Kritiek was ongepast

Kritiek op het passieve kabinet-Drees bleef na de watersnood achterwege, met het oog op de toch al barre tijden. 'Als alles centraal was geregeld dan was de zaak misgelopen.'

De Haagse politici, inclusief de Eerste- en Tweede-Kamerleden, beschouwden de dramatische overstroming vooral als een natuurverschijnsel, waar niemand iets aan had kunnen doen.

De schuldvraag is nooit gesteld. Hoewel een commissie in 1947 al vaststelde dat de zeedijken in Zuidwest-Nederland veel zwakke plekken vertoonden, werden de verantwoordelijke ministers niet aangesproken op de uitgebleven dijkverzwaringen en het achterstallig onderhoud.

Alleen het communistische Kamerlid Henk Gortzak verweet het kabinet direct na de ramp verwaarlozing van de zeedijken. De communist werd weggehoond.

Kritiek op de verantwoordelijke ministers vonden de regeringspartijen PvdA, KVP, CHU en ARP, maar ook de oppositie (VVD, klein rechts), ongepast in deze barre tijden.

De politici namen liever een voorbeeld aan de saamhorigheid van het Nederlandse volk, dat de getroffen landgenoten als één man te hulp was geschoten. PvdA-fractieleider Jaap Burger zette op 10 februari in het debat over de Nota Betreffende Watersnood 1953 de toon met zijn uitspraak dat het zoeken van zondebokken achterwege moest blijven.

De sprekers gingen niet verder dan voorzichtige suggesties om het eventueel later te hebben over de verantwoordelijkheid van het kabinet. Daar is het nooit van gekomen.

Minister Algera van Verkeer en Waterstaat gaf in de Tweede Kamer volmondig toe, dat vóór 1953 al bekend was dat sommige dijken konden bezwijken bij extreem hoog water. Er was in het kabinet ook al gesproken over mogelijke afsluiting van zeearmen. Algera: 'Maar terwijl we daarmee aan het werk waren, werden we overrompeld door de vijand, de zee.'

Het kabinet kwam daarmee in de Kamerdebatten op 3 en 10 februari gemakkelijk weg. Ook voorzichtige Kamervragen over het gebrekkige waarschuwingssysteem en de trage en chaotische hulp konden premier Drees en minister Algera afdoen met simpele ontkenningen. Er was volgens de bewindslieden op zaterdagavond al via de radio gewaarschuwd voor zware storm en hoogwater en de hulp kwam zondagochtend snel op gang. Jammer dat de ministers er zo laat achter kwamen dat Schouwen-Duiveland bijna helemaal onder water was verdwenen.

Dat kon het kabinet echter niet worden verweten, vond de premier, omdat net over dat eiland gegevens ontbraken. En dat de hulp vooral was gekomen van spontaan optredende burgers vond Drees geen punt. 'Als alles centraal was geregeld dan was de zaak misgelopen.'

Het gemak waarmee de ministers zich onder hun verantwoordelijkheid konden uitwurmen is typerend voor de politieke verhoudingen in de jaren vijftig. In het verzuilde Nederland lagen de verhoudingen nog onwrikbaar vast. Toen het water toesloeg, was het tweede kabinet-Drees druk doende met de wederopbouw van het land. De watersnood was een flinke tegenvaller ('We worden twee jaar teruggezet'), maar als iedereen de handen uit de mouwen zou steken, kwam het wel weer goed. Dus: geen gezeur, doorwerken.

Drees kon rekenen op een forse meerderheid van PvdA, KVP, CHU en ARP. De prioriteiten lagen vast. Er moesten honderduizenden nieuwe huizen komen. Oorlogsschade aan bedrijven en infrastructuur diende te worden hersteld en het leger moest worden versterkt om het Rode Gevaar te keren. Nederland werd bestuurd door een kabinet van regenten, dat in de Kamer nauwelijks kritiek hoefde te vrezen.

Laat staan dat de brave bevolking zich zou roeren. Iedereen wist tot welk politiek kamp hij behoorde en welke standpunten van hem werden verwacht. De zwevende kiezer moest nog worden uitgevonden. De doorsnee burger had wel iets anders aan zijn hoofd dan de landelijke politiek. Belangrijke beslissingen werden overgelaten aan de heren in Den Haag.

Toch wil de afwezigheid van politiek debat over de watersnood niet zeggen dat het kabinet op alle fronten in gebreke is gebleven. Vooral vakministers als Beel (Binnenlandse Zaken) en Algera (Verkeer en Waterstaat) waren gewend te handelen zonder zich veel te bekommeren om de politieke gevolgen daarvan of het effect op de publieke opinie. De overstromingen in Zuidwest-Nederland zouden welk kabinet dan ook (zelfs tegenwoordig) overrompeld hebben.

Gezien de gebrekkige communicatie (de telefoon was uitgevallen) reageerden de ministers snel. Drees, Beel en Algera waren zonderdagmorgen al in het rampgebied in het voetspoor van de Oranjes. Ambtelijke diensten zoals Rijkswaterstaat probeerden toen al zo goed en kwaad als het ging greep op de situatie te krijgen. De eerste militairen arriveerden zondagmorgen in het gebied. Maandag probeerde de ministerraad in een vergadering overzicht te krijgen over de ramp.

Besloten werd de hulp te coördineren via het Nationaal Rampenfonds, prins Bernhard werd gevraagd het fonds te gaan leiden. Dinsdag bood het kabinet het kabinet een nog incompleet overzicht van de ramp, plus een pakket maatregelen waarmee snelle financiële hulp aan slachtoffers werd geregeld. Giften werden vrijgesteld van belasting. De regering oogstte in het parlement vooral hulde.

Het accent in het debat verschoof al snel naar de vraag hoe dergelijke rampen konden worden voorkomen. Afsluiting van zeearmen werd toen ook al als onvermijdelijk gezien. Het duurde tot in de jaren zestig voordat de uitvoering daarvan, om milieuredenen, tot echt heftige politieke debatten zou leiden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden