Kunst biedt Irakezen een sprankje hoop in schrale dagen

Irak: land van ellende, gebrek, oorlog. Maar onder het embargo bloeit de kunst. Nog nooit telde Bagdad zoveel galeries. De regering laat de kunstenaars hun gang gaan....

Het is zes uur op een hete, zomerse woensdag. Het verkeer in de Iraakse hoofdstad is schaars, de mensen zoeken thuis beschutting voor de zinderende hitte. Dit is Bagdad op z'n treurigst, het moment dat er niet genoeg menselijke bedrijvigheid is om de bedelaars aan het oog te onttrekken, het verval van de gebouwen en de desolate parken.

Maar binnen in Silk Road Café is een andere wereld, een wereld van kleuren, kunst en hoop. De muren zijn versierd met kleurige moderne schilderijen. Rijen keramische vazen met Arabische kalligrafie staan op een tafel en beeldhouwwerken zijn nonchalant verspreid door het hele café annex galerie. Boven zitten vrouwen en mannen bij elkaar in een hoek, verwikkeld in een geanimeerd debat terwijl een van hen een schilderij omhoog houdt.

Elke week, zelfde dag, zelfde tijd, komen zij bijeen; zeven jaar lang inmiddels. Beeldhouwers, schilders en kunstcritici, de meesten al vrienden sinds hun tijd aan de kunstacademie. Er is enige roulatie: sommigen zijn nieuw in de groep, terwijl anderen zich zelden meer laten zien. Ze bespreken elkaars laatste creaties of een kunstboek dat een van hen misschien ergens heeft opgeduikeld, ze wisselen ideeën uit over nieuwe technieken. Soms schuift een kunstdocent aan om een lezing te geven; laatst nog over de techniek van arabesken.

'We zijn allemaal afgestudeerd in een of andere richting, techniek, management, maar daarnaast waren we allemaal ook kunstenaars', zegt Thikra Sarsam, een lange jonge vrouw met een zachte stem. 'In 1994, toen ons moreel op een dieptepunt was, stelden we vast dat we licht nodig hadden in ons leven, dus we gingen avondcursussen volgen aan de kunstacademie.' Sarsam kwam met het idee van de bijeenkomsten op woensdagavond en bezoekt ze allemaal trouw.

'We komen hier om de ellende en het embargo te vergeten, we praten hier alleen over kunst', zegt Tha'ira el Soufi, wier eerste naam 'opstandig' betekent. Als schilderes heeft el Soufi net als al haar collega's geleerd zich te schikken in de moeilijke werkomstandigheden die het embargo met zich heeft meegebracht. Zij maakt haar eigen schilderslinnen en lijsten, en gaat zuinig om met elk beetje goede verf dat ze nog heeft door goedkope Chinese verf te gebruiken voor de onderste lagen op het doek.

Wie aan Irak denkt, denkt aan sancties, stervende kinderen en massavernietigingswapens. Maar te midden van de misère, het verdriet en de verbittering na tien jaar embargo, straalt er een sprankje licht en hoop in de straten van Irak: kunst.

Sarsam en haar vrienden zijn inderdaad geen eenzame uitzondering in Bagdad. Ondanks de harde levensomstandigheden lijkt de kunst te zijn opgebloeid sinds de economische sancties in 1990 Irak troffen. Bagdad herbergt nu enkele tientallen particuliere galeries, plus enkele staatsgaleries zoals het Saddam Kunstcentrum. Vóór het embargo telde de stad slechts twee galeries.

De Al Inaa'-galerie was de eerste particuliere galerie die openging tijdens het embargo, in 1994. Tegenwoordig is het een van de meest succesvolle galeries. Er worden honderden schilderijen tentoongesteld, evenals sculpturen en keramiek, alles met grote zorg uitgezocht.

'Vóór het embargo schilderden kunstenaars voor de kunst om de kunst. Ze maakten misschien drie of vier schilderijen per jaar en kozen er vaak voor die niet te verkopen', zegt Ghayath el-Jazairi, directeur van de galerie. 'Nu kan dezelfde kunstenaar misschien wel twintig schilderijen per jaar maken, omdat hij zijn gezin moet onderhouden. Maar de kwantiteit is niet ten koste gegaan van de kwaliteit. Integendeel, het heeft hun meer ervaring gegeven, ze experimenteren met verschillende technieken en stijlen.'

Toch is het niet makkelijk in Irak als kunstenaar je brood te verdienen. In Karradeh-straat is kwantiteit altijd belangrijker geweest dan kwaliteit. Dit is het equivalent van Montmartre in Parijs. Tientallen schilders werken hier hard om de eindjes aan elkaar te knopen, doek na doek producerend, meestal kopieën van grote meesters en oosterse schilderkunst. Hier is al kunst te koop voor 30 dollar. In de particuliere galeries variëren de prijzen van 50 tot 150 dollar voor een werk van gemiddelde grootte.

Terwijl de Irakezen grote kunstkopers waren in de jaren voor het embargo en Bagdad zijn eigen equivalent had van het Londense Christie's, wordt tegenwoordig in Irak kunst voornamelijk verkocht aan de weinige buitenlanders – Arabieren en westerlingen – die naar het geïsoleerde land komen. Veel van de schilderijen die op die manier worden gekocht, stijgen in de loop der jaren geweldig in waarde. Een koper viel bijna flauw toen hij hoorde dat het door hem in Irak voor 700 dollar gekochte schilderij minder dan twee jaar later al op zijn minst 4000 dollar waard was.

Voor het embargo werden kunstenaars van gratis materialen voorzien door de overheid en werden aan hun werk geen voorwaarden gesteld. Een westerse diplomaat omschreef president Saddam Hussein indertijd als een visionair despoot.

In de jaren dertig, toen in Irak de monarchie werd gevestigd, werden kunstenaars naar Europa gestuurd voor studie. Die mensen worden nu gezien als de pioniers van de Iraakse kunst. Tot de dag van vandaag zijn Iraakse kunstenaars bekend over de hele wereld en ze worden beschouwd als de beste in de Arabische wereld.

'Er is een grote verscheidenheid in Irak, in elke familie worden dingen gemaakt en ook nu nog zijn er elke week openingen van exposities. Kunst is hier een traditie', zegt Francis Dubois, vertegenwoordiger in Bagdad van het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP en liefhebber van Iraakse kunst.

Dit is immers, zegt hij, de plek van het oude Mesopotamië, waar een van de zeven wereldwonderen, de tuinen van Babylon, te vinden was. De 'wieg van de beschaving', zoals het vaak wordt genoemd, werd bewoond door Soemeriërs, Assyriërs, Abbasiden en anderen.

De wanden van het kantoor van Dubois zijn behangen met prints en oliedoeken. Hij heeft diverse tentoonstellingen van Iraakse kunstenaars georganiseerd, zowel in Irak als daarbuiten.

'Ze hebben geen papier, geen pennen, geen kleurstoffen, ze hebben gebrek aan alles, en toch scheppen ze en dat is echt goed. Comfort is de vijand van kunst en creativiteit, het zijn de moeilijke levensomstandigheden die kunst voortbrengen. Wanhopige mensen willen zich ergens aan vasthouden, sommigen kiezen religie, maar velen hebben kunst gekozen,' zegt Dubois.

Degenen die het afgelopen decennium kozen voor de kunst, zoals Sarsam en haar vrienden, staan nu bekend als de 'embargogeneratie'. Sommigen van hen zijn inmiddels beroemd in Irak of zelfs daarbuiten. Veel van hun werken zijn op een of andere manier beïnvloed door sancties en zelfs de oorlog met Iran.

Voor Karim Rissan, die in 1984 afstudeerde aan de kunstacademie, bestaat er een duidelijk onderscheid tussen zijn eerste dagen als kunstenaar en zijn kunst van nu. 'Wij behoren tot de oorlogs- en embargo-generatie, ik denk dat we onze eigen stijl hebben', zegt hij.

Rissan moest in 1990 opkomen voor zijn dienstplicht, net toen de Golfoorlog begon. Hij diende zowel in het zuiden van Irak als in het noorden; in 1991 zwaaide hij af. Op zijn eigen manier registreerde hij nauwgezet wat hij meemaakte aan het front. 'Als een dichter of een schrijver hield ik een dagboek bij, ik schilderde mijn visie van de bombardementen, van de vernietiging van oases. Ik heb de tekeningen nog steeds', zegt Rissan.

Sindsdien heeft hij ook twee bundels met tekeningen gemaakt. Een met de titel De weg van de pijn, is een figuratieve verbeelding in zwart en bruin van het lijden van de Irakezen tijdens het embargo. Een andere bundel is getiteld Uranium Beschaving, volgens hem een getuigenis van de verwoesting die de Verenigde Staten hebben veroorzaakt met hun gebruik van wapens met verarmd uranium in het zuiden van Irak. De tekeningen bestaan grotendeels uit abstracte figuren in zwart en rood.

In zijn werkplaats exposeert Karim Rissan een deel van zijn schilderijen. Hij gebruikt natuurlijke materialen zoals hout en ook natuurlijke kleurstoffen. 'Vroeger werd ik geïnspireerd door epische figuren, bijvoorbeeld uit de Iraakse mythologie. Nu zijn het allemaal symbolische verwerkingen van ideeën – het leven, de aarde, de dood', zegt hij.

Veel Iraakse schilderijen zijn tamelijk modern van inspiratie, ergens tussen abstract en figuratief. De kleuren variëren, van heel donker bruin en zwart tot helder blauw en rood. Net als in Rissans verzameling tekeningen, wordt de huidige toestand in Irak zelden op een directe wijze afgebeeld; van regeringspropaganda is niets te merken op tentoonstellingen in particuliere galeries.

Verrassend genoeg zijn er zelfs naakte lichamen te zien; iets wat in buurlanden ondenkbaar is. Irak is een betrekkelijk seculiere staat, zeker vergeleken met orthodoxe landen als Saudi-Arabië en Iran. In de islam zijn afbeeldingen van menselijke gezichten en lichamen verboden.

In Irak bestaan er geen beperkingen voor de kunst, geen haram (dat wat volgens de islam verboden is), volgens galeriedirecteur el-Jazairi. 'De regering moedigt alle vormen van kunst aan en aan de kunstenaars worden geen beperkingen opgelegd.'

Deze onbeperkte Iraakse wereld van de kunst is wat Wadad Orfali al haar hele leven heeft meegemaakt. Van jongs af aan heen en weer geslingerd tussen muziek en schilderen, koos ze uiteindelijk voor het laatste. Na een realistische periode ging ze over op arabesken en tegenwoordig is haar werk fascinerend door de minutieuze details en mix van kleuren.

Doordat ze getrouwd is met een diplomaat, woonde ze in Europa en had ze tentoonstellingen over de hele wereld. Nadat ze in Bagdad was teruggekeerd, opende ze in 1983 haar eigen galerie.

'Ik wilde dat iedereen zou kennisnemen van kunst, van kunst zou gaan houden', zegt Orfali. 'Mijn galerie was meer een soort cultureel centrum. De mensen kwamen voor concerten en lezingen, maar ze bekeken ook de schilderijen. Langzamerhand leerden ze meer over kunst.'

Tegenwoordig bezit ze nog altijd een galerie, op een andere plek in de stad. Er is een grote verzameling schilderijen te zien, waaronder die van haarzelf. Elke dag biedt de Orfali-galerie een ander programma, concerten van klassieke Arabische zangers ('niet dat nieuwe, smakeloze gedoe', zegt ze), lezingen over kunst of psychologie, en er worden oude films vertoond.

De galerie heeft iets van vergane glorie, en hetzelfde geldt voor de 72-jarige dame die in de tuin zit, glimlachend naar iedereen, herinneringen ophalend terwijl ze door een boek over haar eigen werk en leven bladert. Het is duidelijk dat ze de goeie ouwe tijd mist, misschien zelfs de tijd dat Irak een monarchie was. Maar ze is niets van haar energie en haar liefde voor kunst verloren.

'Niemand is tegenwoordig gelukkig, de meesten van mijn vrienden hebben het land verlaten. Maar met mijn galerie probeer ik de mensen blij te maken', zegt Orfali, terwijl ze de gasten opwacht die voor een concert komen. 'Kunst zit in ons bloed, m'n beste. De beschaving zit ons in het bloed en niets zal daar verandering in brengen.'

Het is acht uur 's avonds op een warme zomerse vrijdag. Het leven keert terug in de Iraakse hoofdstad. Een zacht briesje waait door de bomen, de oproep tot gebed echoot in de lucht. Bagdadi's van allerlei slag en snit komen binnen bij de Orfali-galerie, weg van de treurnis van Irak, om even de wereld van de kunst te betreden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden