Kritiek op Connie Palmen wordt omzichtig verwoord

Er zijn schrijvers die op handen gedragen worden en er zijn anderen die nooit warme gevoelens weten op te wekken....

Nu zijn dit beroemde schrijvers, goed voor grote oplagen en altijd veel aandacht in de kranten en op de tv. Maar je treft in deze categorie ook minder befaamde schrijvers aan, die zich in een welwillende bewondering koesteren zonder dat 'het grote publiek' de neiging heeft ze op grote schaal te gaan lezen: Willem Brakman, Gerrit Krol, wijlen Hans Faverey, Helene Nolthenius, A. Alberts, Elisabeth Eybers, Willem Jan Otten - de rij is makkelijk tot en met de laatste letter van het alfabet uit te breiden.

Sympathie en antipathie, wil ik maar zeggen, vallen niet samen met 'grootheid' en 'roem'. Voor een lezer die zijn eigen voorkeur heeft leren kennen - en zonder die voorkeur verliest het lezen überhaupt aan belang - zijn zulke kwalificaties betrekkelijk. Voor zo'n lezer is de 'grootste' degene die hij het liefst leest en dat kan betekenen dat hij niet maalt om het gebrek aan belangstelling voor het werk van zo'n auteur. Tegelijkertijd - en dat is de andere kant van de medaille - laat hij zich niet afleiden door opvattingen over eveneens heel beroemde schrijvers als W. F. Hermans, Harry Mulisch, Jan Wolkers, Joost Zwagerman, A. F. Th. van der Heijden en vele, vele anderen, die in spraakmakende kringen soms heel hufterig worden bejegend (overigens veelal door lieden die hun werk niet kennen).

Is Connie Palmen een nieuwe ster aan het firmament van de Nederlandse literatuur, die op zoveel sympathie kan rekenen, dat er van kritiek op haar werk geen sprake meer is? Dat ziet er wel naar uit. Na haar geruchtmakende eersteling, De wetten, bestond er zoveel belangstelling voor haar nieuwe roman De vriendschap dat geen criticus kon wachten tot haar boek in de winkel lag. Het boek werd, nog in proef, met voorrang besproken en men was enthousiast, dat wil zeggen, Carel Peeters in Vrij Nederland, T. van Deel in Trouw en een mij onbekende bespreker in NRC-Handelsblad, Hans Goedkoop, waren enthousiast.

Met die oordelen, hoe sympathiek ook, kon ik het maar moeilijk eens zijn, want De vriendschap is geen goed boek, althans geen goede roman. Juist in een roman kun je wat Connie Palmen kennelijk nogal autobiografisch te vertellen heeft over de intense vriendschap van twee meisjes die opgroeien tot volwassen vrouwen, zo inkleden dat het méér wordt dan een verhandeling óver de vriendschap, wat het boek nu in feite geworden is. Je leest het dan ook veeleer als een case-history uit de zachte sector dan als een aanwinst voor de literatuur. De kwalificatie 'ideeënroman' in de kritiek is een dooddoener die de feilen van dit boek verhult, zoals alleen Arnold Heumakers in de Volkskrant en Alle Lansu in Het Parool, overigens heel omzichtig, lieten weten.

Ook Marcel Möring is iemand die zich als schrijver in een warme belangstelling mag verheugen. Je merkt dat als in deze kroniek een bepaalde naam valt. Dan wordt er altijd, al of niet sympathiek, direct gereageerd. Vorige week signaleerde ik dat Mörings roman Het grote verlangen binnenkort in Engeland verschijnt, en vrijwel meteen werd me, in de eerste plaats door de vertaler Stacey Knecht, van alle kanten duidelijk gemaakt dat de Engelse titel van zijn boek niet The big longing kon zijn, maar The great longing moest luiden. En dat is zo. Onder die titel komt het boek als 'Flamingo paperback original' spoedig in Engeland èn Amerika uit bij HarperCollins.

Er zijn in een week vol literaire gebeurtenissen aan de vooravond van de Boekenweek - met als hoogtepunt de voltooiing van Multatuli's Volledige werken - wel meer sympathieke auteurs te noemen. Franz Kafka bijvoorbeeld. In 1977 verscheen van hem bij Querido het Verzameld werk, terwijl zijn grote romans ook afzonderlijk werden uitgegeven. Het Verzameld werk werd zeker negen keer herdrukt, wat wijst op een durende belangstelling voor Kafka's werk in Nederland. In 1993 deelde de uitgeverij mee, dat men aan een nieuwe reeks vertalingen door Willem van Toorn en Gerda Meijerink was begonnen.

Het eerste boek in deze serie zou Der Verschollene zijn (de verdwenen man), beter bekend als Amerika, het verhaal van de jonge Karl Rossmann die vanwege een pijnlijke liefdesaffaire met een dienstmeisje door zijn vader het huis uitgezet is en naar Amerika vertrekt. De roman, een van de meest intrigerende van Kafka, is pas na de dood van de auteur, onvoltooid, gepubliceerd. Alleen het fragment Der Heizer heeft de schrijver zelf in druk gezien. In november 1993 zou de nieuwe vertaling van Van Toorn en Meijerink gereed zijn, maar het is wat later geworden. Amerika verscheen eerst nu, heel mooi uitgegeven in de 'Grote bellettrie serie' van Athenaeum-Polak & Van Gennep (¿ 55,-).

Of lezers warme gevoelens zullen krijgen voor Salomon Maimon is een vraag, die zich lastig laat beantwoorden, omdat ik vrees dat maar weinigen weten wie hij is. Een uiterst boeiend figuur, afkomstig uit het arme, verguisde en geknechte Oosteuropese jodendom, maar al vroeg zo in de ban van de Verlichting - hij leefde van 1754 tot 1800 - dat hij hunkerde naar een vorm van ontwikkeling, die hij alleen in Berlijn dacht te kunnen opdoen. Maar als jood mocht hij Berlijn niet in en daarom begon hij op eigen houtje te studeren, wat ertoe leidde dat hij tot grote bewondering van de meester zelf een uiterst helder commentaar schreef op de Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant.

Wil Hansen ontdekte deze levendige geest èn zijn autobiografie en vertaalde dit werk, dat niet alleen een mooi beeld geeft van de filosofie in die tijd, de worsteling van Maimon met de joodse religie en de treurige omstandigheden waarin hij en zijn lotgenoten gedwongen waren te leven, onder de titel Mijn levensverhaal. Het is een, ondanks het vaak gebrekkige Duits dat Maimon schreef, zeer leesbaar relaas van een onverzettelijk en eigenzinnig man die over grote talenten beschikte, maar ten slotte geheel vergeten stierf. Hij werd door straatjongens ter aarde besteld, zoals de wiskundige Lazarus Bendavid in 1801 schreef (Atlas, ¿ 49,90).

Er is nòg een sympathiek auteur opnieuw onder de aandacht gebracht: Edgar Allan Poe. George Coppens van Coppens & Frenks besloot ter verhoging van de feestvreugde om het tien-jarig bestaan van zijn bedrijfje een aantal verhalen van Poe, die indertijd door Martha Heesen voor Het Spectrum werden vertaald, te herdrukken. In De ondergang van het Huis Usher vindt de lezer, behalve het titelverhaal, 'klassieken' als 'Een afdaling in de maalstroom', 'De put en de slinger' en 'De zwarte kat', die nog even huiveringwekkend zijn als toen Charles Baudelaire ze in de negentiende eeuw voor Frankrijk ontdekte (¿ 44,50).

Huiveringwekkend is ook Adolf & Eva & de Dood van Jeroen Brouwers, die zich - altijd op zoek naar het geheim van de suïcide - in dit boek verdiept in het doodsverlangen van Adolf Hitler (De Arbeiderspers, ¿ 29,90). De inhoud van dit boek, dat verlucht is met een paar sprekende foto's van de Führer en zijn vriendinnnen, is niet helemaal nieuw, zoals Brouwers in zijn voorwoord schrijft. Zo was zijn reportage over Braunau, waarmee het boek begint, in iets andere vorm eerder te lezen in Nieuwe Revu en Het vliegenboek en staat het essay 'Ze hadden hem tot eredoctor moeten benoemen' al in Het circus der eenzaamheid.

Bij de AP haakt met dit boek aan bij het thema van de Boekenweek (de oorlog), wat ook het geval is met een debuut van Jan Ipema, die in Het naoorlogse web van de kameraden een (fictief) complot onthult over de bevrijding van de Duitse oorlogsmisdadigers in Breda door een stelletje neo-nazi's, oud-SS'ers of andere lieden die - nogal wrang om te lezen - wel toegeven dat de Duitsers ten aanzien van de joden 'fouten' hebben gemaakt, maar de holocaust als propaganda van de geallieerden en het 'wereldjodendom' afdoen (¿ 29,90).

Ik vrees dat we met deze boeken en de vele andere met de oorlog als onderwerp die al zijn verschenen of nog moeten verschijnen de Boekenweek niet ècht opgewekt tegemoet hoeven zien. Dat laat uiteraard onverlet dat er boeken zijn zoals De plaats van de ster van Patrick Modiano - ooit kundig geparafraseerd door de schrijver van het Boekenweekgeschenk Leon de Winter - die je vanwege hun behoedzame benadering van het oorlogsleed steeds wéér kunt lezen. De plaats van de ster (¿ 32,90) kwam als Quarto-uitgave tegelijk uit met Hondelente (¿ 29,90) van Modiano, wiens werk door Meulenhoff van De Arbeiderspers is overgenomen.

In de oorlogssfeer speelt zich ook het nieuwe boek van Tonny van der Horst af. Zij schreef eerder over haar sympathiek beoordeelde jeugdherinneringen in Het huis aan de Schiekade. In Liefde en oorlog doet Van der Horst verslag van de oorlogsjaren die zij in Amsterdam doorbracht (Atlas, ¿ 34,90).

Er is meer Nederlands proza, zelfs zoveel - de Boekenweek nadert - dat ik het lang niet allemaal heb kunnen lezen. En ik vraag me ook af, òf ik het allemaal wel wìl lezen, want al doorbladerend had ik zelden het prikkelende gevoel dat me iets uitzonderlijks werd geboden. Bij Serge van Duijnhoven, de gangmaker van de Kunstgroep der Lage Landen en het tijdschrift MillenniuM, had ik dat wel, omdat zijn 'sleutelroman' Dichters dansen niet de lezer een, goedgeschreven, beeld van zijn generatie in het vooruitzicht stelt (Prometheus, ¿ 29,90).

Sammi Landweer trok me met zijn verhalenbundel Woestijn (Contact, ¿ 36,90), omdat zijn uitgever zo zijn best doet zijn debutanten heel opvallend te 'brengen'. Landweers verhalen vielen, sober en suggestief als ze verteld zijn, niet tegen, maar een openbaring waren ze nu ook weer niet.

Het debuut van de architect Edzard Mik met een allesbehalve eenduidig verhaal over een bijzondere bouwopdracht in een Aziatisch land (De bouwmeester, AP, ¿ 27,50) ga ik zeker lezen, omdat de hele entourage in dit boek van het begin af aan nogal afwijkt van wat je gewend bent. Dat geldt ook voor een stilist van hoog niveau als de Vlaming Pol Hoste, die in High Key met veel dialoog een sfeer oproept die je langzaam genietend moet ondergaan voordat tot je doordringt wat hij met al die sublieme momentopnamen bedoelt (Prometheus, ¿ 34,90).

Wie, ten slotte, wel eens een voorstelling van Aristofanes in het theater van Epidauros heeft bijgewoond, hoef ik niets te vertellen over de 'actualiteit' van Aristofanes' komedies. Hein van Dolen vertaalde er drie, Vrouwenstaking, Vrouwenfeest en Vrouwenpolitiek, die niet minder dan een sensatie zijn als je leest in wat voor ongezouten taal de dames in het klassieke Athene mannen dwingen om op te houden met dat eeuwige vechten (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 49,90; ¿ 69,- gebonden).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.