Kortstondige harmonie overwoekerd door Koude Oorlog

Tussen 1945 en 1948 was het IJzeren Gordijn nog niet neergedaald tussen Oost en West. In Berlijn deden kunstenaars hun best de Hitler-periode te vergeten en aansluiting te zoeken bij de cultuur van de Republiek van Weimar....

HET WAS HITLER die door zijn totale oorlog de totale vernietiging van het centrum van Berlijn veroorzaakte. Na de onvoorwaardelijke capitulatie lagen grote delen van de stad in puin. Maar al voor Hitler zijn misdadige oorlog begon en miljoenen mensen - joden, zigeuners, communisten - liet vermoorden, had hij in Berlijn en elders de Duitse cultuur vernietigd.

Nadat de nazi's in 1933 aan de macht waren gekomen, bepaalde de Reichskulturkammer wat Duitse cultuur was. Wat niet in hun barbaarse ideologie paste, werd verboden en verbrand. In het voorjaar van 1933 werden in Duitse universiteitssteden de boeken van joodse, linkse en liberale schrijvers op de brandstapel geworpen. Tot de werken die studenten onder het zingen van het Horst Wessel-lied en het roepen van nazi-leuzen in de vlammen gooiden, behoorden de boeken van Marx en de socialistische ideoloog Kautsky, de romans van Lion Feuchtwanger, Erich Maria Remarque, Heinrich en Thomas Mann, Arnold Zweig, boeken van de criticus Alfred Kerr, van de journalist en schrijver Egon Erwin Kisch en de schrijver Kurt Tucholsky.

'Dort, wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen', had Heinrich Heine al in de negentiende eeuw geschreven. Tot de eerste slachtoffers van de concentratiekampen behoorden Carl von Ossietzky, de uitgever van de beroemde Die Weltbühne, en de dichter Erich Mühsam. Honderden schrijvers, kunstenaars en geleerden vluchtten, emigreerden of keerden, zoals Thomas Mann, niet terug van een buitenlandse reis.

De schrijvers en kunstenaars die in Duitsland bleven, waren òf overtuigde nazi's, òf mensen die - al dan niet tijdelijk - sympathie voor Hitler koesterden, òf opportunisten die zich aanpasten. Enkele schrijvers kozen voor wat de innere Emigration werd genoemd. Zij legden hun pen neer en zwegen, of probeerden in hun boeken de nodige kritiek te verwerken. Na 1945 verklaarde bijna elke schrijver een 'emigrant in eigen land' te zijn geweest.

De schrijver Wolfgang Schivelbusch geeft in Vor dem Vorhang - Das geistige Berlin 1945-1948 een interessant overzicht over wat er zich op cultureel-politiek terrein in Berlijn heeft afgespeeld direct na de oorlog en voordat definitief het IJzeren Gordijn werd neergelaten.

In de jaren tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog werd het in bezettingszones verdeelde Duitsland bestuurd door Amerika, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie. Zij hadden elk een sector in Berlijn, maar van een Muur was nog geen sprake. Tussen 1945 en 1948 werkten de geallieerden nog samen, zij het in steeds mindere mate.

Schivelbusch schetst een beeld van Berlijn dat na 1948 geheel werd overwoekerd door de Koude Oorlog en daardoor in vergetelheid is geraakt. Dit beeld was veelzijdig en contrasteerde sterk met wat na 1948 is gebeurd. Veel Amerikaanse officieren en functionarissen in Berlijn waren in 1945-1946 nog bezield van de liberale geest van Roosevelt's New Deal en streefden naar samenwerking tussen Oost en West.

De Duitse communisten die met het Rode Leger vanuit Moskou naar Berlijn waren gekomen, hulden zich in een democratisch, humanistisch gewaad. Zij spraken niet over het stichten van een communistische staat of de 'dictatuur van het proletariaat', maar over de opbouw van een 'antifascistisch-democratische orde' in de Russische bezettingszone. Zij hoopten door een beleid, gericht op harmonie en het herstel van de traditionele Duitse cultuur - dat wil zeggen de cultuur van de Republiek van Weimar, maar zonder avantgardistische stroming - het vertrouwen van de burgerlijke intelligentia in Berlijn te winnen.

Ze sloten daarmee aan bij de wensen van veel Duitse intellectuelen, die de Hitler-periode wilden vergeten. Schrijvers, acteurs en regisseurs wensten met politiek niets meer te maken hebben en wilden zo snel mogelijk weer theater en films maken.

Dit had allerlei consequenties. Sovjet-officieren in Berlijn accepteerden op het gebied van kunst en cultuur zaken die Stalin in eigen land al lang had verboden. Verder trad het Sovjet-bestuur welwillend op tegen kunstenaars die tijdens het Derde Rijk theater hadden gemaakt of in nazi-films hadden gespeeld. Veel Duitse kunstenaars wilden na 1945 gewoon doorgaan met datgene wat ze ook onder Hitler hadden gedaan. Als deze kunstenaars zich niet al te zeer met de nazi's hadden geïdentificeerd, dan maakten de Russen hiertegen geen bezwaar.

De Amerikanen deelden deze opvatting niet. Wolfgang Schivelbusch citeert Henri C. Alter, direct na mei 1945 in Berlijn verantwoordelijk voor cultuur. 'Als het om kunstenaars gaat, schijnt het dat de Russen bereid zijn veel door de vingers te zien. Kunstenaars zijn voor hen schijnbaar een bijzonder soort mensen van wie eigenlijk niet kan worden verlangd dat zij rekenschap afleggen van hun daden.'

Het meest opmerkelijke hoofdstuk in het boek van Schivelbusch is dat over de in de zomer van 1945 opgerichte Kulturbund für die demokratische Erneuerung Deutschlands. In deze bond kreeg tussen 1945 en 1948 het cultureel-politieke beleid van de Russen en de Duitse communisten gestalte. De bezielende kracht was de dichter Johannes R. Becher, een vooraanstaande communist die tijdens het Derde Rijk in Moskou had gezeten. De Kulturbund moest boven de partijen staan. Daarom werd er niet gesproken over communisten, maar over 'kritische humanisten'. Doel was het vormen van een 'breed, democratisch front voor de vernieuwing van Duitsland'.

Dit hield vooral twee zaken in: het terughalen van de geëmigreerde kunstenaars naar Duitsland en het winnen van aanhang onder burgerlijke intellectuelen die na 1933 in Duitsland bleven, maar geen actieve, overtuigde nazi's waren. Deze meelopers, zo maakt Schivelbusch duidelijk, bood de Kulturbund 'morele ontlasting'. In ruil daarvoor 'verwierven de communisten het prestige van de burgerlijke intelligentia voor hun volksfront-politiek'.

Schivelbusch beschrijft uitvoerig hoe Becher, die tegen zijn zin tot voorzitter van de Kulturbund was gekozen, op zoek ging naar een ere-voorzitter die de kloof tussen de Duitse kunstenaars uit het buitenland en de kunstenaars van de innere Emigration zou kunnen overbruggen. Hij wilde voor deze functie graag Thomas Mann hebben, maar die wilde niet terugkeren naar Duitsland. Becher zich wendde toen tot de stokoude Gerhart Hauptmann, aan het einde van de vorige eeuw beroemd geworden door zijn sociale drama Die Weber. Hauptmann, die het Keizerrijk verdedigde en de Republiek van Weimar steunde, bleef na 1933 in Duitsland en liet zich door de nazi's gebruiken. Hij was bereid ook de Kulturbund van dienst te zijn, maar stierf in 1946.

'Hauptmann was niet de enige uit de zwijgende meerderheid van meelopers en de innere Emigration die door Becher werd benaderd, maar wel de meest prominente', schrijft Schivelbusch. Dat dit tot protesten leidde van kunstenaars die tijdens het Derde Rijk in de gevangenis of in de concentratiekampen hadden gezeten, spreekt vanzelf.

Het boek over Berlijn heeft twee gebreken. Het is een beknopte studie en veel wordt bekend verondersteld. Wat echter vooral stoort is dat Schivelbusch te weinig kritisch is tegenover de kunstenaars die onder de nazi's verder werkten. De toneelspeler en regisseur Gustav Gründgens wordt door Schivelbusch geprezen om zijn 'oppositioneel theater' tijdens het Derde Rijk. Onvermeld blijft dat Gründgens hoog in de gunst stond bij Göring, tot de leiding van de Reichstheaterkammer behoorde en heeft gespeeld in de nazi-film Ohm Krüger.

Schivelbusch weet geen duidelijk antwoord op de vraag of de Kulturbund alleen maar een façade was, waarachter de vorming van de stalinistische DDR werd voorbereid, of dat mensen als Becher werkelijk hebben geloofd dat Stalin zou toestaan dat zich in Oost-Duitsland een ander, meer democratisch socialisme zou ontwikkelen.

Dat laatste was een illusie, ofschoon Vladimir Semjonov, in 1945 de vertegenwoordiger van de Sovjet-regering in Berlijn, in zijn onlangs verschenen memoires heeft geschreven dat de Sovjet-autoriteiten destijds volledig achter de KPD-oproep van 11 juni 1945 stonden over de 'oprichting van een parlementair-democratische republiek'.

Dat de DDR na 1948 een stalinistische staat werd, was voor Wolfgang Leonhard (Die Revolution entlässt ihre Kinder) reden naar het Westen te gaan. Andere Duitsers - Bertolt Brecht en Stefan Heym bijvoorbeeld - verlieten Amerika en vestigden zich in de DDR.

Johannes R. Becher paste zich aan. Hij liet de burgerlijke intellectuelen in de Kulturbund in de steek en werd in de DDR minister voor Cultuur. Later schreef hij in een gedicht: 'Bij wie eenmaal de ruggegraat werd gebroken, die is er nauwelijks nog toe te bewegen rechtop te gaan staan.'

Jan Luijten

Wolfgang Schivelbusch: Vor dem Vorhang - Das geistige Berlin 1945-1948.

Carl Hanser Verlag, import Nilsson & Lamm; ¿ 65,15.

ISBN 3 446 18095 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden