Krom van het paardrijden

De Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar is ongeveer zoals het klinkt: koud, kaal, vuil. Van alle kanten waaien de stoffige steppenwinden binnen....

De coupé deel ik met Damdinjavin Narmandakh, Mongools vakbondsleider. Hij komt uit Oergoer. Van hem leer ik de eerste woorden, een taal als van een verre planeet, zoet en stroef tegelijk: Iech Bairlah (dank u), Saeng bijnoe (hoe gaat het met u), Adiàmo (alstublieft) en Egnirr (vrouw).

Hij is in een ger geboren, in een tent, een zachtmoedige man die in zak en as zit over de politieke misère van zijn land. Van een eenpartijstaat verandert Mongolië in een meerpartijen-democratie, waaraan nog niet iedereen gewend is. Alle hoop is gevestigd op buitenlandse investeringen om de rijkdommen van het land, goud, koper, molybdeen en kolen en wie weet wat nog meer, zoals olie in het zuidoosten, te ontginnen. Arbeidskracht is goedkoop en goed geschoold, zelf heeft hij geologie en Russisch gestudeerd en zit nu in een dik wiskundeboek te lezen.

Het land en vooral de nomadische veehouders lijden gruwelijk onder armoede en verschrikkelijke winters waardoor het vee massaal sterft, de bevolking zonder middelen van bestaan achterlatend. Politiek zit het land ingeklemd tussen Rusland en China, de beer en de draak.

Een van de grote problemen is het ontbreken van een pensioen- en belastingsysteem. Om beiden te bestuderen was Narmandakh in zowel Estland als Zwitserland geweest. Intussen drinkt hij thee uit een beker met het opschrift: Women, know your rights.

De trein zwiert in brede meanders door een verder leeg land van paars, geel en bruin gras, schapen, geiten, wat runderen en een enkele kameel. De eerste bebouwingen zijn spoorwegemplacementen met roestige industrietorens, meestal geen vrolijke plekken, maar hier van een in regenplassen gestalde misère.

De hoofdstad, Ulaanbaatar of -baator, afhankelijk van je accent, is ongeveer zoals het klinkt: koud, kaal, vuil. Van alle kanten waaien de stoffige steppenwinden binnen. Het is geen stad, meer een gestold stenen tentenkamp, wat ook wel klopt met de geschiedenis. De bewoners hebben zich aarzelend gevestigd, maar zouden het liefst hun vilten ger weer op die brede ossenkarren zetten en terug kruipen in de steppe, om daar op de paardenviool hun droeve ballades te spelen. Begeleid op de ganlin, de uit het dijbeen van een achttienjarige maagd gesneden fluit, een maagd die een natuurlijke dood is gestorven.

In de hoop met een Mongools gezin in contact te komen hebben we gekozen voor onderdak bij de familie Purendash. Dat wordt geen ger, maar een troosteloze buitenwijk en de bewoners ontmoeten we niet: ze zijn zolang ingetrokken bij kennissen. Het trappenhuis is een vervuilde bunker, de deur is met staalplaat gebarricadeerd. Binnen is het brandschoon. De koelkast is gevuld met ontbijtspullen.

Tussen de flats staan her en der vilten gers, soms met een Kwantumdeur, en plastic onderdakjes voor wortelloze werkkrachten die langs het vervuilde riviertje op vuurtjes een potje koken. Graffiti wijzen op Venga Boys en hiphop, een kinderspeelplaats toont een betonnen achtzitskameel en een even betonnen ger in felle kleuren.

De Mongoolse Buryat komen voor inkopen naar de stad aan de Tuulrivier. Te voet, maar ook te paard, al dan niet met hun vee. Ze lijken nederig, maar zijn op een vreemde manier imponerend. Ze leven van zo'n tweehonderd kasjmierwol leverende geiten per gezin. De steppenvrouwen schrijden in kaftans van doorstikte zijde met een gele sjerp, de mannen dragen enorme laarzen met opgekrulde punten, hun benen krom van het paardrijden. Uit de steppen brengen ze een grote waardigheid en vriendelijk zelfbewustzijn mee. Kalm en goedlachs lijken ze vrij van zielsziekten. Ze dragen de rust van oeroude veehouders die weten dat je de loop der eigenlijke dingen niet kunt vertragen of versnellen. Maar ze kijken wat verbaasd naar de nieuwe tijd met internetcafés en westerse rugzakreizigers in hun backpackershang-outs van het peace-with-you type.

Ulaanbataar, tussen vier heilige bergen, heeft minstens twaalf hotels en bars als Edelweiss, Khan Brau en Atilla Erotic Bar, Money Train Disco en Café de France, winkelcentra, zwembad, sauna en snooker, bioscopen, ziekenhuizen en uiteraard een worstelstadion. Maar de lay-out is rommelig en de communistische erfenis drukkend. Het centrale plein is een onafzienbare met communistische gruwelbouw omkranste waaivlakte.

Interessanter is het Gandan Tegchilen-klooster, onze eerste boeddhistische tempel met de eerste tempelbedelaars, gebedsmolens, chorten, wierrookovens en vooral de eerste vette penningmeestermonnik die evenals de reusachtige Boeddha tegen betaling te fotograferen is. Daterend uit 1810 is het ten dele vernietigd in 1930, maar wordt sinds 1990 weer opgebouwd.

Na vier dagen reizen we verder. De trein naar Peking vertrekt in de zeer vroege ochtend. Op het station stapt ook een Chinese handelaar in met loodzware kisten vol spijkers, schroeven en moeren, die onder de treinvloer worden geladen; nog goedkoper dan in China.

In de Mongools-Chinese grensplaats Nauski worden alle wagons van de trein gekoppeld, behalve de onze, die op een breder onderstel wordt gehesen en doorgaat naar Peking. Op het perron waken twee formidabele tataarse conductrices, heerseressen over de steppentrein. Een van hen beveelt het treinraam te sluiten. Hoe zeer voor onze bestwil blijkt wanneer de verkeerd staande wind een wolk dieselgas naar binnen jaagt.

Het eerste stuk China is leeg op wat kolenbergen langs de rails na. Het land wordt droger en droger, maar het nauwelijks begraste zand blijkt volledig ondertunneld door miljoenen kleine neven van de korenwolf, op hun beurt weer voedsel voor de honderden goud arenden die op de telegraafpalen wachten tot de trein voorbij is. Rollende struiken doen een wedstrijd door de leegte, een enkele bouwsel doet aan als vervuiling. Nog kaler wordt het land, als opgespoten.

Langs het spoor kijken kamelen, tenslotte in dezelfde branche, nieuwsgierig naar de locomotief. Door het open raam waait die eeuwige schroeidroge wind die in de nederzettingen de gezichtjes van zwaaiende kinderen heeft getekend. Gemetselde beddingen en beschoeiingen geven aan dat het ooit regent.

De volgende ochtend lijkt het land langzaam wat bevolkter te worden. Het wordt bebost en ziet er netjes uit. We naderen Peking.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden