Krijgertje met Schubert

Steeds meer Europese festivals zoeken naar 'Kreationen' als variant op de traditionele vormen van opera en toneel. In het Holland Festival staan er drie van zulke producties....

'Er bestaat iets...ik zal maar zeggen het Elisabeth Schwarzkopf-syndroom. Als die een masterclass geeft, en het gaat helemaal over de P en de T en de Ssss, over dat verantwoorde plaatsen van medeklinkertjes, dan denk ik ''nee, verdomme, het is ICH GROLLE NICHT!''. En niet:...' (Reinbert de Leeuw trekt de onderlip over de voortanden, en zet een mezenstemmetje op). 'En niet: 'Piep, ich grôlllle niichttt. Afgrijselijk. Wie leest er nou zó een gedicht.'

De Leeuw, dirigent en pianist, is voor het Holland Festival 2003 teruggekeerd naar een voormalig, door hem ooit afgezworen ambacht. Componeren. Im wunderschönen Monat Mai heet zijn nieuwe stuk, een compositie 'over' het romantische lied. De titel heeft hij ontleend aan het eerste nummer van de cyclus Dichterliebe van Robert Schumann, op gedichten van Heinrich Heine.

Geciteerd, geparafraseerd en bijgekleurd, beurtelings bekort, verlengd, intact gelaten, uit elkaar gehaald en opnieuw verlijmd, speelt Schumann in het nieuwe stuk van De Leeuw krijgertje met een eveneens grondig bewerkte collega, Franz Schubert, componist van Winterreise, Gretchen am Spinnrade en andere parels van de liedkunst. De dichters Goethe en Heine wisselen stuivertje met hun minder getalenteerde neefjes Rellstab en Wilhelm Müller.

Und Schönberg ist auch dabei. Een klein beetje tenminste. De Leeuw concipieerde het stuk, 'als in een flits', voor het Schönberg Ensemble en de Berlijnse actrice Barbara Sukowa. Zij moet spreken, zingen en spreekzingen, maar als ze één opdracht heeft, is het deze: 'Vooral niet op een liedzangeres lijken. Zelfs geen poging doen daarbij in de buurt te komen.'

'Ik zing natuurlijk vals. Nou ja, enigszins vals', zegt Markus Hinterhäuser. Hij is de pianist die in Schuberts liedcyclus Die schöne Müllerin, geënsceneerd door de Zwitserse theatermaker Christoph Marthaler, plotseling uit zijn rol valt, en met stembanden van ongeschoold karton tot ieders verbijstering het nummer 'Dankzegging aan de beek' inzet. Waarbij de vleugel onder zijn handen wegglipt, en zich een eigen weg baant door het biedermeierinterieur van een rockdansende Molenaar en zijn dochters.

Ook deze proeve van liedkunst is te zien in het Holland Festival 2003, en de Vereniging Vrienden van het Lied zij gewaarschuwd. De bergschoenen en de draaiende kont van de actrice die als molenaarsdochter het openingslied uitkwekt ('Das Wandern ist des Müllers Lust') staan haaks op de Elly Ameling-traditie.

Uit de pas met Dietrich Fischer Dieskau lopen in deze Marthalerproductie ook de verrichtingen van de tenor Christoph Homberger, een Molenaar die het 'Ich hört' ein Bächlein rauschen' uitkraamt vanuit het echtelijk Molenaarsbed (zijn dochters inspecteren onderwijl hun verzameling pornofoto's). Waarna hij het onvergetelijke lied Ungeduld debiteert tijdens een heftig debat met een zwijgende wandkast - de kast waaruit de molenaar later tijdens een zonderlinge ontknoping tevoorschijn komt, meegetrokken door een stoet naakte jongemannen, van wie je eigenlijk verwachtte dat ze achter de dochters aanzaten.

Het zijn taferelen van een even fraai als onbenoembaar genre, gekleurd door hilariteit en bodemloze Sehnsucht.

Mét de molenaar, de dochters, hun pianolesgevende moeder (wiegend suikerspinkapsel), een stoet bewegingskunstenaars en een medepianist, zal Markus Hinterhäuser ook in het Holland Festival weer van de partij zijn. Hij heeft er, na tientallen voorstellingen in Zürich en in festivals in Berlijn, Dortmund en Brussel, nog geen genoeg van.

Wel voelt hij zich 'onwennig', zodra hij het 'War es also gemeint, mein rauschender Freund' moet aanheffen. 'Marthaler heeft me overgehaald. Ik was zó verlegen', zegt de Oostenrijker, die vooral bekend werd als een man van de hedendaagse muziek. Hinterhäuser maakte cd's met werk van Cage, Scelsi en Oestvolskaja, en organiseerde in Salzburg het nieuwemuziekfestival 'Zeitfluss'.

Daarvóór was hij liedpianist. 'Zeven jaar lang recitals.' Hij begeleidde het liedfenomeen Brigitte Fassbaender. En Dawn Upshaw, in Schuberts Winterreise.

'De Winterreise, die gaat toch niet over dans?' Dat vroeg The New York Times aan Simon Keenlyside, de bariton die de spil is in een recente Winterreise-productie van de New-Yorkse choreografe Trisha Brown. Ook haar Schubert-enscenering, waarin Keenlyside optreedt als zanger-protagonist, is in het Holland Festival te zien.

Keenlyside wordt erin vergezeld door een pianist en drie dansers. En steeds, zegt hij, heeft hij weer het gevoel dat hij iets moet 'rechtvaardigen', zodra de buitenwacht vragen gaat stellen. 'En het eind van het liedje, is dat iedereen laaiend enthousiast is, zodra-ie het stuk gezien heeft.'

De 24 gedichten van Wilhelm Müller die Schubert in zijn Winterreise toonzette, zijn stadia in de zwerftocht van een eenzame ik-figuur, die in elke windvaan, lindenboom of grommende hond slechts een bevestiging kan zien van zijn eigen doodsverlangen. Trisha Browns gedanste versie, is volgens Keenlyside 'geen verhalend ballet, maar de fysieke uitdrukking van een state of mind'.

De Britse bariton voelde van huis uit 'een gezond wantrouwen tegen alles wat lichamelijk is'. Hij is maandenlang door Brown onderhanden genomen, zes uur per dag. 'Dan ga je wel de diepte in met zo'n cyclus', zegt Keenlyside, 'hoe abstract en hoe sober haar gebaren en bewegingen ook zijn. Wij zangers zijn gewend aan verbale uitwisseling. Maar juist haar fysieke expressie heeft voor mij allerlei uithoeken van het werk verhelderd.'

Keenlyside zegt dat zijn muzikale uitvoering er beter door is geworden. 'Niet doordat ik ''meer'' ben gaan doen aan allerlei details, maar door minder te doen. Eigenlijk wat elke musicus graag wil.'

Theaterproducties rond het Lied: ze komen de moderne festivaldirectie als geroepen. Festivals als in Edinburgh, Aix en Salzburg, ze kampen met een zekere repertoiremoeheid. 'Onthullende visies' op de opera- en toneelcanon beginnen een zeldzaam goed te worden. In de RurhTriennale wordt inmiddels geld en energie gepompt in nieuwe, anderssoortige 'Kreationen'. Bigbandklanken rond keizer Heliogabalus. Theater rond geïsoleerde 'sentimenten' uit Verdi-opera's. Nieuwe mixages van bekende geluiden en ikonen.

Ikonen bij uitstek zijn het brekende hart, de rozen en de maneschijn. Flöten und geigen. De Dubbelganger als voorbode van de Dood. Met de groeten van Heinrich Heine.

'Mijn borst is een archief van het Duitse gevoel', sprak Heine ooit. Dat moeten ook de componisten Schubert (1797-1828) en Schumann (1810-1856) hebben gevonden, voor wie je het woord Duitse rustig weg kon laten, omdat ze hun taalgebied zelden of nooit verlieten.

Voor Reinbert de Leeuw bewogen ze zich op een publiek domein. 'Ze componeerden op teksten die iedereen kende. Het was geen hoogverfijnde cultuur, maar iets heel directs, dat zich onder vrienden afspeelde. Zo'n lied als Schumanns Ich grolle nicht, dat is voor mij de eerste popsong.'

'Schubert schreef zeshonderd liederen', zegt Markus Hinterhäuser. 'Dat moet in een ongelooflijk tempo gebeurd zijn. Die vrienden hebben gelachen en gehuild met die liederen. A prima vista. Het klinkt banaal, maar zo'n lied moet dezelfde snaren hebben getroffen als het werk van John Lennon of Dylan. Iedereen die je tegenkomt, kent Imagine.'

Wat er tussen is gekomen, denkt de ervaringsdeskundige Hinterhäuser, is de liedrecitalcultuur. 'Een anachronisme. Met z'n voorgekookte ontroering soms zelfs belachelijk.'

De gespalkte zangersrug, de bevroren glimlach, het knikje naar de pianist die beschaafd pompompommend inzet, Reinbert de Leeuw kan er niet meer tegen. 'De laatste keer dat ik Dichterliebe in de zaal hoorde, ik kon wel schreeuwen.'

Die schöne Müllerin, volgens Schuberts Weense uitgever anno 1824 een bundel 'die zowel de kenner als de ontwikkelde muziekvriend zal charmeren', telt twintig liederen. Over het wandelen, het beekje. Bloemen. Mooie molenaarsdochter. O, o, de jagersman strooit roet in het eten. Het is biedermeier op z'n braafst, maar er valt ook ironie in te lezen, en in de baslijn van het tweede lied, over het Bächlein, laat Schubert al de diepte meeklinken van het water waarin de versmade minnaar zich uiteindelijk zal verdrinken.

De ironische omkeringen die Christoph Marthaler toepast - cancan-dansende dochters die er tevergeefs op hopen dat de dichter haar onder rokken zal gluren - dienen volgens Hinterhäuser de sfeer van 'verlorenheid, verlatenheid'. 'Het zijn meer ''toestanden'' dan anecdotes.' Marthalers theater, zegt Hinterhäuser, is geboren uit muziek. 'Bij de repetities is weinig gepraat. Er werd voornamelijk gezongen.'

Dat grote porties liedkunst het desnoods zonder zanger kunnen stellen, weet iedereen die thuis wel eens achter de piano heeft gezeten met een bevriende saxofonist, al krijgt zo'n Ständchen van Schubert dan ook meteen iets merkwaardig Ennio Morricone-achtigs. Het Nederlands Blazers Ensemble probeerde Schubert een keer uit met zingende country-zusjes: An die Musik, honderd procent Nashville.

De theaterman Bob Wilson regisseerde Die Winterreise, met Jessye Norman in een jurkje van Yves Saint-Laurent. De popman Jan Rot vertaalde De winterreis. Ook hun liedkunst-excercities hebben iets gemeen: men wil weg van de griebels die over de grabbels lopen, weg van het recital. Uri Caine zette Schumanns Dichterliebe neer in bluesambiance. De componist Hans Zender orkestreerde Schuberts Winterreise. In de RuhrTriennale was de Winterreise te zien in een boksring, met bier en augurken voor de sfeer.

Aartsvader van dat alles is de componist Mauricio Kagel, die begin jaren tachtig zijn fenomenale 'liederenopera' Aus Deutschland bedacht, onder postume aanmoediging van Franz Liszt, die de liederen van Schubert ooit beschreef als 'miniatuur-opera's'. Kagel voerde ze letterlijk ten tonele, de oude orgeldraaier en de honden uit de Winterreise, de Dood en het Meisje, Gretchen uit Goethes Faust. Met Goethe en Schubert zelf, werden ze tot zuchtende boodschappers van het Duitse doodsverlangen, in een partituur waar bijna geen noot Schubert, maar des te meer Kagel in doorklonk.

Reinbert de Leeuw dirigeerde het stuk in twee Holland Festivalproducties. 'Een fantastische inspiratie', zegt hij, 'omdat Kagel alle paradoxen die je kunt bedenken aanscherpt.' Maar groter nog was de zuigkracht van de liedkunst zelf, al bleef het lange tijd bij telefonische onderonsjes tussen De Leeuw en Barbara Sukowa. De Duitse actrice, vooral bekend geworden als de nachtclubzangeres in Fassbinders film Lola, was De Leeuws trouvaille voor het Holland Festival 1982, toen ze als feeërieke spreekzangvertolkster optrad in Schönbergs Pierrot lunaire.

Met Duitse liederen begonnen ze voor de lol, tussen de bedrijven door. Origineel was haar cadeautje toen De Leeuw zestig werd. Ze stuurde hem uit New York een tape-je met haar eigen versie van Ich grolle nicht, gemaakt met Amerikaanse popmusici. Ooit, besloot De Leeuw, zou hij met haar een Pierrot lunaire-reprise presenteren, gecombineerd met een liedronde. 'Alleen, hoe in godsnaam?'

Het werd een compositie over driemaal zeven liederen. Gerangschikt naar het voorbeeld van Schönberg, die zijn Pierrot lunaire-cyclus een driedelige vorm gaf door gedichten van Albert Giraud over één en dezelfde maanzieke clown in te delen in zeventallen, bij elkaar passend door sfeer en temperament.

De spil in De Leeuws Im wunderschönen Monat Mai is Heinrich Heine, de dichter van Schumanns Dichterliebe. De bloemknoppen die al in de eerste zin openspringen, tegelijk met het 'hart dat zich opent voor de liefde' - het is de 'oerzin', zegt De Leeuw, 'van alle liedkunst'. Met de 'boze liederen' die de dichter in het slotnummer graag te water zou laten in een kolossale doodkist, zwaar van liefde en smart, creëerde Heine de 'oer-eindzin'.

Het zijn de begin- en eindfasen van een collage die zich beweegt van lyriek naar 'ontsporende dramatiek' (Rastlose Liebe). En van de hysterie (Erlkönig) naar 'ironie en berusting'. Lied- en gedichtflarden als in een droom, met het toverpizzato uit Schuberts strijkkwintet er gratis bij. De Leiermann blijkt in De Leeuws compositie een echt liedje te spelen: Kennst du das Land wo die Zitronen blühen.

'Het zal misschien schandelijk worden gevonden, zoals we ermee omgaan. Maar ik weet nu dat het allemaal één, universeel thema is', zegt De Leeuw. Hij zal het stuk niet dirigeren. De Leeuw gaat aan de piano zitten, met het Schönberg Ensemble in een halve cirkel om de zingzegster heen. 'Ze ziet er natuurlijk vreselijk tegenop. Iedereen kent die liederen.' Sukowa heeft één houvast. 'De liedkunst', zegt De Leeuw, 'die gaat nooit verloren'. Als er maar niet zo erg kunst van wordt gemaakt.'

'Nieuwe visies op de liedkunst? M'n neus', zegt Simon Keenlyside, de zanger van Trisha Brown. 'Gewoon op het liedpodium, met een piano erbij, dat is pas superb. De Winterreise is een mijlpaal in de kunst. Ik dank god op mijn knieën, dat de Winterreise géén populair stuk is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden