Koopman en kelner

De ‘Rat van de Gracht’ werd hij vroeger genoemd. ‘Nu kan ik ertegen, toen niet. Ik moet iets in me hebben dat die boze gedachten bij mensen oproept.’ Wat Mai Spijkers (1955) ook heeft: een succesvol fonds, met schrijvers als Geert Mak, Tim Krabbé en Martin Bril....

Hij zit zo’n dertig jaar in het vak. Hij heeft eens uitgerekend dat hij inmiddels zo’n vijfduizend boeken heeft uitgegeven. ‘We zijn pas op de helft, hoor.’ Een goeie uitgever, zegt hij, is een soort drie-eenheid: koopman, gokker en mecenas. In één persoon, ondeelbaar.

Maar wat ben jij het meest van die drie personages?

Als Mai Spijkers het antwoord liever niet geeft, maar ook de onontkoombaarheid inziet van een antwoord, praat hij zacht, bijna verlegen. Op deze manier komt, heel bedachtzaam, het antwoord: ‘Ik ben het meest een koopman, denk ik inderdaad wel.’

Hij zwijgt. Dan opnieuw bijna onhoorbaar: ‘Maar zonder die andere twee eigenschappen red je het ook niet.’

Het is donderdagmiddag en in Amsterdam vallen de mussen van het dak. Maar niet van het dak van Mai Spijkers. In zijn pand aan de Herengracht ontvangt hij. Hij is gekleed in een lichtblauw, pepito geruit hemd waarop een gestreepte das in lila en wit met een stevige strop. Over het hemd draagt hij donkerblauwe bretels met witte spikkeltjes. Vooruit, het colbert van het fluweelblauwe kostuum mag op het knaapje blijven in de werkkamer. Het is tenslotte dertig graden buiten. Binnen ook.

De 54-jarige Mai Spijkers is een kleine man, vermaard in de uitgeverswereld vanwege zijn grote behendigheid en doortastendheid. Sinds twee jaar is hij eigenaar-directeur van uitgeverij Prometheus. Auteurs? Tallozen, onder wie Connie Palmen, Frits van Oostrom. Hafid Bouazza, Tim Krabbé, Umberto Eco, Geert Mak, Martin Bril, Frits Bolkestein, Joost Zwagerman.

Hij heeft Prometheus zelf opgericht, twintig jaar geleden, in 1989. Maar hij liet het toen in handen van een ander. Dat het zo lang heeft geduurd voordat zijn eigen uitgeverij echt van hem was, beschouwt hij zelf ook wel als ‘een van mijn minder slimme streken’.

Hij kocht de zaak twee jaar geleden van PCM, de Perscombinatie waar hij een behoorlijk fataal directeurschap van de boekenpoot achter de rug had. Voor ‘een redelijk bedrag’ mocht hij Prometheus meenemen. Allicht moest hij naar de bank voor de financiering.

Maar nu komt het wonder: binnen twee jaar heeft hij de bank afbetaald. ‘Dat is juist, ik ben van mijn schulden af’, bevestigt hij met die hierboven vermelde grimas. ‘Ik heb het goed gedaan, de afgelopen twee jaar.’ De koopman is eindelijk echt vrij. ‘Het is heel goed voor mijn... vooruit, voor mijn ego. Ik heb iets voor elkaar gekregen.’

Als uitgever is hij dus behalve koopman ook nog gokker en begunstiger. Waarom zou hij mecenas moeten zijn? Ligt dat in zijn aard dan?

Mai Spijkers: ‘Een schrijver kan in een proces zitten waarin hij eindeloos niks voor elkaar krijgt en dan moet hij toch leven.’

Dat zijn dan toch voorschotten? Of ben jij iemand die geld weggeeft?

‘Weet je hoeveel voorschotten afgeschreven worden in de wereld van de uitgeverij? Dat gaat om miljoenen. Ja, hier wat minder inderdaad. Ik let altijd wel op.’

~

Martin Bril was een man die lange tijd voorschotten nodig had. Omdat het niet lukte.

Spijkers vertelt hoe ze elkaar leerden kennen: ‘Ik werkte nog bij uitgeverij Bert Bakker, het was 1987, en ik wilde boeken uitgeven van jonge Nederlandse fotografen die dan wereldberoemd zouden worden en dat men later zou zeggen dat ik in die carrières een soort voorhoedefunctie had vervuld.’

Iemand wees hem op Corbijn. Wist hij veel. Hij kwam wel in contact met Corbijn, maar niet met Anton. Het was Maarten Corbijn die hij ontmoette, broer van Anton. Ook een leuke jongen. Dus hij besloot toch met Maarten Corbijn in zee te gaan en die zei dat hij zijn ‘schoonbroer’ wel zou vragen voor een begeleidend stuk. Die ‘schoonbroer’, dat was Martin Bril.

Spijkers: ‘Bij de volgende afspraak kwam een jongen binnen met van die Spaanse cowboylaarzen, gewoon een character uit een Amerikaanse crimefilm, een heel mooie jongen, wild, een soort popster. Ik was meteen onder de indruk. En hij schreef een stuk bij die foto’s van Maarten dat meteen geweldig was.

‘Hij zat nog bij de Bezige Bij. Ach, dat was toch een beetje een oude lullentent in die tijd, hij hoorde er niet. Ik gaf al Jay McInerney uit en Bret Easton Ellis, begrijp je. Hij las Rolling Stone en Esquire, nou ja, we begrepen elkaar.

‘Jij ziet mij als een geldmaker in de boekenwereld, maar vlak Martin niet uit, hoor. Die had dat ook. Die hield zich ook heel intensief met de afzetkant bezig. Move the product noemde hij dat. Het sprak mij erg aan.

‘Hij zocht naar zijn vorm. Jarenlang ging het heel beroerd met hem. Hij zat te veel in de dope en hij wilde iets dat hij niet kon. Hij wilde een grote romancier worden, dat was zijn idee. The great Dutch novel – dat ga ik, Martin Bril, doen. Maar dat kon hij niet. Die romans mislukten. En het kwam pas goed toen hij de vorm vond van thema’s in het kort geschreven stuk.

‘Het kloterige is natuurlijk dat het van zeg maar 1988 tot 2008 kijken, kijken, kijken is geweest. En uiteindelijk was hij zover, uiteindelijk kwam alles bij elkaar, de vorm, zijn inzet, zijn bekendheid en toen haalde de dood hem in.’

Hij was een veeleisende jongen. De wereld draaide om hem. Kon je daarmee overweg?

‘Een uitgever is ook de kelner, de bediende. W. F. Hermans zei altijd tegen zijn uitgever Geert Lubberhuizen: ‘Jij moet je mond houden, een uitgever hoort bij de kassa.’

‘Ik ben natuurlijk ook dienstbaar aan schrijvers. Maar voorwaarde is wel dat je het met iemand kunt vinden. Ik kon er wel tegen, tegen Martin. Hij liet zich door niks tegenhouden, maar hij deed dat altijd op een heel charmante manier. Als Martin langskwam, kreeg je een goed humeur.’

Een uitgever moet dus geduldig zijn, in meerdere opzichten. Hij moet netjes wachten tot het manuscript er is, hij moet zijn mond houden...

‘Allemaal dingen die ik niet kan, bedoel je. Het is een continue strijd met mezelf, dat weet ik. Ik ben ongeduldig, heel ongeduldig. Maar soms kan het niet anders. Dan moet je je ziel bezitten in lijdzaamheid.

‘Een uitgever moet mensenkennis bezitten. Ik kijk altijd eerder naar de persoon dan naar diens boek. Dan vraag ik me af: wat is het voor een figuur, heeft hij iets te melden? Als dat goed zit, komt dat boek ook wel.’

Arjan Peters beschreef eens hoe jij werkt: ‘Geen dagen in manuscripten turen, maar anderen vóór zijn door intuïtief te bieden en met contracten te zwaaien.’ Moet een uitgever ook snel zijn?

‘Mijn vader zei eens over mij: ‘Onze Mai heeft al gescheten als een ander zijn broek nog uit moet doen.’ Dat had hij goed gezien.’

Zijn eerste klapper maakte Mai Spijkers in 1981 toen hij als jong boekredacteur bij uitgeverij Bert Bakker vanuit het niets De naam van de roos van Umberto Eco aankocht.

Spijkers: ‘Een thriller in de Middeleeuwen. Nu zou je zeggen: direct aankopen. Maar toen interesseerde niemand zich voor de Middeleeuwen. Thrillers van hoogleraren? Uitkijken, jongens, uitkijken. Een geleerde die een roman schrijft? Kan niks wezen. Het was dik, dus je had hoge vertaalkosten. Het had alles waarvan je zou zeggen: ver vandaan blijven.’

Hij kocht de rechten voor achtduizend gulden. Er zijn zo’n vierhonderdduizend exemplaren van het boek verkocht. ‘Toen het ging lopen, was ik natuurlijk ongelooflijk trots. Je kunt het, zei ik tegen mezelf, je kunt het.’

Je geeft ten minste 150 boeken per jaar uit. Je denkt waarschijnlijk: er zitten altijd wel een paar bestsellers bij en de rest is voor de lommerd.

‘Nee, nee, zo gaat het niet. Misschien is de praktijk zo, als je terugkijkt – wat je trouwens niet te veel moet doen. Maar zo zit ik niet mijn beslissingen te nemen. Elke beslissing is er een. Elke beslissing komt voort uit enthousiasme over het boek. Anders doe ik het niet. En elk boek moet zijn eigen kosten kunnen opbrengen. Dat het niet altijd lukt, is een tweede. Je moet weten wat je doet.’

Fluisterend: ‘En dan kun je het ver schoppen, hoor.’

Ten minste 150 titels per jaar. Ben je elk moment van de dag bezig met een mogelijk nieuwe titel?

‘Ja.’

Denk je bij elke ontmoeting: zit er misschien een boekie in die vent?

‘Of in die vrouw. Als ik iemand tegenkom, en in mijn vak kom je veel mensen tegen, dan denk ik: zit er wat in? Een vliegende kraai vangt altijd iets.’

Is het maniakaal?

‘Het is een manier van leven, ja.’

Vind je het vervelend om het maniakaal te noemen?

‘Nou ja, je zegt het met een intonatie van: die vent is niet gezond.’

Moet een uitgever eerlijk zijn?

‘In welke zin?’

Je wordt ook wel De Rat genoemd. Is dat een eretitel?

‘Inmiddels wel. Vroeger vond ik het heel erg. Het deed veel pijn. Ik was 28, 29 en ik las opeens: hij wordt de Rat van de Gracht genoemd. Nu kan ik er tegen, nu ben ik dat stadium voorbij. Ik moet iets in me hebben dat die boze gedachte bij mensen oproept. Dat realiseer ik me inmiddels wel. Iets van onbetrouwbaar, een beest dat alle kanten opschiet.

‘Ik wist weinig van de gebruiken, van de mores. Ik kwam in mijn fanatisme dat vak binnengerold en ik wilde zo goed mogelijk scoren, in dienst van de uitgeverij waarvoor ik werkte. Dat was wat ik wilde. Ik had het benul niet dat het niet op prijs wordt gesteld als je schrijvers die bij een ander zitten, aanspreekt, uitnodigt om eens langs te komen.’

Je was argeloos?

‘Voor een belangrijk deel wel, ja. En wat deed ik dan fout? Ik zag en zie het vak als een spel waarin je kijkt hoe je de dingen naar je toe kunt halen. Ik vind me zelf niet vals.’

Oprecht?

‘Oprecht, oprecht? Iemand noemde mij eens een opportunist die zijn kansen pakt. Nou, dat herken ik wel. Ik ben menselijk. Als ik iets doe waarmee ik een ander, een andere uitgever benadeel, vind ik dat zoiets moet kunnen. En als het omgekeerd mij overkomt, vind ik dat erg en doet het pijn. Dan zeggen ze: maar je doet het zelf ook?! Zeg ik: en toch wil ik het niet. Ik wil dat het anders is, ik wil winnen.’

~

Mai Spijkers komt van een stapel van acht kinderen uit een arm, Brabants gezin. Zijn vader werkte in de textiel. ‘Mijn vader was een klassebewuste man, een arbeider. Maar hij taalde niet naar materie. Ik weet nog, ik kreeg een brilletje in 1964, ik was negen. Hij had een leesbril nodig. Samen gingen we naar de opticien. Zijn bril kostte drie kwartjes. Kort voordat hij stierf in 2004, zei ik tegen hem: pa, moet je niet eens een andere bril? Hij zei: ‘Ik wacht nog efkes.’

De moeder van Mai Spijkers stierf toen hij tien was. Een gevleugelde uitspraak van haar was: ‘We behoren tot de armsten van de armen, maar we zijn er niet minder om.’ Hij heeft een mooi boekje gemaakt van de familiegeschiedenis. Het is niet voor in de winkel. Het is bedoeld als herinnering en eerbetoon aan zijn ouders.

Toch is het de vraag of hij niet ver verwijderd is geraakt van zijn nest. Spijkers: ‘Natuurlijk. Dat is zo. Dure kleren vind ik leuk. Dat is inderdaad anders dan vroeger. Dan kreeg je een broek en een hemd met Sinterklaas en dat was het.’

Wat is de grootste luxe die je je herinnert uit je jeugd?

‘De grootste luxe? Een gestroopt konijn met Kerst, denk ik.

‘Ik leef in luxe nu. Maar ik schrik nog van hoge uitgaven. Ik fiets bijvoorbeeld. Als ik een lekke band heb, heb ik toch de neiging die zelf te plakken.’

Maar wat is de uitkomst van al dat denken?

‘Oké, dat ik de band door de fietsenmaker laat plakken. Maar ik sta er wel bij stil.’

Ik zie dat je nu over straat gaat in schoenen zonder sokken. Hip?

‘Als het warm is, doe ik dat. De bedoeling is dat als je rechtop staat je broekspijp op je schoen rust en niet er overheen, zoals bij jou en bij de meeste Nederlandse mannen. Iemand zei eens: ‘De Nederlandse man gaat gekleed alsof hij op het punt staat een boswandeling te gaan maken.’ Dat is zo en daar wil ik niet bij horen.’

Is het niet ironisch dat wat in jouw jeugd een uitdrukking was van armoede – geen sokken aan je voeten – nu als iets exclusiefs wordt opgevoerd?

‘Zo zou je er naar kunnen kijken.’

Is jouw vertoon van welstand ook de revanche op je jeugd?

‘Dat zal best een rol spelen. Ik wilde weg uit die armoede, als kind al. Als heel klein kind riep ik met veel bombarie: ik ga wonen aan de Tilburgseweg. Daar stonden de villa’s van de rijken.’

Wat hinderde je het meest aan die armoede?

‘De schraalheid. En de schaamte. Armoe is schaamte. Op de middelbare school zag je aan mijn kleren dat ik minder was. Dat wilde ik niet. Ik wilde weg uit die armoede. En ik ben weggekomen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden