Kras in de zaal, kreupel thuis

Samen zijn ze bijna anderhalve eeuw oud, de drie tafeltennissers die op het punt staan Docos vanuit het niets op te stuwen naar de eredivisie....

MARTIEN SCHURINK

TAFELTENNIS doet rare dingen met zijn beoefenaars. Kijk de drie knarren van het Leidse Door Combinatie Sterk tijdens een wedstrijd eens springen, dartelen en anderszins kras proberen te zijn. En zie ze eens hun wonden likken na de laatste bal. Dan zijn de drie ineens weer oude, helemaal niet zo krasse knarren. 'Daags na een wedstrijd kom ik de trap niet meer af.'

Van den Berg, de laatste nog in leven zijnde verdediger, nadert onheilspellend snel de 53 jaar. En het is hem nog aan te zien ook. Grijs is zijn haar, getekend zijn gezicht door een leven dat bestond en bestaat uit pingpongen en lesgeven. Maar zijn lijf is nog altijd van pas geperst staal, zij het alleen in de pingpongzaal.

René Hijne, met zijn 42 jaar de benjamin van het Leidse tafeltennistrio, herinnert in weinig meer aan de jonge springerige en sprietige speler die pakweg twintig jaar geleden als international het landsbelang diende. Grijs is ook hij, dat wel, maar het lijf oogt, hoewel licht bollend, behoorlijk getraind. Sportleraar dus.

En dan Fred van Oostenrijk. Duidelijk is dat hij niet liegt als hij beweert dat hij er al 45 jaar op heeft zitten. Hij is de grote onbekende in de Nederlandse competitie, want tien jaar hield hij zich schuil in Vlaamse pingpongzalen. Het is daarom dat hij zich aann het begin van elke partij altijd even voorstelt aan zijn tegenstander. Met een handdruk en een vriendelijk woord, zoals het een maatschappelijk werker betaamt, en vervolgens, onmiddellijk na het eerste door hem gewonnen punt, met een oerschreeuw die ver over de Hollandse polders reikt.

Hi, ik ben Fred van Oostenrijk en je moet weten dat ik vast van plan ben dit potje te winnen.

Dat fanatieke van Van Oostenrijk hebben ze allemaal. Achter de tafel veranderen ze van niet meer zo heel fitte, voorname heren in door en door fitte, fanatieke heren die plezier in het spel belangrijk vinden, maar winnen nog veel belangrijker. En dat doen ze dan ook. Ed van den Berg mag pronken met het hoogste winstpercentage in de eerste divisie en zijn twee metgezellen sprokkelen ijverig zoveel punten bijeen dat promotie naar de eredivisie vandaag al een feit kan zijn.

Het toeval dreef de drie veteranen anderhalf jaar geleden in elkaars armen. Fred van Oostenrijk had het na tien tropenjaren wel gezien in België. 'Dat reizen van en naar Antwerpen begon me tegen te staan. Ik wilde wel eens wat rust en regelmaat in mijn leven en wat tijd voor mijn kind.' Van Oostenrijk verhuisde van Haarlem naar Leiden, waar hij een club zocht die bij hem paste. Scylla, de club waar hij in een ver verleden als pingponger zijn eerste schreden zette, leek hem wel wat. Maar hij schrok zich wezenloos toen hij bij zijn eerste bezoek uitgerekend Gerard Bakker, de roemruchte ontdekker en trainer van Bettine Vriesekoop, in de zaal ontwaarde.

Al 45 jaar en nog steeds bang voor Bakker? 'Dat niet, ik schrok omdat ik me realiseerde dat er in al die jaren niets was veranderd. Ik ben ooit begonnen bij Scylla. Bakker was daar de grote man. Hij zag niets in mij en weigerde me training te geven. Daar moest ik aan denken toen ik hem in die zaal zag. Op dat moment dacht ik: hier wil ik niet zijn, wegwezen. Overigens heb ik toch wel wat van die man geleerd. Mijn slechte gedrag achter de tafel.'

Met Docos klikte het aanmerkelijk beter. Van Oostenrijk vond het meteen een sympathieke club. Sympathiek omdat het bestuur toernooien organiseerde voor asielzoekers en hanggroepjongeren, veel voor de jeugd deed en ook nog eens op een heel behoorlijk niveau speelde.

Maar alleen was maar alleen. En dus zocht het pingpongdier Van Oostenrijk een ander pingpongdier. Die vond de geboren Haarlemmer in de persoon van de vele jaren eerder in Haarlem geboren Ed van den Berg. Hij belde zijn oude stadgenoot op en vroeg hem of hij zin had met hem bij Docos te trainen, te spelen en een team te formeren. Natuurlijk had Van den Berg zin, veel zin zelfs. 'Ik ben altijd verslaafd geweest aan pingpong. Heb bij veel clubs gespeeld. De eerste was het AMVJ van Paul Gimbel, Bert Onnes en Mauri Coltof, de laatste een dorpsclub in Leimuiden, die in de vierde divisie speelde. Dat vond ik tamelijk laag. Ik wilde graag weer hogerop.'

Ze waren nog maar met zijn tweeën, Ed van den Berg en Fred van Oostenrijk. Hoe en waar zouden ze een sterke derde man kunnen ritselen, want ze wilden niet alleen trainen om het oude lijf een beetje in het gareel te houden, ze wilden ook en vooral spelen, de competitie aangaan, en dan het liefst ook nog op een zo hoog mogelijk niveau. Na lang zoeken vonden ze een geschikte kandidaat, René Hijne.

Hijne was in de jaren zeventig en tachtig een speler van naam. Hij leerde de eerste beginselen van het spel der spelen bij Iduna, kwam daarna uit voor NMB/VDO, Delta Lloyd en maakte de glorietijd van Tempo Team mee. Veroverde aan de zijde van Van der Helm en Van Slobbe zes nationale clubtitels, nam deel aan drie EK's en WK's en werd zeventig keer geselecteerd voor de nationale ploeg. Hijne sleet zijn laatste jaren bij Het Hooge Huys in Alkmaar en hield tien jaar geleden op topsporter te zijn.

Sindsdien raakte Hijne nooit meer een batje aan. Hij schafte zich een tennisracket aan, bekwaamde zich in dit spel en werd sportleraar. Was hij nu wel de aangewezen man om die twee ambitieuze knarren terwille te zijn? 'Ik begon al op mijn negende te tafeltennissen. Als zestienjarige had ik iedereen al een keer verslagen. Ik haalde alle diploma's en schreef een tafeltennisboek. Het afscheid viel me erg zwaar. Ik miste het spel, de spanning, de aandacht. Jaren heb ik erover gedaan om af te kicken.'

Moest hij na dat moeizame afkickproces opnieuw verslaafd raken? Hijne dacht lang na over het aanbod en stemde uiteindelijk toe. 'Ik deed het voor de lol, maar dat niet alleen. Ik wilde ook wel weer de sensatie van spelen en winnen beleven, de typische tafeltennisstress voelen en ondergaan. Maar wat me ook aansprak was het fanatisme van Ed en Fred. Ze waren heel geestdriftig en zijn dat nog steeds. Ze geven nooit een punt cadeau. Wat zij presteren grenst aan het ongelooflijke. Het is pure topsport. Laat daar geen misverstand over bestaan.'

Anderhalf jaar geleden begon Docos in de derde divisie. Promoties volgden elkaar in hoog tempo op en nu lonkt ineens de eredivisie. Het oude trio voert de ranglijst in de eerste divisie aan met een voorsprong van vijf punten op Hotak. Vandaag, in een rechtstreeks duel met Hotak, valt de beslissing. Twee van de drie worden gekweld door twijfels. Hijne heeft daar geen last van. 'We gaan maar voor één plek, de eerste plek, en die zal voor ons zijn.'

De twijfels worden wellicht gevoed door het feit dat ze weliswaar fanatiek zijn in het spel, maar niet buitengewoon fanatiek in de training. Ze oefenen slechts mondjesmaat. Van den Berg: 'Ik heb een gezin en sta voor de klas. Mijn vrouw vindt pingpongen ook wel een aardig spel en dus mag ik van haar mijn gang gaan. Maar meer dan een uur trainen in de week zit er toch niet in. Meer kan ik niet opbrengen. Het zou tot niets leiden. Als ik een avond extra zou trainen, speel ik op de zaterdag gegarandeerd niet beter. Dat lukt me gewoon niet meer.'

Meer dan een uur in de week afzien zou zijn 52-jarige lijf ook niet verdragen. 'De wedstrijden zelf zijn nog wel te doen. Maar moet je mij eens een dag later zien. Alles kraakt, piept en doet pijn.'

Fred van Oostenrijk: 'Ik heb na een wedstrijd ongelooflijk veel last van mijn rug en ook mijn voeten willen dan niet meer. Pas twee dagen na een wedstrijd komt het lichaam langzaam weer tot leven.'

Hijne heeft minder last van fysiek malheur. Maar dat is, schamperen zijn teamgenoten, ook niet verwonderlijk. 'Hij speelt het spelletje dat hij altijd speelde. Met de buik tegen de tafel. Wij lopen tijdens een partij de marathon, René haalt amper de honderd meter.'

De spierpijn gaat weer over, niet de pijn die Van den Bergs psyche kwelt op de dagen dat hij aan de bak moet. Het begint al bij het opstaan. Zenuwen op de maag, zenuwen in het hoofd, zenuwen overal. 'Ik ben dan niet te genieten. En dan komt die wedstrijd daar nog eens overheen. Soms denk ik, en dat soms wordt steeds vaker: nu is mijn bloeddruk zo hoog, dat kan niet meer gezond zijn.'

Wat dit betreft verschilt de oude Van den Berg niet eens zoveel van de jonge Van den Berg. 'Als jonge jongen, toen ik bij AMVJ speelde, stikte ik al van de zenuwen. Het was zo erg dat ik vaak tussen de partijen last van migraine kreeg. Moest ik de zaal uit, de straat op. Nu heb ik van migraine geen last meer. Maar daarvoor in de plaats is een zekere mate van ongenietbaarheid gekomen. Op de dag van de wedstrijd moeten ze niet aan mijn kop zeuren.'

De eredivisie wordt een ongewis avontuur, dat staat wel vast. De kans op overleven is, denken ze, minder dan vijftig procent, maar als ze sneuvelen zullen ze waardig sneuvelen. 'Wat zullen die jonge gastjes schrikken van ons fanatisme', grijnst Van Oostenrijk. Daar heeft hij en daar hebben de andere twee nog best een seizoen lang een krakend, piepend en anderszins protesterend lichaam voor over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden