Koning én koningin van de blues Zonder Little Richard was er geen Prince of Michael Jackson geweest

'Little Richard' bleek hij te heten en hij was in de jaren vijftig eigenlijk niet van deze wereld: een kleine, tengere neger met een enorme opgekamde haardos, een streepdunne snor, mascara....

LITTLE RICHARD lanceerde zichzelf in de Amerikaanse muziekscene in het midden van de jaren vijftig met Tutti Frutti. Het was een liedje met een scrabreuze tekst dat hij al jarenlang in de clubs van zijn geboorteplaats Macon, Georgia placht te zingen ('If it don't fit, don't force it/ you can grease it, make it easy'), maar dat voor de platenmarkt werd aangepast. Nou ja, aangepast: de obsceniteiten werden vervangen door de woorden ' a-wop-bop-aloo-bop-alop-bam-boom-tutti-frutti-aw-rootie', en in veler oren was deze historiemakende onzin al even schandalig.

Hij leek bijna letterlijk niet van deze wereld, in die geordende jaren vijftig: een kleine, tengere neger met een enorme opgekamde haardos, een streepdunne snor en mascara die met een ijscolepel leek te zijn aangebracht. En dan had je het alleen nog maar over de foto's die sporadisch van hem tot onze muziekbladen doordrongen. De verhalen over hoe hij zich gedroeg op het toneel tartten elke beschrijving, maar het was pas vele jaren later dat Nederland daar via film en televisie getuige van mocht zijn.

Veel van mijn generatiegenoten weten nog wanneer, en onder welke omstandigheden, ze The Beatles voor het eerst hoorden. Of Bob Dylan. Er zijn er zelfs die nog weten wanneer Jim Morrison zijn intrede deed in hun leven. Mijn geheugen heeft al die momenten genadevol uitgewist: maar de enige zanger uit het diluvium van de rock 'n' roll van wie ik dat zelf nog tamelijk duidelijk weet is, niet geheel onverwacht, Little Richard. We zaten nog op de lagere school en hadden lange gesprekken over wat een kwijl die Elvis Presley toch was en of de calypso nu echt de opvolger zou worden van de rock 'n' roll, zoals ze op de radio hadden gezegd. Van Jerry Lee Lewis hadden we zelfs nog nooit gehoord, en ikzelf begon langzamerhand te poneren dat de Everly Brothers toch eigenlijk mijn grootste helden waren.

Toen kwam mijn klasgenoot Wakjoe bin-Tanja op een dag langs met een singletje. Van een oom gekregen die op de grote vaart zat. Zwart label, met zilveren sterretjes. Heebie Jeebies. Geschreven door Jackson-Marascolco. Als artiest werd vermeld: Little Richard.

We legden het magische schijfje op mijn pick-up; voor het verhaal - en mijn aanzien in de wereld van de rockers - zou het natuurlijk het mooiste zijn als ik nu zou vervolgen met te vertellen dat ik voor mijn leven verkocht was, maar dat was niet zo. Wakjoe begon wild in het rond te springen en met zijn heupen te draaien en zijn nek leek ineens van rubber. De kat stoof onder het dressoir en mijn moeder schreeuwde vanuit de keuken dat die herrie af moest. Ik vond het eigenlijk maar onzinnig lawaai. Kabaal waar ik niets van verstond: Heebie Jeebies jump back jump back geng bong baby for the sjeeksiemie. Een koor van baritonsaxen, een dolle piano en een nog dollere zanger. Wakjoes ogen stonden ineens heel gevaarlijk, het werd me voor het eerst duidelijk wat rock 'n' roll bij mensen los kon maken.

The Quasar of Rock noemt Charles White hem in zijn The Life and Times of Little Richard. Een juiste betiteling, want Little Richard was inderdaad iets dat als buitenaards op de wereld afkwam. Terwijl hij toch was geboren als een van de keurige twaalf kinderen van het al even keurige gezin Penniman, religieus tot op het bot: zoals zoveel zwarte zangers van zijn generatie deed Richard zijn eerste muzikale ervaringen op, uiteraard, in de kerk waar hij als jochie zong en piano speelde.

Maar Richard was, let's say. . . something else in de woorden van Johnny Otis. Zijn eerste successen als werelds zanger behaalde hij in lokale clubs en toen al exploiteerde hij met graagte zijn vrouwelijke kanten. Als hij zichzelf aankondigde met This is Little Richard, King of the Blues voegde hij er met een venijnig lachje aan toe And the Queen too! en groette hij speciaal al zijn sisters in de zaal.

Bumps Blackwell, de man die hem ontdekte, was eigenlijk op zoek naar een tweede Ray Charles, een zanger die het gospel-gevoel in een bluesy setting kon vertolken. Bij de eerste opnamesessie was Richard echter veel te geïntimideerd om zijn reputatie gestand te doen, en Blackwell, die veel geld in de sessie had gestoken, had een probleem. Immers: 'If you look like Tarzan and you sound like Mickey Mouse it just doesn't work out.' Tot hij hem overhaalde dat schandalige liedje te zingen waarmee hij de achterbuurten van Macon overhoop haalde. Richard speelde een aangepaste Tutti Frutti, en de rest was - u haalt me de woorden uit de mond - geschiedenis.

Long Tall Sally volgde, toen Slippin ald slidin', Rip it up, en Heebie Jeebies. In retrospectief lijkt hij, met Elvis en Fats Domino, in die jaren de Amerikaanse hitparades te hebben beheerst, maar niets is minder waar. Volgens het lijstjesboek van H. Kandy Rohde komt hij maar éénmaal in de Amerikaanse Top-10 voor, namelijk in de maanden mei en juni 1956, met Long Tall Sally. (Voor al diegenen met een te romantisch beeld van hoe wereldschokkend de jaren vijftig waren: Moonglow and Theme from Picnic van Morris Stoloff, The Poor People of Paris van Les Baxter en Lisbon Antigua van Nelson Riddle deden het beter in die weken.) In de Billboard-lijst komt hij maar twee keer in de Top-10 voor, met Keep a-Knockin uit 1957 en Good Golly Miss Molly uit 1958.

Wel domineerde hij tussen 1955 en 1958 de rhythm and blues-lijsten, en dat is de sleutel tot dit verhaal, want de platenmarkt was in die jaren nog even gesegregeerd als de rest van de Amerikaanse samenleving. Het waren blanken als Elvis Presley, Pat Boone, Bill Haley en Buddy Holly die met getemde versies van Tutti Frutti, Rip it Up en Ready Teddy de miljoenenverkopen behaalden die volgens elke opvatting van morele rechtvaardigheid aan Richard Penniman toebehoorden.

Niet dat Little Richard te klagen had. In Charles Whites biografie trekken de verhalen over de koffers met geld die op de motelkamers te voorschijn kwamen om de post-concert orgies te bekostigen al evenveel aandacht als de zaken die verantwoordelijk waren voor Richards eclips als rock 'n' roll'er.

Allereerst was daar zijn reputatie als 'Richard the Watcher': toekijken was zijn grote obsessie. 'Ik genoot ervan als mensen sex hadden met mijn bandleden. Als er een jongen met een grote penis was dan betaalde ik hem om het te doen met een van de vrouwen zodat ik kon kijken. En terwijl ik masturbeerde moest er dan iemand aan mijn tepels sabbelen.'

Zijn hebbelijkheden begonnen een probleem te worden; op een keer liet hij een studio vol dure muzikanten tien uur wachten omdat hij gearresteerd was in een openbaar toilet in Long Beach waar hij rondhing 'to look, to see who was doing what, to watch people take out and urinate, like I always did'. Toen hij eindelijk de studio bereikte, kondigde hij aan dat 'de Heer niet wil dat ik vandaag een opname maak'.

Want er had zich een andere belangrijke ontwikkeling voorgedaan in Richards leven: in 1957 of '58 (het biografisch materiaal is er onduidelijk over) brak hij een tournee in Australië van de ene op de andere dag af om zich aan de Heer te wijden. De Werdegang van Jerry Lee Lewis' volle neef Jimmy Swaggart is een even kleurrijk voorbeeld. Zoals wij onze zomerkleding periodiek omwisselen voor winterkleding, zo doet de gelovige in de Bible Belt periodiek zijn schuldbekentenis en boetedoening, om daarna weer even hartgrondig te zondigen als tevoren.

Richard zwoer de zondige rock 'n' roll af en schreef zich in als student op een theologisch seminarie in Alabama met de bedoeling ouderling te worden. 'Iedereen zei dat ik nu ook een vrouw moest hebben. Ik was bang dat ik in de hel terecht zou komen als ik niet zou trouwen en dus besloot ik een vrouw te zoeken.' Zijn homoseksuele geaardheid zwoer hij af ('Homoseksualiteit is iets besmettelijks. Het is niet iets waar je mee geboren wordt'), maar hoe serieus zijn intenties mogen zijn geweest, lang duurde zijn periode als theologisch student niet. Tijdens een verblijf in Engeland waren de verlokkingen van de duizenden fans te groot; Little Richard keerde terug op zijn zondige wegen. Er volgde een revival-periode met veel succes, maar het zou slechts luttele jaren duren voor Little Richard opnieuw het ware pad van de Heer zou volgen en met bijbels langs de straten van zijn woonplaats zou gaan leuren.

Little Richard kende na zijn religieuze episodes telkens weer een wederopstanding als rocker, hij maakte platen voor Reprise en trad op in diverse films, maar het zou nooit meer van de wereldschokkende originaliteit zijn als die van vroeger. En dat is allerminst verbazend. Als je de wereld eenmaal hebt opgeschrikt en verblijd met 'a-wop-bop-aloo-bop-alop-bam-boom', en daarmee voor eens en voor altijd de essentie van de rock 'n' roll hebt gedefinieerd, dan ben je ook voor jezelf a hard act to follow.

Peter Guralnick beschrijft in zijn boek Sweet Soul Music de frustratie van de soul-muzikanten uit de jaren zestig die maar niet kunnen begrijpen dat het publiek dertig jaar later niet meer in die mate warm loopt voor hun muziek als toen. Dat is natuurlijk een beetje tragisch, maar niet zo vreemd. Elke muziek heeft zijn tijd blijkbaar, en Little Richard, nooit zijn werk uit de jaren vijftig overtroffen hebbend, moet het nu hebben van zijn nostalgische waarde.

Ik zeg dat zonder denigrerende intenties. Ik ben het geheel met hem eens als hij klaagt dat hij, de meest flamboyante rocker ooit, het in het Rock & Roll Hall of Fame Museum moet doen met de afbeelding van één platenhoes, terwijl diverse nobodies met beeldjes worden vereerd. In 1988, toen hij een Grammy Award mocht uitreiken aan weer een nobody wiens naam opnieuw genadevol uit mijn geheugen is gewist, viel hij opeens uit zijn rol van ceremoniemeester en riep uit: 'En ik heb nooit een prijs gekregen terwijl ik al meer dan dertig jaar zing! Ik ben de architect van de rock 'n' roll! Ik ben de grondlegger' Het publiek applaudiseerde instemmend, maar daar bleef het bij.

Het is vaak gezegd, en ik onderschrijf het van harte: als Little Richard er niet was geweest, was Jimi Hendrix er niet geweest en was Prince er niet geweest en was Michael Jackson er niet geweest. Al had hij na Baby Face geen plaat meer gemaakt, dan nog verdiende hij een applaus dat morgenavond in de JVC Statenhal alle stoppen moet doen doorslaan.

Little Richard treedt zaterdag op tijdens het North Sea Jazz Festival.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden