KORPORAAL VAN STAVEREN IN VIETNAM

Vandaag precies dertig jaar geleden kwam met de val van Saigon een eind aan de oorlog in Vietnam...

Met een vliegtuig van United Airlines kwam hij aan op het vliegveld van Salt Lake City. Het was een zondag, elf dagen na zijn dood. De kist was grijs geverfd en aan de binnenkant zat karton. Theo van Staveren lag onder glas en hij had een geleend, blauw uniform aan. Op de kist zat een bordje met de tekst: flag inside. Hij zag er nog goed uit, Theo, maar dat kwam omdat ze hem hadden gebalsemd met een dubbele dosis formaldehyde.

En zo, op 21 april 1968, keerde Theo van Staveren terug in Salt Lake City, Utah, de stad waar hij sinds zijn vijfde had gewoond. Zo kwam er een eind aan zijn omzwervingen, die hem van Heemstede, bij Haarlem, naar Utah hadden gebracht en vandaar naar Vietnam, naar An Hoi in de provincie Quang Nam.

Hij zat in de passagiersstoel van een jeep, zijn maat Gordon Walensky reed. Het was kwart over drie in de middag. Ze waren op weg naar Danang, twintig mijl verderop. Theo van Staveren was negentien jaar oud en Wally ook. Het was 10 april 1968, een dag na de begrafenis van de vermoorde zwarte dominee Martin Luther King, wiens dood Amerikaanse binnensteden in vuur en vlam had gezet. Het was de dag waarop de Tsjechoslowaakse premier Alexander Dubcek zijn hervormingsplannen presenteerde en de Praagse Lente tot bloei kwam.

Het was een voorjaar om nooit te vergeten. Een lente van hoop, maar nog meer van geweld. The Doors zongen Unborn living, living, dead/Bullet strikes the helmet's head/And it's all over/For the unknown soldier.

Het was allemaal voorbij, voor de onbekende soldaat.

In het voorjaar van 1968 namen overal ter wereld de protesten tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam in aantal en felheid toe. In Nederland zong Boudewijn de Groot onder steeds meer instemming Welterusten, mijnheer de president, Lennaert Nijghs aanklacht tegen Vietnam. Denk maar niet aan al die jonge frontsoldaten/eenzaam stervend in de verre tropenn a ch t . De Groot en Nijgh, twee andere jongens uit Heemstede.

In Haarlem vernoemden ze nog in de maand april als eerste Nederlandse gemeente een straat naar de vermoorde dominee King.

John van Staveren, Theo's één jaar oudere broer die eigenlijk Jos heette, zag de kist uit het vliegtuig komen en dacht: 'Waarom niet ik? Waarom niet ik, maar hij wel?' Jo s en Theo waren een jeugd lang onafscheidelijk geweest; Theo volgde hem als een schaduw. Ze speelden samen, ze schoten samen, ze honkbalden samen. Theo was op Granite High een goede honkballer, hij sloeg hard, met links en rechts. En hij was trouwens ook een talentvol worstelaar.

Vi e t n a m In december 1966 kreeg Jos Theo aan de telefoon. 'Guess what?', zei Theo. 'I am joining the marine corps!' Hij was net achttien en hij wilde naar Vietnam. Jos probeerde het plan uit zijn hoofd te praten. Hij zei dat je verdomme wel kon sneuvelen, in Vietnam. Dat het keihard was en dat ze je in het leger behandelden als een beest. Maar Theo liet zich niet ompraten.

Theo en Jos zaten samen achter de meiden aan en werden samen dronken. Jos had een Chevy Convertible uit 1956 en daar toerden ze mee rond. Theo deed het goed bij de meisjes. Hij was groot en breed en als je hem aanraakte was het alsof hij van marmer was, zo hard. Drie vriendinnen had Theo, Jos herinnerde zich hun namen: Herinneringen aan Theo van Staveren uit het familiealbum. Theresa, Sammy en vooral Susan, een prachtige blondine met wie hij vanuit Vietnam contact bleef houden. Daar was hij vast en zeker mee getrouwd, als het allemaal anders was gelopen.

Altijd samen, Jos en Theo. Dat was al zo in Heemstede en dat bleef zo op de boot die hen naar New York bracht. Twee blonde kereltjes die door iedereen werden aangehaald. Op 29 september 1954 gingen ze met een open vrachtwagen van Haarlem naar Rotterdam. Vader Jan en moeder Betsy voorin, de zeven kinderen in de bak. Jan van Staveren was al 51. Hij had voor de oorlog een aardappelhandel in Haarlem, erna werkte hij bij Hoogovens.

Als het aan hem had gelegen, waren ze niet gegaan. Betsy was de grote pleitbezorger van de emigratie. Haar moeder was mormoons en ze was in 1929 al een paar maanden in de mormonenstad Salt Lake City geweest, maar vanwege de economische malaise niet gebleven. Ze bleef terugverlangen naar de ruimte en het licht van het Westen en de belofte van welvaart die er in de lucht hing.

De laatste twee maanden in Nederland woonden ze met z'n allen bij een oom en tante in een klein huisje Haarlem. Alle kinderen lagen op een rij in de huiskamer. Kleine Theo was de dondersteen met de overal dwars doorheen kijkende groen-blauwe ogen, zijn nichtje Ann herinnerde het zich ruim een halve eeuw later nog precies.

De kinderen, zei moeder Betsy, hadden een betere toekomst, in Amerika. Twee meisjes, Bea en Carla, vijf jongens, Jan, Aart, Eric, Jos en Theo. De oudste, Jan, was vijftien jaar en zat op de ambachtss ch o o l .

Zeeziek In Rotterdam gingen ze aan boord van de Sibajak, die een lijndienst onderhield op New York. Vader Jan sliep met de oudste twee jongens voor in het schip, moeder Betsy verbleef met de meisjes en de drie jongste jongens midscheeps. De reis duurde elf dagen: onderweg stormde het heftig en iedereen was zeeziek. Overal stonden volle kotsbakken. Vader Jan zei elke avond: Laten we maar naar bed gaan, morgen is het vast rustiger. Op zaterdag 9 oktober arriveerden ze in New York, in Hoboken. Vandaar namen ze een taxi naar Grand Central Station.

Jan jr. keek zijn ogen uit. Hij had gedacht dat alles in Amerika nieuw zou zijn. Alles, de huizen, de wegen, allemaal spiksplinternieuw. Maar New York zag er meer uit als een van die vervallen Engelse industriesteden waarvan hij wel eens foto's had gezien.

Diezelfde zaterdag trokken Franse troepen zich terug uit Hanoi en werd na tachtig jaar de Franse vlag gestreken in de vroegere hoofdstad van Frans Indo-China. De soldaten van de communistische Vietminh marcheerden de stad binnen. Tienduizenden Vietnamezen sloegen op de vlucht naar het zuiden. De US Navy hielp bij hun evacuatie. Het was voor het eerst dat het Amerikaanse leger zich met het Vietnamese conflict bemoeide.

Theo van Staveren meldde zich begin 1967 als vrijwilliger voor Vietnam. Dat was minder vreemd dan het leek. In de eerste plaats was hij, ook al was hij dan Nederlander, als resident alien in de VS dienstplichtig. En dienstplichtigen kwamen als kanonnenvoer bij de infanterie. Als vrijwilliger kon hij zijn eigen voorkeur aangeven: het US Marine Corps, de Leatherbacks, de harde jongens. En daarnaast was 'Vietnam' voor een Amerikaanse teenager in 1968 een alledaagse realiteit, een alternatief voor studie of werk. En je zag nog eens wat van de wereld, op kosten van de staat. In hun wijk, in South Second East Street in de zuidelijke suburb van SLC, waren veel leeftijdgenoten van Jos en Theo al in Vietnam. Je kon het merken op straat, het was er rustig.

Jos had ook de indruk dat Theo zich verveelde. Hij werkte zo nu en dan bij een benzinestation, wist niet precies wat hij wilde. Geld voor een opleiding was er niet. In het leger wist je in elk geval waar je aan toe was. En hij helemaal, want zijn broer Eric was in het begin van de jaren zestig in Korea geweest. Veel rotzooi meegemaakt. Eric kwam terug als stotteraar.

Maar wat zegt dat je, als je negentien bent. Dan ben je een optimist en bestaat de dood niet, laat staan stotteren van ellende.

Eric, die had trouwens nog verkering gehad met een meisje van Wolterman. Een Nederlandse familie van wie de zoon, Gerard, later ook naar Vietnam ging.

Moeder Betsy en Bea waren bang, toen ze het hoorden. Dat Theo het niet zou overleven. Dat hij zijn Nederlandse staatsburgerschap zou verliezen, door in het Amerikaanse leger te gaan. Ze waren bang dat de Vietcong hem gevangen zou nemen en hem als spion zou executeren - een spion zonder land.

Te t -o f f e n s i e f Het was 1968, er zaten een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam. De Noord-Vietnamezen hadden in januari het Tet-offensief gelanceerd. Langzaam maar zeker begon in Amerika het gevoel te ontstaan dat ze bezig waren met een oorlog die ze niet konden winnen. Walter Cronkite, hét journalistieke gezicht van de Amerikaanse tv, zei het. Presidentskandidaat Bobby Kennedy zei het. Woedende studenten op de universiteiten schreeuwden het.

En de Amerikanen meenden het te zien op de televisie, dat het een steeds hopelozer missie aan het worden was. Eind januari zagen ze de beelden van Vietcong-guerrilla's die hun ambassade in Saigon binnenvielen. Ze zagen steeds meer verschrikkelijke beelden uit Nam, want die begon zich nu pas echt te ontwikkelen tot de eerste tv-oorlog in de geschiedenis.

Het Tet-offensief was militair gezien een ramp voor de Vietcong, die zich nooit meer helemaal zou herstellen van de geleden verliezen - de helft van de strijders, 45duizend man, kwam om het leven. Maar vanuit een ander gezichtspunt was de aanvalsstrategie een fenomenaal succes. Het offensief, dat duurde van eind januari tot begin april, brak het Amerikaanse moreel, in Vietnam en in de VS zelf. In 1968 kwamen 14.594 Amerikanen om het leven, bijna evenveel als in de oorlogsjaren 1965, 1966 en 1967 bij elkaar.

'We moeten Noord-Vietnam de oorlog verklaren', had de gouverneur van Californië, Ronald Reagan, in 1965 nog verklaard. 'We kunnen het hele land asfalteren, er parkeerstrepen op aanbrengen en voor Kerstmis weer thuis zijn.' Een tamelijk foutieve inschatting, realiseerden steeds meer Amerikanen zich in de loop van 1968.

Van Grand Central Station namen ze de trein naar Chicago. Daar stapten ze op Halsted Street Station in the California Zephir naar Denver, waar ze de trein namen voor het laatste stuk naar Salt Lake City. Drie dagen duurde de treinreis. Theo en Jos renden voortdurend door de trein, op zoek naar de restauratiewagen, want daar kregen ze meestal wel iets te eten. Jan junior keek met zijn broer Aart naar buiten en ze vroegen zich af waar de indianen en de cowboys bleven - maar die kwamen niet.

In Salt Lake City trokken ze tijdelijk in bij een oom van hun moeder, die er ook voor had gezorgd dat een arts en een tandarts financieel borg hadden gestaan voor de immigranten. Vader Jan ging de volgende dag direct aan het werk in de appelpluk en moeder Betsy begon in een kledingfabriek, waar ze confectiepakken naaide. Later ging vader schoonmaken op een school en moeder aan de slag als verpleegster in een kraamkliniek.

Ze hadden het niet breed, maar ze waren in Amerika. Later huurden ze een klein huisje in Eamesville, tegen de stad aan. Theo ging voor halve dagen naar de Kindergarten, waar zijn zusjes Carla en Bea hem na schooltijd kwamen ophalen. Bea was vier jaar ouder, maar ze beschouwde Theo als haar kind, haar baby brother.

Op 24 februari 1967 werd Theo van Staveren officieel marinier en begon hij aan zijn opleiding. In de zomer en het najaar van 1967 zat hij in Camp Pendleton, tussen Los Angeles en San Diego. Hij had vage plannen om het Amerikaans staatsburgerschap aan te vragen, maar liet het erbij.

Theo's oudste broer Jan woonde inmiddels in Newport Beach, Californië. Elke vrijdag reed hij vandaar naar het opleidingskamp en haalde hij Theo op om het weekeinde bij hem en zijn gezin door te brengen. Maar op een vrijdag in november kwam Jan tevergeefs: Theo's eenheid, het zevende bataljon communicatie van de 1e mariniersdivisie , vertrokken. was naar Vietnam

[Vervolg op pagina 26]

[Vervolg van pagina 25]

Op 25 november 1967 arriveerde Theo van Staveren in Vietnam. Vier dagen eerder had generaal William Westmoreland verklaard er zeker van te zijn dat de vijand 'aan de verliezende hand was'.

Theo stuurde een brief naar zijn oudste broer. Dat hij de radioman van zijn eenheid was geworden en dat er een hele squad was om hem te verdedigen. Ze hadden hem gekozen omdat hij sterk genoeg was om de 35 kilo wegende radio-apparatuur mee te zeulen. Theo maakte, met Gordon Walensky en Dennis Wright als enige andere Amerikanen, deel uit van de Zuid-Koreaanse Chung Young brigade - de Koreanen vochten in Vietman aan de zijde van de Amerikanen.

Theo schreef dat de Vietcong op een avond weer was gekomen en dat er was gevochten tot aan beide zijden de ammunitie op was. 'We ended up throwing stones at each other.' Hij vroeg zich af waarom de vijand het altijd op hem had gemunt en vermoedde dat het was omdat hij nogal opviel, met zijn 1.90 meter en blonde Hollandse kop tussen die kleine donkere Zuid-Koreanen.

Jos kreeg in brieven de hardere kant van Theo's leven in Vietnam te lezen. Dat hij deel uitmaakte van een search and destroy-eenheid. Hoe ze de Vietcong moesten opsporen en vernietigen. Hoe hij napalm sprayde zonder zich al te druk te maken over mensen in bomen of rijstvelden. Hoe hij een killer was geworden met zijn automatisch geweer als zijn beste vriend.

Zijn zus Bea zag op de foto's die hij stuurde uit Vietnam een ander persoon dan de Theo die een paar maanden eerder was vertrokken. Er was een vreemde, koude blik in zijn ogen gekomen. In die heldere groen-blauwe Van Staveren-ogen van hem. Hij was ouder geworden. Bea dacht: Hij is zijn onschuld verloren. Aan Jos schreef Theo dat hij zich verschrikkelijk voelde, maar ook dat hij woedend was om zijn neergeschoten kameraden en dat hij die wilde wreken.

Theo, dacht Jos, was niet meer de zachtaardige jongen uit Salt Lake City, die de geit en de eenden eten ging geven.

In de eerste maanden van 1968, toen het Tet-offensief de Amerikanen verbijsterde, zat Theo van Staveren uit Heemstede op Hill 34, ten zuiden van Danang, bij de dorpjes Fong Bac en Yen Bac. Elke dag werd het kamp getroffen door granaten, elke dag waren er pogingen van de Vietcong om het kamp binnen te dringen. Met Gordon Walensky en Dennis Wright liep Theo patrouilles. Lange dagen van verveling, afgewisseld door korte momenten van pure angst.

Nieuwsgierigheid Waarom hij, als Nederlands staatsburger, in godsnaam bij de mariniers was gegaan met de bedoeling naar Vietnam te worden gestuurd, vroeg Dennis Wright hem op een dag. Theo antwoordde dat hij wilde weten hoe dat was, oorlog. Dennis herinnerde zich Theo 37 jaar later als een intelligent en zorgzaam persoon, met de nieuwsgierigheid van de jeugd.

De Heemsteedse rooms-katholieke familie Van Staveren ging in Salt Lake City over op het geloof van Betsy's moeder en werd mormoons. Behalve vader Jan. Die had er geen trek in. Die had toch al grote moeite zich aan het nieuwe land en het nieuwe leven aan te passen. Zijn Engels zou altijd erg matig blijven en hij zou zich nooit helemaal thuisvoelen in Amerika. Later keerden ze zich van de mormonen af, alleen Jan jr. bleef die kerkgemeenschap trouw.

In het begin hadden ze het overigens allemaal moeilijk, in Salt Lake City. Ze werden door iedereen in de buurt beschouwd als outsiders, als niet-Amerikanen die even de baantjes kwamen inpikken. Twee huizen verderop woonde een man die hen echt als stront behandelde. '

Go back!', schreeuwde hij, als Jos en Theo voorbijkwamen.

Later, nadat Theo was gesneuveld, kwam hij zijn excuses aanbieden voor het feit dat hij zo rot had gedaan. Nu Theo voor Amerika was gestorven deugden ze opeens, de Van Staverens. 'Wat ben jij voor een man?', dacht Jos.

Gordon Walensky, de joodse jongen uit Minnesota, en Theo van Staveren, de rooms-katholieke mormoon uit Heemstede, Holland, leken wel broers, zei Dennis Wright. Ze waren altijd bij elkaar. Walensky was een paar maanden jonger dan Van Staveren. Moedige jongens waren het en Dennis Wright mocht ze graag.

Wie van het Koreaanse kamp bij An Hoi naar Danang wilde, moest bij het benzinestation in de buurt op een konvooi wachten. Maar toen Theo van Staveren en Gordon Walensky op de middag van 10 april naar het hoofdkwartier van het hoofdkwartier van het zevende communicatie-bataljon gingen, besloten ze niet de weg, maar het strand te nemen. Danang leek dichtbij, vanuit het kamp aan de kust kon je de stad zien liggen.

In de buurt van het dorp Tra Lo werden ze doodgeschoten door de Vietcong. Theo van Staveren kreeg een kogel in zijn borst.

Outside in the distance a wildcat did growl/Two riders were approaching, the wind began to howl, zong Bob Dylan in All along the watch tower, die maanden een veelgedraaid nummer op AF VN, de radiozender van de Amerikaanse troepen in Vietnam.

Op 11 april arriveerde een telegram met de rampzalige boodschap uit Vietnam bij Jan en Betsy van Staveren in Salt Lake. Later kwam een legerofficier het nieuws persoonlijk bevestigen. Betsy van Staveren was hysterisch van verdriet. Jan van Staveren werd zo ongelooflijk kwaad dat het weinig had gescheeld of hij had de officier het huis uitgesmeten.

Jan van Staveren had het er ongelooflijk moeilijk mee. Theo was zijn lievelingszoon, zijn benjamin. Hij zei het die dag en hij zou het nog vaak herhalen: 'Waren we nou maar niet naar Amerika gegaan.' Betsy zei dat ze had gedroomd dat het zou gebeuren, dat ze het had voelen aankomen, dat ze hem had gezien, in de jeep. Ze zei dat Theo nooit had mogen gaan, dat hij een Hollander was die niks in een Amerikaanse oorlog had te zoeken. Ze had hem gezien, Theo, op weg naar de dood.

Jan belde zijn dochter Bea, die inmiddels Hardison heette en 250 mijl verderop woonde, in Idaho. 'Meisje', zei hij in het Nederlands, 'your baby brother is dead.'

Jos van Staveren reed samen met zijn vriendin naar huis in een Volkswagen. Op de autoradio zongen Simon & Garfunkel America : They've all gone to look for America/All gone to look for America.

'Arme Theo', was het eerste wat Jan jr. dacht toen hij het hoorde. 'Helemaal alleen gestorven. Wat als hij nog even heeft geleefd? Hoe zijn dan zijn laatste minuten geweest?' Hij wist toen nog niet dat Gordon Walensky erbij was.

De begrafenis was op 25 april, de verjaardag van Betsy. Als afgevaardigde van het leger was er een korporaal van de mariniers die gewond was geraakt in Vietnam. Ze speelden mariniersmuziek, al had Theo volgens Jos liever The Beatles gehoord. De dienst was in een volgepakte kerk. Bea Hardison merkte er weinig van, ze zat onder de tranquillizers.

Tussen Theo's spullen die ze later uit Vietnam kregen toegestuurd, zat een Koreaans uniform. Ongelooflijk, dacht Jos van Staveren. Emigreert een Heemsteeds jongetje naar Amerika om in Vietnam te worden doodgeschoten in een Koreaans uniform.

Gemeentehuis In de zomer van 1970 gingen Jan en Betsy van Staveren voor de eerste keer terug naar Nederland. Het ging niet goed met Jan, hij had longemfyseem. Betsy ging naar het gemeentehuis in Heemstede om aangifte te doen van de dood van haar zoon Theo. Maar de ambtenaar zei dat dat niet kon, dat er in de burgerlijke stand van Heemstede geen Theodorus Daniel van Staveren meer bestond.

Jan van Staveren overleed in september van dat jaar.

In 1969 kreeg de statenloos gestorven Vietnamsoldaat Theo van Staveren, dankzij een speciale Senaatswet, alsnog de Amerikaanse nationaliteit. Vooral zijn moeder had zich daarvoor ingezet. Het verzachtte haar schuldgevoel. Ze was voor haar kinderen naar Amerika gegaan, en nu had ze een van hen naar een oorlog gebracht en naar de dood. Ze overleed in 2 0 0 0.

Jos van Staveren dacht nog vaak aan zijn broer. Hoe die stomme oorlog hen uit elkaar had getrokken. Soms bezocht hij Theo's graf op het Mount Cavalry Cemetery in Salt Lake City. Twee graven verderop lag Gerard Wolterman, zeven maanden na Theo ook gesneuveld in Vietnam.

Bea Hardison vond in 1968 al dat Theo voor niks was gestorven en dat vond ze in 2005 nog steeds.

Jan jr. had de rondreizende kopie van de Memorial Wall in Washington gezien, met daarop de namen van de ruim 58 duizend Amerikaanse doden uit de Vietnamese oorlog. Theo van Staveren stond erop, panel 49E, regel 012.

Op 1 april 1968, negen dagen voor zijn dood, stuurde hij zijn laatste brief aan zijn vader en moeder. Eigenlijk had hij geen tijd om te schrijven, meldde Theo. 'De Vietcong houdt ons de laatste tijd behoorlijk bezig.'

Hij schreef dat hij zich op verlof in Hong Kong een pak had laten aanmeten dat naar Salt Lake City zou worden gestuurd. Of mamma hem wilde laten weten als het was aangekomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden