Kopje onder in een zee van negatieve begrippen

Halverwege een roman bleef mijn brein haken achter een exotische zin. Iets over ‘een vrouwenbil in een pikante saus’. Verbaasd las ik de woorden drie keer terug – er klopte iets niet met de ‘au’ en de ‘ou’, dacht ik – en zag toen pas wat er stond....

Het gebeurt vaker. Te snel lezen en de dingen verhaspelen. Een tijdje geleden zocht ik teksten van de zanger Daniel Johnston; mijn oog viel op een zin die me diep raakte. In de overvloed aan stoere liefdesliedjes was hier opeens een bescheiden zanger, die zichzelf als huisdier presenteerde. ‘If I can’t be a lover, then I’ll be a pet.’

Het klonk treurig en teder tegelijk, en ik nam het als toekomstvisioen meteen over: zodra alle andere opties verlopen, zal ik met liefde een huisdier worden.

Maar toen ik de tekst opnieuw opzocht, bleek dat ik in het woord ‘pet’ een letter over het hoofd had gezien. Een letter die de betekenis van de zin radicaal naar de andere kant deed omslaan: ‘If I can’t be a lover, then I’ll be a pest.’ Waarmee we weer terug waren in de wereld van de volwassenheid, waar men graag een terreur is, een verschrikking, omdat dat getuigt van hartstocht en vitaliteit en seksuele aantrekkingskracht en sophistication. A pest.

Intussen was ik zelf volledig in de ban geraakt van de gedachte een huisdier te worden. Waarom hoor je dat plan eigenlijk niet vaker? Er is een zekere inschikkelijkheid voor nodig, een meegaandheid die onmisbaar is voor het samenleven – aanhankelijkheid, volgzaamheid, teamspirit. In de lijst van traditionele deugden komt nederigheid misschien nog het dichtst in de buurt, al zijn huisdieren meestal niet zo nederig.

De grote denkers uit het verleden bleken niet razend enthousiast over mijn droom een huisdier te worden. Op zoek in boeken naar een omschrijving van meegaandheid, ging ik al gauw kopje onder in een zee van negatieve begrippen. Aristoteles, zo lees je overal, houdt niet van de zelfverlaging die volgens hem het tegenovergestelde is van ijdelheid. Het ene uiterste is dat je jezelf te hoog inschat, het andere uiterste is dat je jezelf te laag inschat. Aristoteles raadt ons zoals gewoonlijk beide uitersten af.

Ook de filosoof André Comte-Sponville was nogal in mineur bij het schrijven over nederigheid. ‘Nederigheid als deugd is die ware droefheid over het feit dat je slechts jezelf bent. En hoe zou je iets anders kunnen zijn?’ Er viel geen speld tussen te krijgen. Je bent wie je bent, want zodra je jezelf niet meer bent, ben je een ander.

Enfin, we moet het onszelf maar vergeven, schreef Comte-Sponville. Er zit niets anders op. Je mag dan een sukkel zijn, maar wees dan ten minste een tevreden sukkel. Daarvoor is alleen wat barmhartigheid vereist. ‘Barmhartigheid en nederigheid gaan hand in hand en vullen elkaar aan. Jezelf aanvaarden – maar jezelf geen fabels vertellen.’

Nee, de filosofen in de boekenkast stonden daar niet voor de gezelligheid, het was me al vaker opgevallen. Net dacht ik een vitaal plan te hebben opgevat, om voortaan spinnend en snorrend verder te leven als een voegzaam huisdier, of de filosofen hielden een verhaal over minderwaardigheid.

Dacht ik bij inschikkelijkheid vooral aan goede huwelijken en harmonieuze werkrelaties, de meeste schrijvers die ik erop na sloeg begonnen bij inschikkelijkheid juist over mislukkingen en beperkingen.

Ook Daniel Johnston, die me per ongeluk op het spoor van het huisdier had gezet, zag weinig heil in mijn plannen. De zanger, bewonderd door zijn collega’s, maar gehinderd door een ernstige vorm van manisch depressiviteit, schreef een liedje over een kunstenaar zonder wereldfaam. ‘Some would try for fame and glory, others just aren’t so bold.’ Sommigen willen beroemd worden, anderen doen niet eens een gooi. Het was zo treurig bedoeld als het klonk.

Dat hele plan van mij om huisdier te worden leek vooral haaks te staan op de hang naar roem die veel culturen in de greep houdt, waaronder ook de onze. Wie geen wereldroem vergaart, is mislukt. En die fascinatie valt ook best te begrijpen, zolang roem tenminste samenhangt met verdienste.

Natuurlijk heeft een cultuur baat bij eerzucht en ambitie: van individuele verdiensten wordt iedereen beter. Maar wanneer roem een doel op zich wordt, en met bevorderen van levensvreugd niets meer te maken heeft, wordt het een tamelijk zinloos verschijnsel.

Als je daarbij bedenkt dat de meeste beroepen vooral inschikkelijkheid vereisen – de dienstbare beroepen waarin je met roem en glorie niet erg veel opschiet –- is het raar dat er zo veel wordt nagedacht over roem en zo weinig over inschikkelijkheid en meegaandheid. Een snelle zoektocht in internetcatalogi van boeken leverde me nauwelijks iets op. Geen ‘Hoe word ik inschikkelijk?’ – hooguit ‘Meegaan of dwarsliggen?’

Ik vond uiteindelijk maar één boek dat oprecht pleitte voor ‘een levenshouding van dienstbaarheid, nederigheid en dankbaarheid’. Het leek de onweerlegbare logica te hebben overgenomen van Comte-Sponville, en het begon zijn pleidooi voor een onopvallend leven als volgt. ‘Ieder mens is uniek. Niet in zijn mens-zijn, want op dat punt is ieder mens weer gelijk. Ik bedoel, ieder mens is een mens. Dus wie zich voorstaat op het feit dat hij een uniek mens is, als mens dan, zegt in feite dat hij weinig bijzonders te bieden heeft. Hij is alleen maar mens en dat is niets meer of minder dan een ander mens die mens is.’

Ik weet niet, maar ik vind mijn idee om een huisdier te worden toch pakkender.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden