KREUPEL DOLEND MACHTELOOS

Alize Zandwijk houdt niet van poespas of recepties, dus dit was eigenlijk niet de leukste week. Maar opgelucht is ze wel, dat haar stuk 'Portia Coughlan' goed is ontvangen tijdens de Wiener Festwochen....

'Alize zoekt de grenzen op, ook wat betreft theatertechniek.' Bram de Ronde, productieleider van het Ro Theater, klinkt opgewekt terwijl hij in de tussentijd de prijsplakkertjes van een aantal champagneglazen krabt. Het is premièredag; vanavond wil hij toch direct na de voorstelling champagne kunnen schenken. Dus is hij even Wenen in gerend, zestig glazen op de kop getikt. Dat doet hij even zo makkelijk als de Oostenrijkse 'theaterpolitie' ervan overtuigen dat het moet kunnen, een kettingzaag op het toneel. Alize hecht bepaald waarde aan die zaag, De Ronde schept de voorwaarden, in stilte.

Het Ro Theater brengt Portia Coughlan, in de laatste week van de Wiener Festwochen. Het Rotterdamse gezelschap bespeelt Halle G, op het terrein van het vorig jaar geopende MuseumsQuartier, een keurig ommuurd cultuureiland nabij de Burgring.

Halle G - de bunker, zeggen ze. Drie verdiepingen onder de grond, Wenen kan je zo maar ontgaan. Maar de kleedkamers, het keukentje waar De Ronde nu de glazen probeert te verstoppen (verrassing!), alles oogt nieuw en fris oranje. Elke dag zes poetsvrouwen, zegt de productieleider, best luxe allemaal hier. De productionele ondersteuning is ook top. En wat die kettingzaag betreft, dat is toch maar mooi gelukt. De acteur die het ding moet bedienen, heeft gedegen les gehad en inmiddels wie weet hoeveel boomstronken doorgezaagd. Ook in Nederland zijn de veiligheidsvoorschriften streng.

Verderop in de gang liggen de toi's, de geluksgebbetjes die elke première begeleiden. Alize Zandwijk, regisseuse, is voor buitenstaanders even niet benaderbaar; het is een dag van concentratie. Gerepeteerd wordt er niet meer; ook al niet voor de try-out, de avond ervoor, en de ontvangst door de bescheiden club genodigden was bepaald bemoedigend.

Wenen wíst het ook nog, zo bleek voor aanvang: Nachtasiel, Zandwijks succesvolle enscenering van Gorki's daklozendrama, zoemde door de zaal. Het was Luc Bondy die het zo'n vier jaar geleden naar Wenen haalde, waar het rauwe stuk insloeg als een bom. En het is nu opnieuw op uitnodiging van de Zwitserse intendant dat het Ro hier staat, dit maal dus met de Portia Coughlan van de relatief onbekende Ierse toneelauteur Marina Carr.

Een van de centrale vragen in het stuk luidt: is een mens in staat ooit van zijn verleden, van zijn wortels los te geraken? Dramaturg Erwin Jans: 'Het antwoord is vrij somber.' Na lezing aarzelde hij niet lang: 'Alize valt op dit soort stukken, waarin de grenzen van de menselijkheid worden afgetast. Kijk naar haar repertoire: duistere Shakespeares, Lars Norén. Portia Coughlan staat voor afrekening binnen een familie, harde confrontaties, duidelijke personages.'

Portia Coughlan is de naam van de hoofdpersoon, een vrouw van dertig in een achtergebleven Ierse gemeenschap. Op vijftienjarige leeftijd verliest zij haar tweelingbroer, een gebeurtenis die zijzelf, en met haar haar ouders en andere familieleden, maar niet te boven lijken te kunnen komen. Rond dit drama ontvouwt zich een volgend, als het noodlot, onafwendbaar.

Portia Coughlan heeft alle kenmerken en kracht van een Griekse familietragedie. Jans wijst bovendien op de structuur van een middeleeuwse triptiek: lijdensweg in het eerste deel, sterfscène centraal en uiteindelijk: verrijzenis. Mooi.

Eelco Smits is de broer. Hij lokt zijn zuster Portia (Sanneke Bos) met zijn prachtige zangstem zijn dodenrijk binnen. 'Als een omgekeerde Orpheus.' Het is een vreemde rol, zegt hij, in nu eigenlijk vreemde omstandigheden. Op een wat waterig terrasje binnen het MuseumsQuartier gebaart hij glimlachend: 'Het is dat hier een festival aan de hand schijnt te zijn, maar je merkt er zo weinig van! Je gaat in de kelder van een prestigieus theater zitten, en straks hebben we première - maar uit het publiek ken je maar een handjevol mensen.'

Waar nog bijkomt dat de versie die ze nu vier avonden achter elkaar spelen, straks in Nederland nog zal veranderen, onder invloed van een ander stuk van Carr, Kattenmoeras. Zandwijk wil in november beide stukken samenbrengen tot een soort tweeluik.

Tuurlijk blijft het ook spannend, zegt Smits. 'Alize heeft een soort toneeltaal die je gaandeweg met z'n allen gaat begrijpen. Het mag ook lélijk zijn, bij haar. Brutáál. En ik ben er nu wel aan toe dat te laten horen!'

Een paar uur later en het is alweer voorbij. De spanning glijdt weg, de zaal is overrompeld en enthousiast, Zandwijk kijkt wel blij, en Guy Cassiers (samen met haar verantwoordelijk voor het artistiek leiderschap van het Ro) schudt opgelucht handen en houdt een toespraak in antwoord op gastheer Bondy. De glazen van Bram de Ronde worden nog eens volgeschonken.

'Ik vind mijn enscenering op dit moment te mooi, nog', zegt Alize Zandwijk (1961) een beetje peinzend daags na de première. 'Nou ja, dat is mijn eerste reactie nu, hè. Toen ik aan het repeteren was, was het rudimentairder allemaal. Minder af. Het heeft te maken met de overgang naar Wenen ook. Hier is het licht mooier, waar het in Rotterdam bijvoorbeeld minder gesteld was. . .

'Ik denk dat deze voorstelling nog vrij veel gaat veranderen. Kattenmoeras, dat gaat nog wel z'n weerslag krijgen.'

Ook in dat stuk, zegt ze, zitten verwijzingen naar de Griekse tragedie; het is feitelijk de Medeamythe, wederom gesitueerd in Ierland. Niet dat ze veel doet met dat Ierse gegeven; al is het overduidelijk dat we te maken hebben met een in veel opzichten achtergebleven oord.

Een achterhoek, grinnikt ze. Waar aangetaste mensen wonen. 'Ik houd van aangetaste personages. Mijn personages zijn dolende personages.' Portia. Haar kreupele man (Herman Gilis) die o zo zijn best doet, haar machteloze moeder (Sylvia Poorta) die nog niet in staat is op het aanrecht te klimmen. Haar gefrustreerde vader (Paul Kooij) die met een redeloze grijns rotjes rondstrooit. De valse grootmoeder (Ditha van der Linden). De ordinaire tante (Goele Derick) die de moed erin probeert te houden, de brave oom (Marc De Corte) die haar uit de goot heeft geplukt. De plaatselijke barkeeper (Rogier Philipoom) die zich een held uit het Wilde Westen waant, de vriendin (Fania Sorel) die een oog moet missen.

'Als ik iets zou maken en het zou niet over mij gaan - nee, dat vind ik het niks. Zoals Macbeth, dat gaat ook over mijzelf. Ik heb nog nooit een moord gepleegd, maar die destructieve gevoelens ken ik. En hier in dit stuk, die man met die rotjes, dat is gewoon mijn vader. Heel herkenbaar, mensen met opgekropte gevoelens die opeens rare dingen gaan doen. . .

'Toch heb ik bij dit stuk veel moeten uitzoeken. Hoe de personages zijn, hoe ze zich verhouden. Wel of geen realisme. Ik maak veel gebruik van acteursinvallen. Sylvia begon al op een van de eerste repetitiedagen iets met een theedoek te doen. En heel heftig af te wassen. Dat dóen mensen, dacht ik toen, ze willen alles wegwassen. En maar wassen, en maar afwassen, handen wassen. Uiteindelijk heeft nu iedereen wel een keer een theedoek vast. Maar dat is heel geleidelijk gekomen allemaal.

'Wel weet ik van tevoren altijd precies waar het in de kern over moet gaan. Bij Portia is dat het gegeven dat mensen niet in staat zijn van hun verleden los te komen, niet in staat zijn te veranderen. Ieder mens zit vast in dat moeras, alles herhaalt zich. Kinderen laden de schuld van hun ouders op hun eigen schouders door de fouten van de ouders te herhalen. Mensen zitten vastgegroeid, met wortels aan hun verleden, aan elkaar. Het dorpje waar dat allemaal gebeurt is dan de vorm waarin je het giet.

'Bij Nachtasiel ging het erom niet alleen maar een sneu plaatje van wat daklozen te laten zien. Nee. Het moeten herkenbare mensen zijn, die ook iets van jezelf hebben. Dat stuk ging ook heel erg over mijn eigen onkunde. Ja, zo probeer ik steeds mijn werk zo universeel mogelijk te laten zijn, terwijl ik het wel uit mezelf laat vertrekken.'

Nachtasiel betekende Zandwijks Europese doorbraak. In het Oostenrijk van Haider kwam het destijds extra hard aan. 'Kijk om je heen', zegt ze. Rustig grandcafé, geometrisch plein, schoongewassen roze muren. 'Dat was een statement van hier tot Tokio.'

Dus: niet verwonderlijk dat de verwachtingen hoog gespannen waren. En opluchting alom nu de mediaontvangst goed is. 'O, ja', zegt ze. 'Het was een extra belasting. Je bent natuurlijk zo goed als je laatste voorstelling.' Kun je je nog zo stellig voorhouden dat je als maker sowieso verandert en inmiddels andere dingen maakt. Ze zucht. 'Ik wilde er geen last van hebben en ik heb het toch. Dat vind ik nou nog wel eens iets om te leren in het leven.'

Ach, zegt ze even later, dit is ook niet de leukste week. 'Ik houd niet zo van die poespas, met recepties en zo. Je wordt soms meegesleurd in dat soort flauwekul. Nou ja, ik doe helemaal nergens mijn best voor. Als ik zou willen, zou ik elke dag wel ergens naar toe kunnen. Niets doe ik. Het is helemaal niet mijn ding, ik kan er ook niet mee omgaan. Guy wel, die praat met iedereen. Ik praat met niemand.' Lacht: 'We zijn een goed koppel, ook op dat gebied.'

Maar ho, wacht: dit Weens avontuur is wel een cadeautje. Goed voor groep en regisseur. Ze kunnen wat laten zien, even pauze inlassen en na de vakantie fris verder werken aan de productie.

'Mijn stukken zijn vaak het beste als ik er het minste mee heb', zegt ze. 'Met Portia heb ik heel veel, en dus heb ik ook veel meer moeite met regisseren dan bijvoorbeeld laatst Leonce en Lena. Gek genoeg. Keefman ook, een monoloog met Jack Wouterse, ging goed. Maar de Oresteia wilde ik zó graag doen in mijn leven, en. . . het is niet gelukt. Mijn liefde voor een stuk garandeert niet dat het goed wordt.'

'Voor Leonce en Lena heb ik het absurdisme opgezocht. Dat was me een beetje vreemd en ook nieuw. Vond ik wel een vooruitgang.'

Internationale podia? Ze kijkt bevreemd. 'Die zoeken we niet op met het Ro. Tuurlijk is het hartstikke leuk als een buitenlands publiek ondersteboven is van wat je hebt gemaakt. Goed voor je zelfvertrouwen. Er daalt een soort rust neer. Want ik blijf toch altijd over mijn voorstellingen nadenken, en op het moment dat je nog een ander soort waardering krijgt, kun je zelf ook anders kijken. Dat is wel gezond en om die reden vinden zowel Guy als ik het belangrijk af en toe wat werk in het buitenland te laten zien. Voor de reflectie.

'Maar ik hoef niet, zoals Theu Boermans en Johan Simons en Ivo van Hove en wie al niet, per se internationaal. Die ambitie!' Het Hamburgs Thalia Theater heeft Zandwijk al een paar maal uitgenodigd. 'Als ik al zou gaan, is het omdat ik het eens een keer leuk vind te zien hoe ik regisseer met een ander soort acteurs. Maar die nieuwsgierigheid mag niet ten koste gaan van je eigen club.'

Guy Cassiers en zij zijn juist op dreef, zegt ze. Ze maken elk compleet ander theater, werken op een heel andere manier - 'ik wil niets en niemand om me heen als ik met de acteurs bezig ben' - maar denken op dezelfde manier over bedrijf en beleid. De acteurs werken met beiden. 'En dat is wat!' Na vier jaar is er stabiliteit. Er is een Vlaamse garde uit Antwerpen, de stad waar ook Zandwijk inmiddels woont, met zoontje en vriend Herman Gilis. Ik vind het een genot, zegt ze. 'Minder hip, minder alles.'

Vlaming Cassiers heeft zich direct gevestigd in Rotterdam, waar toch inmiddels een trouw publiek is opgebouwd. 'Mensen gaan nu wel wennen aan ons. Ik ben blij met waar we zitten, met het Ro. Een beetje zo in de luwte, daar ben ik wel van. Een goede plek. Een achterhoekplek.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden