Komt dat zien

Even leek het erop dat met de heropening van het Rijksmuseum en Stedelijk Museum de buitengewesten niet langer meetelden. Maar het evenwicht wordt in de provincie hersteld. Vier musea gaan weer open, mét nieuwe visie.

Vraag de drie directeuren wat hun belangrijkste troef is om in de nabije toekomst naar hun musea in de provincie af te reizen, en je krijgt in een enkel woord het antwoord. 'Kunstenaarskeramiek', volgens René Pingen van het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch. 'Fries erfgoed', als het aan Saskia Bak van het Fries Museum ligt. 'De Hanzelijn', naar de mening van Ralph Keuning van De Fundatie.


Na een paar jaar van verwoede bouwactiviteiten gaan in Nederland weer drie musea open. Eind deze week het Stedelijk Museum in Den Bosch (samen met de buurman, het Noordbrabants Museum). Een week later De Fundatie in Zwolle. In het najaar het Fries Museum in Leeuwarden. Het zal een opkikker zijn voor de regio. Even leek het erop dat met de heropening van het Rijksmuseum en Stedelijk Museum, beide in Amsterdam, de buitengewesten niet langer meetelden. Maar de komende maanden zal het evenwicht worden hersteld. De provincie zal dan weer in volle sterkte meedingen naar de gunst van de nationale en internationale museumbezoeker.


'Daarom is de Hanzelijn voor ons van levensbelang,' legt Ralph Keuning uit. 'We trokken al veel bezoekers uit de zuidelijke Randstad. Den Haag. Rotterdam. Maar niet uit het noordelijke deel. Dat had alles met overstappen te maken. Dat doet niemand graag. Nu kan iedereen rechtstreeks met de trein komen. Wat een stuk relaxter is. Door de Hanzelijn voelen we ons ineens een Randstedelijk museum.'


De uitleg van Keuning klinkt in eerste instantie puur logistiek. Maar, wil hij graag kwijt, het behoort tot een groter verhaal: het groeiende economische en culturele belang van Zwolle als 'moderne Hanzestad'. Keuning: 'Al in de 16de eeuw maakte Zwolle onderdeel uit van een groter verbond van steden, van de Oostzee tot aan de Zuiderzee. Een soort Europese Gemeenschap avant la lettre. Die vroegere, internationale bedrijvigheid zie je nu nog steeds. In de bedrijven die hier zitten, zoals de kunststoffendivisie van DSM. In het internationale niveau van de HBO-instellingen.'


Volgens Keuning sluiten de ambities van De Fundatie daarop aan. Alleen al vanuit de collectie. Die werd door de vroegere directeur van het Museum Boijmans Van Beuningen, Dirk Hannema, bijeen gekocht. 'Zijn blik was heel internationaal,' wil Keuning graag benadrukken. 'We hebben een schilderij van Turner, een beeld van Canova: de enige in Nederland. Ook werk van Picabia, Marc en Pechstein. Het zijn weliswaar zwerfkeien, maar wel meesterwerken waaromheen we aparte tentoonstellingen kunnen organiseren. Die erfenis van Hannema is van internationale allure. Daar kan je wat mee.'


Vergelijkbaar, maar bescheidener, zijn de denkbeelden van Saskia Bak. 'Wij willen het verhaal van Friesland vertellen. We hadden vroeger een non-imago. Kunstliefhebbers vonden al dat erfgoed bij ons te stoffig. Erfgoedliefhebbers hadden niets met al die kunstwerken. We speelden geen rol in de Friese samenleving. Ook omdat ons museum aan de rand van de stad stond. In een gesloten gebouw.'


De kans zich een nieuw voorkomen aan te meten kreeg het museum plots in de schoot geworpen. Dankzij een erfenis van de Friese architect Abe Bonnema: 18 miljoen euro. Voorwaarde: een nieuw onderkomen in het centrum, gebouwd door architect Hubert-Jan Henket. Resultaat: een licht, transparant glazen gebouw op het Zaailand, een plein in de binnenstad.


Bak: 'Ineens moesten we ons afvragen: wat zijn we? Dan ga je nadenken over het Friese verleden; de beeldvorming van deze provincie. Over de rijke 17de eeuw, toen hier stadhouders waren. Over de schilderijen van Gerrit Benner. Maar ook over Sonnema Berenburg, de Hel van 1963, de boeken van de Kameleon. Al die dingen leven hier. Friesland is een plattelandsprovincie. Ze zijn hier meer gericht op de eigen omgeving dan in de grote stad. Als museum wil je daarop aansluiten. Maar wel zo dat het ook voor niet-Friezen behapbaar is.'


Oplossing om die 'Friese identiteit' nadrukkelijker te laten zien vond Bak in de 'gemengde opstelling', vergelijkbaar met hoe het Rijksmuseum zijn collectie laat zien. Oude portretten naast Fries zilver, een werk van de eigentijdse kunstenaar John Bock bij een Hindeloopen kamer. 'Je moet het gevoel hebben Friesland binnen te stappen, niet een academische tentoonstelling.' Om dat gevoel te 'verfrissen' nodigde Bak Jort Kelder uit, om het Friese verhaal van de Gouden Eeuw toe te lichten. Bak: 'Snap je toch beter hoe dat in de 17de eeuw zat, met oud en nieuw geld. Dat de molensteenkraag vroeger net zo'n item was als een gadget van Prada nu.'


Een onderscheidend imago. Zoals Keuning en Bak dat benadrukken, zegt het iets over de aspiraties die de provinciale musea momenteel hebben. Het is bovendien een trendbreuk met hoe die musea zich in het verleden veelal profileerden. Met name in de jaren negentig begonnen ze allemaal op elkaar te lijken. Veel musea in Nederland, zeker buiten de Randstad, manifesteerden zich toen op een overeenkomstige manier. Iedereen kocht een schilderij van Marlene Dumas, René Daniëls of Erik Andriesse. Allemaal droomden ze van actueel expositiebeleid dat ze een internationaal elan zou geven, vergelijkbaar met de grote musea in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (Bak: 'Overal kwam je dezelfde kunstenaars tegen, opgepikt uit de Biënnale van Venetië en de Documenta'). Met als resultaat dat er nog maar weinig reden was de trein te pakken. Van een duidelijk onderling onderscheid, laat staan een specifiek karakter was weinig te merken.


Wie nu de komende tentoonstellingsagenda en collectiepresentaties bestudeert, zal merken dat die tijd zo zoetjesaan tot het verleden behoort. Zo zullen in Leeuwarden vanaf september, wanneer het Fries Museum opengaat, schilderijen en foto's te zien zijn die over de horizon gaan. 'Toch een van de meest kenmerkende eigenschappen van het Friese landschap', zo betoogt Bak. De Fundatie laat, naast het werk van Jeroen Krabbé en fotograaf Pieter Henket, schilderijen en beelden zien uit de Duitse Weimar-periode. En in het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch wordt de collectie keramiek en sieraden getoond die 'uniek' is voor Europa, beweert René Pingen.


Pingen: 'Dat unieke komt omdat we hier een collectie keramiek en sieraden hebben die gemaakt is door kunstenaars. Alexander Calder, Man Ray, Meret Oppenheim, A.R. Penck, Tony Cragg, Anish Kapoor. Je associeert ze niet meteen met die discipline. Maar let wel, de interessantste ontwikkelingen op dat gebied komen niet van keramisten en sieradenontwerpers, maar van kunstenaars. Inderdaad, iedereen wilde lange tijd een schilderij van Erik Andriesse aan zijn verzameling toevoegen. Wij hebben van hem een aantal schalen. Daar onderscheiden wij ons mee.'


Of hij daarmee een breed publiek zal trekken, daarover is Pingen realistisch. 'Onze verzameling is van hoge kwaliteit, maar specialistisch. Puur op grond van die collectie trekken wij geen honderdduizend bezoekers. Maar dat kan geen enkel museum. Reden waarom we het vooral moeten hebben van onze wisselende tentoonstellingen. Naast de collectieopstelling hebben we ook Ted Noten een expositie laten inrichten. In het najaar volgen beelden van Thom Puckey. De kwaliteit van de wisseltentoonstellingen, daarin zit 'm de aantrekkingskracht. Daarna ga je vanzelf de collectie bekijken.'


75 duizend bezoekers per jaar verwacht Pingen in zijn nieuwe gebouw; ruim tweemaal zo veel als toen het museum nog was gevestigd aan de rand van de binnenstad. 'Dat moet haalbaar zijn. Vroeger waren we een geheimtip achter het station, nu zitten we in het centrum. Veel van onze bezoekers gaan ook naar het Noordbrabants Museum. De helft zal van buiten de provincie komen. Den Bosch is nu eenmaal een aantrekkelijke toeristenstad.'


Pingen legt uit dat hem ook een andersoortig museum voor ogen staat, om die publieksverdubbeling voor elkaar te krijgen. 'Je moet het publiek actief tegemoet komen. Dat ze niet schouderophalend het pand verlaten. Het normale publiek bestaat uit hoog opgeleide vijftigers. Het merendeel vrouwen. Om de veelvormigheid te vergroten gaan we lezingen en discussies organiseren. En meer samenwerken met andere instanties in de stad.' Komt bij, vertelt Pingen, dat het museum een bijzondere winkel krijgt. 'Je kan hier keramiek en sieraden kopen die in de collectie aanwezig zijn.'


'De rol en verwachting van musea zijn de laatste jaren veranderd', zegt Saskia Bak. Volgens haar ligt dat mede aan de recessie van 2008. 'Sindsdien moeten we ons beter afvragen waarom iemand naar het museum gaat. Het automatisme is verdwenen. Er moeten meer inspanningen worden verricht, omdat er strengere vragen worden gesteld naar het bestaansrecht van musea.'


Reden waarom Bak vindt dat het museum niet zozeer van alles kan aanbieden, maar zich moet afvragen wat het publiek graag wil. Maar wordt het Fries Museum, door zo nadrukkelijk aan te sluiten bij de Friese identiteit, geen nationalistische instelling? 'Nee. Identiteit en sentiment zijn belangrijke aanknopingspunten, maar we zijn geen cultuurpolitieke belangenorganisatie.'


'Het gaat uiteindelijk om de eigenzinnigheid die je legt tussen de tentoonstellingen en je verzameling,' benadrukt Ralph Keuning. Aan ambities ontbreekt het hem niet. 'We zijn natuurlijk een museum voor de Zwollenaren. Die kwamen vroeger nauwelijks naar ons museum. Dat willen we nu veranderen. Maar tegelijkertijd wil ik graag Europees zijn. We leven in een fantastische tijd, dankzij de Europese eenwording, waarvan Karel de Grote al droomde. Zwolle zou straks vergelijkbaar moet zijn met steden als Weimar, Oxford of Gent: in de periferie, maar met een internationale uitstraling van hoge kwaliteit.'


Expositie-explosie


Met de heropening van vier musea in de regio zal het Nederlandse tentoonstellingsaanbod een enorme boost krijgen. Vanaf komend weekeinde tonen het Noordbrabants Museum en het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch werk van bijvoorbeeld Marc Mulders en Pieter Saenredam; naast de vaste collectie en een verrassingstentoonstelling, samengesteld door sieradenontwerper Ted Noten. De Fundatie in Zwolle zal de week daarop van start gaan met schilderijen van Jeroen Krabbé, foto's van Pieter Henket en kunstwerken uit Duitsland ten tijde van de Weimar Republiek. In september volgt dan het Fries Museum in Leeuwarden met cultuurschatten uit de Friese Gouden Eeuw, eigentijdse kunst over 'de horizon' en erfgoed uit de provincie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden