Kuil graven: 49 frank

Een Vlaamse schilder en drie schrijvers maakten een bedevaart naar Paul van Ostaijen. In diens begrafenisrekening leest Arjan Peters een laatste gedicht.

Paul van Ostaijen. Beeld Hilde Harshagen en Antonia Hrastar

De meeste schrijvers blijven niet, stelde Jeroen Brouwers een week geleden vast, en van de gelukkigen houden we een paar titels uit het oeuvre levend. De man of vrouw zelf is dan achter die 'pieken uit het gebergte' verdwenen.

Alleen wanneer er een biografie verschijnt die behalve voor de prestaties ook aandacht heeft voor het alledaags leven (je wilt weten wat je idool droeg, las, waar hij naar keek op tv en wat hij at), bestaat er een kans op doorleven in de hoofden van de lezers.

Paul van Ostaijen (1896-1928) heb ik nooit voor me gezien, de Antwerpse loodgieterszoon die als dandy door zijn eigen stad en door Berlijn zwierf. Maar wat hij maakte, de typografische experimenten en de opzwepende grotestadslyriek van Music Hall (1916) en Bezette stad (1921) tot en met de verstilde muziek van zijn Nagelaten gedichten (1928), heb ik altijd gekoesterd.

De sjimpansee doet niet mee/ Waarom doet de sjimpansee niet mee/ De sjimpansee/ is/ ziek van de zee/ Er gaat zoveel water in de zee/ Meent de sjimpansee.
Tegen zo'n mooie verklaring wil je niets inbrengen.

Natuurlijk was me bekend dat Paul van Ostaijen op zijn 32ste in een sanatorium aan tuberculose stierf, maar ik nam dat harde feit aan zonder er een bedevaart aan te verbinden. De Vlaamse schilder Koen Broucke en de drie schrijvers Peter Holvoet-Hanssen, Koen Peeters en Pascal Verbeken hebben dat wel gedaan en het verslag van hun gezamenlijke reis levert ook iets op: Miavoye heet hun boek (De Bezige Bij Antwerpen; euro 22,50), naar de naam van het gehucht waar zich in 1927 het privé-herstellingsoord Le Vallon bevond.
Daar heeft de jonge dichter al hoestend een eenzaam half jaar doorgebracht, alvorens hij op 18 maart 1928 dood op bed werd gevonden.

'Er staat een rode beuk voor mijn venster en iets verder een wonderlik kastanjelaarke!', schreef Van Ostaijen op 22 oktober 1927. Die staan er nu nóg, ziet het viertal in oktober 2013 vanuit het bewuste kamertje in het huis waar nu al decennia een boerenechtpaar woont.

Hier schreef de dichter zijn Alpejagerslied, de regels over de sjimpansee, en de zachtste taalmuziek: 'dat is geen gigue of geen allemande meer/ en geen wals/ dat is 'nen charleston/ 'nen boerecharleston/ van Gaston op zijnen basson'.
Twee dagen na zijn dood, lees ik in Miavoye, kreeg vader Van Ostaijen de volgende begrafenisrekening van de dokter: 'aflegging: 100 frank/ hoofdkussen in de kist: 29 frank/ kist: 901 frank/ dragers: 360 frank/ kuil graven: 49 frank/ absolutie: 43 frank'.

Dit zou je Van Ostaijens laatste gedicht kunnen noemen, compleet met experimentele bedragen. De slotregel is als een hand op het nog warme voorhoofd.

Paul van Ostaijen. Beeld Archief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden