Kruisen en drakekoppen

De geur van teer en touw en hout verbindt de staafkerken als door een onzichtbaar lint. Bijna dertig heeft Noorwegen er nog: ooit waren het er bijna duizend....

Ingespannen zoekt de boer naar Engelse woorden. Zijn ogen dwalen over de vers ingezaaide akker in de hoop dat ze daar voor het oprapen liggen. De grond blijkt vruchtbaar want bijna triomfantelijk klinkt opeens iets dat veel weg heeft van: 'No season now.' Waarna een Noorse volzin volgt die tot slechts één conclusie leidt: ik ben te vroeg, deze kerkdeur zwaait pas in juli open.

Op de beboste hellingen buigt de regen de laatste resten sneeuw om tot watervalletjes. De druppels slaan roffelend op de staafkerk van Rollag, die begint te glimmen als net gedolven klei, gelig bruin met zwarte vegen. In een zijportaaltje staan twee plastic emmers, een paarse en een witte, nagenoeg tot de rand gevuld met water. Lekt het dak? Of is de werkster lunchen?

Twee mannen zeulen op de vergrendelde deur met een buitenproportionele druiventros. Achter die deur moet een barok altaar staan, volgens de boeken, en een roccoco preekstoel. En ook zijn alle wanden beschilderd, wat de sobere, grof afgewerkte buitenkant nauwelijks doet vermoeden. Tegen de zijkant van ruwe, geteerde planken leunen twee ijzeren kruisen. Het oudste behoorde in 1843 toe aan Carl Jacob Stoltenberg, het andere - uit 1868 - is naamloos.

De boodschap is duidelijk, want in het Engels. 'Val de buren niet lastig. Ze hebben geen sleutel. Geen toegang buiten het seizoen.'

Binnen het half uur twee gesloten deuren, dat maakt de toch al druilerige dag er niet vrolijker op. Door de ramen valt nauwelijks iets te ontwaren in de staafkerk van Nore. Het is alsof ik in een duister labyrint van balken en planken kijk, een chaotische constructie zonder begin en einde. De veelgeprezen wandschilderingen blijven verborgen. Wel hangt er een 'speculaasplank' met het onverklaarbare jaartal 1109, onverklaarbaar omdat de kerk uit het einde van de twaalfde eeuw zou stammen.

Naast de ingang van het kerkhofje ligt Karl Christian Olsen begraven, pastoor in Nore van 1851 tot 1864. Hem is dus de discussie rond 1880 bespaard gebleven, toen de kerk te klein werd en de parochianen - met weinig gevoel voor historie - voorstelden haar af te breken. De reddende engel was kunsthistoricus Lorentz Dietrichson, net bezig aan een boek over de Noorse staafkerken. Twee jaar later droeg hij uit geldgebrek de kerk over aan Fortidsminneforeningen, aan Monumentenzorg.

In Rollag en Nore beperkt zich 'het seizoen' tot de maanden juli en augustus. Gelukkig denken ze daar in Heddal, Uvdal, Torpo en Gol wat ruimer over. Misschien zijn ze daar ook wat zakelijker ingesteld, hebben ze wat meer oog voor de inkomsten die het toerisme kan verschaffen. 'De kerk is van de gemeente Notodden, die elektriciteit en verwarming betaalt', vertelt de beheerster van de staafkerk van Heddal. 'Maar om het gebouw in deze staat te houden zijn we ook voor een deel afhankelijk van wat de toeristen binnenbrengen.'

Dus zetten deze staafkerken al in mei of juni hun deuren open, heffen ze pittige toegangsprijzen en vragen ze God het grootste deel van de zomerse weken wat in te schikken zodat al die nieuwsgierige buitenlanders ook even van de mystiek kunnen proeven.

Het Noorse woord stav betekent staaf. Het duidt de pilaren aan die het basiselement van de staafkerken vormen. Zij torsen het dak (zuilenstaafkerk) of zij verbinden in de hoeken de wanden (wandstaafkerk). Soms staat slechts één enkele pilaar in het midden van de kerk, zoals in Nore en Uvdal, soms staan er veertien zoals in Gol.

Op het stenen fundament (om verrotting in de vaak drassige bodem te voorkomen) en de weerhaan na is alles hout aan een staafkerk. Hebben de kleinere kerken een pannen- of leiendak, de grotere hebben ook een houten bedekking, die van verre bedrieglijk op leisteen lijkt. Spijkers of ijzeren krammen waren uit den boze. Ingenieuze houten verbindingen maakten de constructie flexibel waardoor ze zich aan hitte, vorst of vocht kon aanpassen.

Tussen 1100 en 1300 werden in het net gekerstende Noorwegen tegen de duizend staafkerken opgetrokken. Het land had er geen patent op. Oudere sporen zijn gevonden in Zweden en Groot-Brittannië. Vermoedelijk stond de oudste staafkerk ter wereld - 1013 - in het Engelse Greensted. Ook in het Drentse Norg kwamen bij opgravingen de resten van twee houten kerken te voorschijn, die verwantschap vertoonden met het Noorse model.

De 'kathedraal onder de staafkerken' is de bijnaam. Twintig meter lang, 26 meter hoog, de grootste ter wereld: Heddal. Links loopt de weg dood, rechts spoedt de Heddla-rivier zich voort, aan de voet ligt een onberispelijk kerkhof, rondom staan berkebomen groen te worden.

Het eerste dat opvalt, is de geur. Die zal me op mijn tocht niet meer loslaten, als volg ik een reukspoor dat van de ene kerk naar de andere is uitgezet. De geur van teer en touw en hout, de geur van een oude, verweerde klipper. Vermengd met de zoete lucht van wierook moet dat ooit een hallucinerend effect op de kerkgangers hebben gehad.

De legende wil dat de kerk van Heddal rond 1150 werd gebouwd door een trol, Finn genaamd, een verhaal dat frappante overeenkomsten met het Grimm-sprookje over Repelsteeltje vertoont. De omvang van het gebouw werkte dergelijke sagevorming in de hand. De boerenbevolking van Heitradali kon zich nauwelijks voorstellen dat mensenhanden tot een dergelijke krachttoer in staat waren en meende dat er op z'n minst hekserij in het spel was.

Oog in oog met de kerk is dat bijgeloof voorstelbaar. Trapsgewijs klimmen drie torens hemelwaarts terwijl ze steunen op een bizarre constructie van ronde en rechte daken, die alle schakeringen van de kleur bruin vertonen. Het gebouw imponeert niet, nee, het overdondert. Het grijpt naar de strot en laat niet meer los. Het verplettert in al zijn soberheid het pronkzieke van een St Pieter, de praal van een Notre-Dame.

Op de overdekte buitengalerij zijn rond de vier deuren fabelmonsters uitgesneden, groteske figuren, dieren, bloemen ook, en uiteraard het gevecht tussen goed en kwaad, kruis contra draak. De runetekens MRN in het zuidelijk portaal verwijzen - vermoedelijk - naar de inwijdingsdag, 25 oktober 1242, en naar de Maagd Maria, aan wie de kerk is opgedragen.

Binnen herhaalt de verbijstering van buiten zich. Door de patrijspoortjes, hoog in het gebouw, valt spaarzaam gefilterd licht naar binnen, dat het rijkbeschilderde altaar in een warme gloed hult en de wanden laat oplichten als verbleekte mozaïeken. Dit laat zich niet beschrijven, tenzij in clichés. Dit moet aan den lijve ervaren, ter plekke geproefd worden. In stilte, en vooral niet in het gezelschap van een groep Amerikaanse toeristen, met paarse suikerspinnen en vlinderbrillen, eigentijdse grotesken met veel te harde stemmen. 'Say, Alice, is this Sweden or Norway?'

Aan de overkant van de doodlopende weg staat een informatiecentrum annex restaurant nog nadrukkelijk naar gloednieuw Ikea-hout te geuren. Bulldozers vreten het gras weg voor een ruimbemeten parkeerplaats. 'Heddal' is business geworden en werkt zelfs aan een bescheiden museumpje, waar te leren valt dat de Deense architect Johan Henrik Nebelong in 1850 van de restauratie een puinhoop maakte, dat pas honderd jaar later het interieur in oude staat werd hersteld, dat van de oude kerk eigenlijk nog maar een kwart over is en nog veel meer van dit soort wetenswaardigheden.

Maar de onweerstaanbare sfeer, het geheimzinnige dat van dit houten bouwsel afstraalt, die zijn alleen te vinden in de ruimte zelf, waar volgens de architect en hoogleraar Thomas Thiis-Evensen de hele historie van Vikingen en christenen is samengebald. Daar ook kan men zich in een bos wanen, waar het zonlicht maar zelden toegang krijgt, waar meestal de schemering heerst die ook Noorwegen een groot deel van het jaar in haar greep heeft.

In 1015 zette Olaf Haraldsson weer voet aan Noorse wal. Jarenlang had deze Viking in het buitenland vertoefd. In Rouaan had hij zich in 1010 laten bekeren, terwijl hij ondertussen broedde op een plan om een Noors koninkrijk naar Europees model te stichten. Onder zijn gezag kwam de kerstening van Noorwegen op gang en raakten traditionele goden als Thor, Odin en Freya serieus in de verdrukking. De huidige patroonheilige van Noorwegen is deze zelfde Olaf.

Een eeuw later had het christendom een stevige greep op het land gekregen, wat tot tal van vernieuwingen leidde, ook in de culturele sector. Zo werden voor het eerst menselijke figuren afgebeeld en kreeg naast het traditionele hout - zo overvloedig aanwezig - ook steen een functie als bouwmateriaal.

Aan het begin van de veertiende eeuw telde Noorwegen 1300 kerken, waarvan eenderde van steen was en tweederde uit staafkerken bestond. Een frappant verschil; de stenen gebedshuizen waren zonder opsmuk, de houten daarentegen veelal voorzien van rijke portaalversiersels en bewerkte interieurs. 'Simpele kruisen en arrogante drakekoppen', schreef de Deense dichter Drachmann aan het einde van de vorige eeuw.

In de ornamenten is vaak in symbolen het ultieme gevecht tussen de gedoopte Noor en de heidense Viking uitgebeeld, goed versus kwaad, man tegen draak, Christus in duel met de duivel. Zo duikt menige keer Sigurd of Siegfried de Drakendoder op, met als fraaiste voorbeeld de 'bisschopsstoel' van Heddal, het pronkstuk van de kerk. De vrouw op diezelfde zetel zou dan Brünnhilde zijn, maar daarvoor steekt niemand zijn hand in het vuur.

Heddal ligt aan de weg Kongsberg-Bergen. Vanuit het voormalige zilverstadje Kongsberg loopt ook een weg in noordelijke richting naar de wintersportplaats Geilo, daarbij de vele bochten van het Numedal volgend. Door dit 'dal van staafkerken en voorraadschuren' rijden is als bladeren door een album vol idyllische ansichtkaarten. Op rivierniveau is de lente druk doende zichzelf waar te maken, hogerop voert de winter een achterhoedegevecht.

In tegenstelling tot de deuren van Rollag en Nore staat die van Uvdal wagenwijd open. De staafkerk ligt tegen de zachtglooiende helling van een berg in een enscenering die niet anders dan rustiek kan worden genoemd: blatende lammetjes, bedachtzaam kauwende schapen, gele vlaktes van paardebloemen, een handvol oude boerderijtjes, een prettig uitzicht en een verlaten parkeerplaatsje. De regen heeft inmiddels de strijd gestaakt.

Wat Rollag en Nore me onthielden, krijg ik hier dubbel en dwars terug. Ooit - in de middeleeuwen - moet een vaste groep handwerkslieden en kunstenaars door het Numedal zijn getrokken om de diverse staafkerken op te sieren. De decoraties bij het altaar van Rollag zijn identiek aan die van Uvdal, het blauw dat Uvdal kenmerkt is ook terug te vinden in Rollag, de wandschilderingen van Uvdal komen overeen met die van Nore.

Met een overdadige bloementuin is het interieur van Uvdal wel eens vergeleken. Het geeft ten naaste bij aan wat je overkomt wanneer je vanuit het voorportaaltje de kerk binnenstapt. Een vergelijkbaar gevoel moet Godfried Bomans' Erik hebben gehad toen hij het schilderij Wollewei binnenstapte. Of Lewis Carroll's Alice toen ze de spiegel doorging. Een gevoel van lichte onthechting.

Alleen op het onderste deel van de wanden is de versiering weggesleten. Maar in de rest van het kerkje is geen plekje onbenut gelaten, geen plank onbeschilderd, geen pilaar ongemarmerd. Blauw en groen zijn de hoofdkleuren, maar ook dringen zich rood en oker en grijs op. Op de preekstoel staan de vier Evangelisten tegen een lichtgroene achtergrond, boven het altaar is in simpele lijnen de paradijselijke val neergezet. Daaronder hangt het laatste avondmaal, van de hand van een lokale, onbekend gebleven artiest. En verder bloemen, wijnranken, fruit, nogmaals bloemen, bijbelspreuken en nog meer wijnranken.

Buiten heeft het landschap ineens wat steriels gekregen.

Een staafkerk zit boordevol symbolieken. Zo zijn de vier hoekpilaren de Evangelisten, vertegenwoordigen de grondbalken de apostelen en staat de vloer voor nederige, eerbiedig buigende mensen. Het altaar symboliseert de heiligen in de hemel, het schip de christenen op aarde. Het dak tenslotte staat voor mensen wier gebeden het christendom beschermen tegen wereldse verleidingen.

De eerste bezoekers van deze gebouwen - toen nog zonder banken, kachel of verlichting - zullen vermoedelijk weinig weet hebben gehad van deze symbolen. Voor hen was de kerk vooral een toevluchtsoord, een afweermiddel tegen het kwaad. Hoewel. . . Bij opgravingen in 1978 onder de vloer van Uvdal kwamen niet alleen munten en brilleglazen te voorschijn, maar ook talismans om bovennatuurlijke krachten te beïnvloeden. Niet iedereen was dus zo zeker van de macht van de kerk.

Het Hallingdal loopt dwars op het Numedal en begint al de trekken van het hogere gebergte te vertonen. De laatste originele staafkerk in dit dal staat sinds 1150 in Torpo, geflankeerd door de witte dorpskerk, die van 1880 is. Achter beide kerken verdringen zich massaal de dennebomen.

Net als de kerk van Nore ontsnapte ook deze ternauwernood aan de slopershamer. Met twintig kronen kon Monumentenzorg in 1880 de gemeente Torpo nog net tegenhouden. Voor de klokkestoel en het koor kwam deze hulp te laat; die waren al afgebroken.

Vergeleken met Uvdal is Torpo tamelijk sober. Publiekstrekker is een gedecoreerd baldakijn uit vermoedelijk de dertiende eeuw, een van de oudste in Noorwegen. Te zien zijn de gruwelijke belevenissen van de heilige Margaretha van Antiochië, de rouwende Maria en Johannes, en Christus, omgeven door Evangelisten en apostelen.

De vloer van reusachtige planken kiert en kraakt en loopt in de hoeken vervaarlijk af. In het halfduister van de toren lijkt het vlechtwerk van balken en dwarslatten zich eindeloos voort te zetten.

De witte kerk is gesloten.

Toen in de veertiende eeuw de pest in Noorwegen uitbrak, luidde dat mede de ondergang van de staafkerken in. Mensen trokken weg uit besmette dorpen en de kerken vervielen tot puinhopen. Drie, vier eeuwen later was hun aantal nog sterker geslonken; ze werden rücksichtlos afgebroken omdat ze te klein waren.

Dertig zijn er nu nog over, waarvan twee in een openluchtmuseum staan en één in het buitenland, in het Poolse Silezië. Dat is de staafkerk van Vang Valdres, die in 1840 aan de Pruisische koning Frederik Wilhelm IV werd verkocht.

In 1874 raakte Gol zijn staafkerk kwijt. Eigen schuld. Had het maar wat zorgvuldiger met zijn erfgoed moeten omspringen. Toen de klok naar beneden kwam en de twee kerkeigenaars voor de reparatiekosten een beroep op de gemeenschap deden, hield iedereen de hand op zijn portemonnee. Later dokten de Golen wel voor een nieuwe kerk; naar de oude keek niemand meer om.

Honderd jaar later kregen ze in Gol hevige spijt. Maar hun staafkerk was toen dank zij koning Oscar II al lang aan een tweede jeugd begonnen in Oslo, in het Noors Volksmuseum. Dan bouwen we een exacte replica, moet iemand hebben voorgesteld. Tien jaar werk ging er inzitten. Op 10 juli 1994 werd de nieuwe staafkerk van Gol geconsacreerd.

Het grappige is dat deze nabootsing uiteraard is gebouwd naar het voorbeeld in Oslo, maar dat is weer bij de herbouw grotendeels geïnspireerd door de kerk van Borgund. Uiterlijk lijkt dus de staafkerk van Gol (Oslo) nauwelijks of niet meer op het Gardar kirkja uit 1309.

De replica ligt net buiten Gol ingeklemd tussen rijksweg 7 en een schuimende bergbeek waarop houten vakantiehuisjes uitkijken. Op de parkeerplaats oefent een drumband zo te horen voor de tweede keer. Het gras rond de kerk is net ingezaaid en nog verboden terrein. Planken leiden naar de ingang. Van verre waait al de teerlucht aan.

Het is verbluffend hier de exacte weergave te zien van wat ik enkele dagen eerder in Oslo's openluchtmuseum al heb bewonderd. Dezelfde imposante bouw, dezelfde als watervallen aflopende dakkapellen, dezelfde trotse drakekoppen, die van de nokken naar voren springen alsof ze nog immer de boegbeelden van Vikingschepen zijn, dezelfde duistere galerij.

Zachtjes doet de beheerster de deur achter me dicht. Ik sta in m'n eentje in een ruimte waarin alleen blank hout is toegepast. Van boven klinkt Gregoriaans gezang, het Confiteor, en heel even kom ik los van de grond.

Aan de wanden hangen foto's van andere staafkerken, van bouwstaketsels. Op het altaar staat een bank met uitgesneden drakekoppen en een koning (Siegfried?). Het werk van houtbewerkers uit Telemark.

De pilaren vertonen diepe scheuren. Opzet? Ik weet het niet. Ik heb het 'origineel' in Oslo niet van binnen gezien. Het was die dag gesloten.

Bron: Eva Valebrokk en Thomas Thiis-Evens: Norway's Stave Churches (1994). Inlichtingen: Noors Nationaal Verkeersbureau, Saxen Weimarlaan 58, 1075 CE Amsterdam, 020-671.00.61.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden