Krijgen we een dienstbodenmaatschappij?

Het plan om werklozen tegen betaling klusjes te laten doen bij particulieren, lijkt steeds meer steun te krijgen. Rik van Berkel en Aat Brand vragen zich echter af of de bedenkers van de zogenoemde dienstencheques wel beseffen wat dit betekent voor het zelfrespect van de werkloze....

VAN verschillende zijden wordt de laatste tijd gepleit voor het introduceren van een zogenoemde dienstencheque. Met de introductie van zo'n cheque of voucher, zo wordt betoogd, kunnen verschillende vliegen in één klap worden geslagen.

De consument kan zich vrije tijd kopen, omdat allerlei huishoudelijke diensten (schoonmaken, kleding wassen, strijken, boodschappen doen, klein onderhoud) kunnen worden uitbesteed. Ook de werkloze heeft er voordeel bij. Zo wijst Hans Bosselaar er in Forum van 3 maart op, dat de introductie van de dienstencheque de werkloze in de gelegenheid stelt een (beperkt) inkomen in aanvulling op de uitkering te verdienen, en nieuwe mogelijkheden voor sociale participatie creëert. De dienstencheque lijkt dus in ieders voordeel te zijn. Zeker als het systeem is gebaseerd op de vrijwillige deelname van de werklozen.

Toch valt er wel wat af te dingen op dit enthousiasme. Bekijken we eerst het perspectief van de werkloze. Al vaak is gewezen op het feit dat de geringe bijverdienmogelijkheden die de Algemene Bijstandswet werklozen biedt, eerder een rem dan een stimulans vormen voor hun arbeidsparticipatie. Recentelijk is de situatie nog verslechterd door de afschaffing van de landelijke bijverdienstenregeling in de ABW.

In plaats daarvan is een zogenoemde incentive-regeling gekomen, die door de gemeenten wordt ingevuld en uitgevoerd. Gemeenten kunnen er nu voor kiezen om alle inkomsten uit bijverdiensten in mindering te brengen op de uitkering. Voor bijstandsgerechtigden is het dan nog slechts financieel aantrekkelijk om betaald werk te aanvaarden als zij met dat werk meer verdienen dan de uitkering opbrengt.

Tegelijkertijd valt uit onderzoek onder bijstandsgerechtigden op te maken dat hun financiële situatie het laatste decennium vaak slechter is geworden. Een indicatie daarvoor is het feit dat ongeveer de helft van de bijstandsgerechtigden schulden heeft. Van hen kampt weer een grote groep met problematische schulden: men is niet meer in staat om aan de aflossingsverplichtingen te voldoen.

Het doel van de introductie van een systeem van dienstencheques, namelijk om de bijverdienmogelijkheden van bijstandsgerechtigden uit te breiden, is dus zeker sympathiek. Ook omdat een incidentele deelname aan betaalde arbeid een opstap kan zijn naar een meer reguliere vorm van arbeidsparticipatie.

Maar daar hebben we geen systeem van dienstencheques voor nodig. Het vergroten van de bijverdienmogelijkheden in de ABW zou op zich al voldoende (en dus minder omslachtig) zijn. Natuurlijk krijgt de bijstand zodoende iets meer het karakter van een basisinkomen. Maar dat gebeurt toch als men pleit voor meer bijverdienmogelijkheden voor mensen met een uitkering.

Een tweede motief om de introductie van dienstencheques vanuit het perspectief van werklozen te bepleiten, is dat het hun mogelijkheden voor sociale participatie vergroot. Ook dat is zeker een sympathiek motief. Want hoewel werklozen gelukkig niet meer massaal achter de geraniums verdwijnen, is werkloosheid voor velen nog steeds een hard gelag, ook in sociaal opzicht.

De vraag is evenwel of de werkzaamheden die de pleitbezorgers van een dienstencheque op het oog hebben en de sociale context waarin die werkzaamheden plaatsvinden, daadwerkelijke mogelijkheden bieden voor participatie. Zeker als men zich realiseert dat de huizen waarin een en ander zich zal voltrekken, hoogstwaarschijnlijk verlaten zullen zijn door de, betaald werkende, bewoners.

Voorts moet niet uit het oog worden verloren over wie we eigenlijk spreken wanneer we het hebben over mogelijkheden voor langdurig werklozen om betaald werk te verrichten. Hetzelfde geldt voor de vraag wat het verrichten van werkzaamheden in de persoonlijke dienstverlening betekent voor het zelfrespect van de werklozen op wier inzet een beroep wordt gedaan. Daarbij gaat het niet alleen om de aard van de werkzaamheden, maar ook om de relatie met de opdrachtgever.

In een tijd waarin werklozen geacht worden niet al te kieskeurig te zijn en waarin met regelmaat op het nut van huishoudelijke arbeid wordt gewezen, is dit argument misschien van weinig waarde. Maar in een tijd waarin de waardigheid van werklozen toch al flink onder vuur ligt, kan het geen kwaad erop te wijzen dat beleidsmakers niet altijd uitblinken in kennis van en respect voor de belevings- en gevoelswereld van degenen op wie hun voorstellen zich richten.

Pleidooien voor de invoering van een dienstencheque roepen verder de meer principiële vraag op naar de toekomstige plaats van huishoudelijke en zorgtaken in het arbeidsbestel en de verzorgingsstaat.

Er is weinig in te brengen tegen de wenselijkheid meer mogelijkheden te scheppen voor het verrichten van betaald werk, vooral voor diegenen die al jarenlang niets liever willen dan dat. De vraag is echter hoe dit doel bereikt dient te worden. In het huidige debat is elke betaalde baan er één. Criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of wenselijk is allerlei nu onbetaalde activiteiten in de vorm van betaald werk te organiseren, spelen nauwelijks een rol.

Daardoor kan de opwaardering van onbetaalde activiteiten nu vooral de vorm aannemen van pleidooien om die activiteiten maar te belonen. Immers, dat vergroot de werkgelegenheid en de participatiemogelijkheden. De invoering van een systeem van dienstencheques past naadloos in dit debat. De monetarisering en commercialisering van onbetaalde activiteiten wordt op geen enkele manier ter discussie gesteld.

Toch is daar wel reden voor. Want wat betekent de betaling van huishoudelijke en verzorgende arbeid voor de producenten van deze vormen van dienstverlening bijvoorbeeld voor de aard van het werk, de verhoudingen waaronder het werk plaatsvindt, de mogelijkheden voor participatie die het biedt?

Wat betekent het voor de maatschappelijke verhoudingen als de buitenshuis betaald werkenden degenen die op de arbeidsmarkt minder kansrijk zijn, optrommelen om de werkzaamheden binnenshuis tegen een aanmerkelijk lager uurloon dan zij zelf verdienen, te laten verrichten: is arbeidsparticipatie ons een 'dienstbodenmaatschappij' waard? En zijn de consumenten er zelf wel altijd bij gebaat om zoveel mogelijk huishoudelijke en zorgtaken door anderen te laten doen?

ER zijn andere manieren denkbaar om met onbetaalde verantwoordelijkheden om te gaan. Bijvoorbeeld door maatregelen die mensen in staat stellen hun huishoudelijke en verzorgende verplichtingen zelf op zich te nemen, als ze daartoe in staat zijn, en die zeggenschap geven over de verdeling van hun tijd over onbetaalde en betaalde verplichtingen.

Ook dan kan de deelname aan betaalde arbeid worden vergroot. Niet door steeds meer activiteiten onder het regime van de arbeidsmarkt te brengen, maar door voorwaarden te scheppen om menselijke tijd en energie op een andere manier over diverse vormen van arbeid te verdelen.

Bosselaar eindigt zijn artikel met de opmerking dat de discussie over de dienstencheque niet verward moet worden met die over de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Onze conclusie is dat beide onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat een debat over de plaats van onbetaalde arbeid van groot belang is.

Rik van Berkel is werkzaam bij de projectgroep arbeid & participatie van de vakgroep algemene sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht;

Aat Brand is werkzaam bij de dienst sociale zaken en werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.