Nederland.

'Identiteit fascineert me', zegt hij. 'Maar clichés dreigen altijd als je erover schrijft. Waterlanders was bedoeld als een aanslag op die clichés over de Nederlander, door ze uit te vergroten probeerde ik ze te ondergraven.' De eigenheid van onze cultuur, merkte Pröpper, zie je vooral scherp in de buitenlandse reacties erop. Onlangs stelde hij voor Frankrijk met Erik Lindner een bloemlezing samen van Nederlandse poëzie, en hij ontdekte dat die dichters verbazen door hun grote plezier in het observeren. 'De Franse poëzie is erg beschouwelijk, en soms daardoor steriel. K. Michel, Tonnus Oosterhoff, om zulke dichters moeten de Fransen verschrikkelijk lachen. Ze bewonderen het spel met de taal, en de vrolijkheid.'

In het contrast ontwaarde hij de eigenheid, telkens weer. 'Fransen zijn serieus, en merkwaardig pessimistisch. Natuurlijk, Nederlanders houden van klagen, maar in wezen zijn wij aartsoptimisten. In internationale opiniepeilingen springen wij er altijd uit als het meest optimistische volk van Europa. En wij gunnen elkaar ruimte van denken. Die tolerantie is heel bijzonder, dat realiseren we ons niet voldoende.'

Natuurlijk, geeft hij toe, wij kloppen ons graag op de borst als het gaat om de manier waarop wij hier onze zaakjes geregeld hebben. En we weten dat we de eersten zijn met vooruitstrevende wetgeving op het gebied van euthanasie, abortus en het homohuwelijk. 'Maar noem het geen nationale identiteit. Dat enge begrip doet ons te veel aan de Tweede Wereldoorlog denken. Fransen hebben zich traditioneel altijd aan hun identiteit geketend, terwijl wij ons altijd wilden óntketenen. In Frankrijk is ''de grond'' bijvoorbeeld een belangrijk thema in de literatuur. In Nederland heet een boek daarover al gauw een streekroman.'

In de ogen van de Fransen, zegt Pröpper, is Nederland een 'sociaal laboratorium'. 'Zij bewonderen ons vermogen om grote thema's op een simpele manier in de samenleving behandeld te krijgen. In Frankrijk is de debatcultuur sterk ontwikkeld, maar vooral als het gaat om politieke vraagstukken. Sociaal-ethische onderwerpen lagen gevoelig. Maar de laatste jaren zie je een kentering. Fransen hebben een enorme behoefte gekregen om na te denken over thema's die ons allemaal aangaan, en langzaamaan zie je dat er ruimte komt om over taboe-onderwerpen te praten. Ik denk dat Nederland daarin een belangrijke rol heeft gespeeld.'

Confrontatie, dat is wat hij beoogde met zijn colloquia in het Institut Neérlandais: 'Ik wilde de Fransen hun geweten laten heroverwegen, en bij de Nederlanders de trots op onze 'producten' - wij zien alles als 'product', ook euthanasie - ondergraven. De morele superioriteit wilde ik confronteren met Franse twijfel. Dat werkte.'

Wij op onze beurt kunnen weer leren van het Franse cultuurbeleid, vindt Pröpper. 'In Frankrijk is het beleid om kleinere culturen te ondersteunen. Natuurlijk, dat doen ze om zich te verdedigen tegen de Angelsaksische hegemonie. Maar ook omdat ze van sommige buitenlandse kunstenaars verwachten dat zij een verrijking zijn van hun cultuur. Disciplines als fotografie, design en architectuur zien ze als zwak in eigen land, dus die halen ze binnen.'

Pröpper zou dat graag in Nederland zien gebeuren. 'Wij hebben hier ongelooflijk veel goede kunstenaars, maar als cultureel centrum zijn we totaal weggezakt. Het Stedelijk Museum in Amsterdam was vroeger een plek waar buitenlandse kunstenaars gezien wilden worden. Dat is allang niet meer zo, en het geldt niet alleen voor het Stedelijk. We moeten de spirituele, en financiële ruimte scheppen om opnieuw een centrum te zijn.' Dat zal nog niet meevallen, vreest hij. 'Ik had het geluk in een land te zitten met een simpele, hiërarchische bestuurlijke structuur. Als daar één of twee ambtenaren beslissen dat Nederland ''zwaartepunt'' is, nou, dan is dat zo. In Nederland moet er in allerlei commissies over vergaderd worden. Maar als we niet opletten, zijn we straks echt een provincie.'

Met onze schrijvers kunnen we in ieder geval in het buitenland goed voor de dag komen. Harry Mulisch, Hella S. Haasse en Cees Nooteboom zijn inmiddels onze grote 'internationale drie'. En terecht, zegt Pröpper: 'Hun werk is erudiet, spiritueel, getuigt van een brede kosmopolitische blik. En zij zijn mensen die zich makkelijk overal bewegen, als zij ergens binnenkomen, stáán ze er ook. Ambassadeurs van hun eigen werk, maar van meer dan dat: internationaal zonder hun Nederlandse karakter te verliezen.'

De 'sterren' zijn belangrijk voor het fonds dat Pröpper gaat leiden. 'Want dat zijn letterlijk de lichtgevende personen die ervoor zorgen dat onze literatuur in beeld komt. Maar poëzie, essayistiek en kinderliteratuur - in Nederland van wereldniveau - zijn voor mij net zo belangrijk, daar wil ik me speciaal op richten. Dit fonds stimuleert niet alleen het vertalen van Nederlandse literatuur. Wij helpen ook Nederlandse uitgevers met het de totstandkoming van bijzondere boeken die zonder hulp niet uitgegeven kunnen worden.'

Er valt nog veel te doen, de komende jaren. Zo denkt Pröpper dat het fonds zich om onze literatuur onder de aandacht te brengen ook moet richten op andere plaatsen dan boekenbeurzen. 'Waarom niet schrijvers naar de Documenta laten gaan? Er zijn zoveel schrijvers die iets interessants te zeggen hebben over beeldende kunst. Een mooie taak van dit fonds is om aan de wereld te laten zien dat dit een land is waarin over dingen wordt nagedacht, en dat schrijvers een rol spelen in de samenleving. Ik zou auteurs willen stimuleren om mee te doen aan internationaal debat. Essayisten, maar ook romanschrijvers. Engagement is hier nog altijd een lastig punt voor veel schrijvers, maar daar begint gelukkig verandering in te komen.'

En dan is er nog China, dat enorme land dat nog veroverd moet worden door onze literatuur. 'Er wordt ongelooflijk veel gelezen in China, er is een grote leescultuur en een enorme leeshonger.' China probeert hard om allerlei culturele uitwisselingen tot stand te brengen, zegt Pröpper. Volgend jaar zijn ze gastland op de Salon du Livre in Parijs, en het jaar daarop openen ze een groot instituut in Parijs, naar het voorbeeld van het grote Arabische en het Latijns-Amerikaanse instituut dat daar is.

'Ook dan zie je weer', zegt Pröpper, terug bij zijn favoriete onderwerp, 'dat de Fransen daar graag geld voor over hebben. Ze weten dat je een instituut waar je landen hun cultuur laat tonen, ook een fantastisch economisch instrument is. Wij zijn zo mercantilistisch als de pest, heet het, maar zoiets hebben wij niet bedacht. Er is even sprake van geweest dat we hier een Arabisch instituut zouden krijgen. Rick van der Ploeg had er zelfs geld voor gereserveerd, maar het is niet doorgegaan. Kijk, wij benadrukken hier altijd de problematische kant van immigratie en integratie. Maar als je op zo'n instituut de rijke geschiedenis kunt laten zien van die cultuur én een ontmoetingsplaats creëert om te debatteren over actuele kwesties - dat lijkt mij nu een ideale combinatie. Misschien dat de nieuwe staatssecretaris er iets in ziet. . .' - Pröpper laat het maar even vallen, nu we het er toch over hebben.

Interculturaliteit, daar draait het voor hem allemaal om, in zijn oude én zijn nieuwe functie. 'Multiculturaliteit, weten we inmiddels, staat gelijk aan onverschilligheid. Maar het gaat om de culturele diversiteit. Culturen kunnen zich optrekken aan elkaars rijkdom. In Frankrijk is er een diepgevoelde wens om de eigenheid van Franse cultuur en de hoogtepunten daarin, zoals de cinéma, te koesteren, en tegelijk de eigenheid van andere culturen, bijvoorbeeld de Afrikaanse, te bewaren. Het gevaar van globalisering is dat ook in de kunst alles inwisselbaar wordt, één grote wereldsoep. En dan gaat er een hoop kennis en vakmanschap verloren. Frankrijk ziet graag dat Europa, in gezamenlijkheid dan wel weer, zich daar hard voor maakt.'

Toch ziet het er niet naar uit dat het huidige kabinet van cultuur echt een punt maakt, vindt Pröpper: 'In de Troonrede deze week stond één zin over cultuur, één meer dan verleden jaar. Maar dit hele bezuinigingsverhaal heeft met cultuur te maken. De sfeer die dit kabinet oproept, is er een van sta-op-en-wandel. Blijmoedig worden burgers opgeroepen hun verborgen talenten te ontdekken. Maar een visie - hoe de kennis van mensen anders in te zetten - ontbreekt. Deze bezuinigingen zijn cultuurloos: ze beschrijven geen toekomst. Cultuur is bij uitstek de plek waar dat wel gebeurt. Temeer daar onze cultuur zo rijk is.

'Toen ik in Frankrijk woonde, zag ook ik het pas: hoe goed wij zijn op het gebied van architectuur en vormgeving, hoe wij onze openbare ruimte verfraaien, en hoe bijzonder veel van onze schrijvers en dichters zijn. Voor het eerst durfde ik daar trots op te zijn. Je hebt afstand nodig om zonder schaamte een beetje nationale trots te koesteren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden