Komt allemaal door de media

Human interest en infotainment lijken het serieuze politieke nieuws te verdringen. Toch is de betrokkenheid van de Nederlandse kiezer bij de politiek groter dan ooit....

Veel politici, maar ook veel journalisten houden de kranten en vooral de televisie verantwoordelijk voor het door hen veronderstelde wantrouwen van burgers in de politiek. Concurrentie tussen de media zou leiden tot sensatiejournalistiek en buitenproportionele aandacht voor schandalen en opgeblazen conflicten. De politiek zou worden voorgesteld als een bokswedstrijd waarbij de beleidskwesties naar de achtergrond verdwijnen. De burgers, vatbaar als ze zijn voor de sensatiezucht van het journaille, zouden zich verongelijkt hebben afgewend van de publieke zaak.

Deze voorstelling van zaken is welsprekend onder woorden gebracht door de Amerikaanse journalist James Fallows in zijn boek Breaking the News uit 1996. ‘Stap voor stap’, schreef Fallows, ‘is de journalistiek afgedaald naar de gewoonte het openbare leven in Amerika te portretteren als een wedstrijd in het kwaad, waarbij de ene groep hypocriete politici de andere onophoudelijk op het verkeerde been probeert te zetten. Onderwerpen die van invloed zijn op het welzijn van de Amerikanen – misdaad, gezondheidszorg, onderwijs, economische groei – worden voornamelijk gepresenteerd als toernooivelden waar politici slag kunnen leveren.’

Tegenover deze pessimistische opvatting staat het onderzoek van de aan Harvard University verbonden Britse politicologe Pippa Norris. Zij toonde overtuigend aan dat er een positief verband is tussen de hoeveelheid aandacht die mensen besteden aan nieuwsberichtgeving en hun kennis van politiek, vertrouwen in politiek en deelname aan politiek. Hoe meer de mensen naar het Journaal kijken, kranten lezen, op het internet surfen of aandacht schenken aan politieke campagnes, hoe meer ze betrokken zijn bij de politiek. Dat is dus precies het tegenovergestelde van de stelling dat het lezen van kranten en het kijken naar de televisie zouden leiden tot apathie en erosie van het vertrouwen in politieke leiders en instellingen. Norris noemde haar standaardwerk uit 2000 over politieke communicatie in postindustriële samenlevingen dan ook A Virtuous Circle, in plaats van de vicieuze cirkel die Fallows en zijn medestanders ontwaren.

Waar zij veronderstelden dat hard nieuws over politiek en buitenlandse zaken is verdrongen door afstompende infotainment en human interest, bewees Norris dat de mogelijkheden om op de hoogte te raken van hard politiek nieuws de laatste dertig jaar enorm zijn vergroot. Sinds 1970 is de hoeveelheid nieuws op Amerikaanse en Europese publieke zenders meer dan verdrievoudigd. Het aandeel van de Europeanen dat dagelijks de krant leest, is toegenomen van 27 procent in 1970 naar 45 procent in 1999. In 1970 keek de helft van de Europeanen elke dag naar het Journaal; in 1999 was dat driekwart.

Norris ziet vooral diversificatie: zowel soft nieuws als infotainment en hard nieuws zijn in omvang enorm toegenomen. Haar conclusie is dan ook dat een groter, beter opgeleid en mondiger publiek zeer wel in staat is om uit het verruimde aanbod aan nieuwsbronnen en boodschappen van politieke partijen de informatie te pikken die het zoekt en daaruit praktische politieke keuzen te maken.

Norris heeft het gelijk aan haar kant, maar in het debat zetten Fallows en zijn medestanders nog steeds de toon. Fallows heeft overigens wel degelijk een punt: slechte journalistiek kan het functioneren van de democratie belemmeren. In de Verenigde Staten is onder journalisten een diepgaand debat ontbrand over de kwaliteit van de politieke berichtgeving. Dat heeft tot nieuwe initiatieven geleid. Met name regionale kranten en tv-stations experimenteren met wat civic of public journalism wordt genoemd: journalistiek die partij kiest en burgers ondersteunt in het naar voren brengen van hun problemen. Het nieuws wordt ‘van onderop’ op een positieve manier gepresenteerd, in plaats vanuit het gezichtspunt van deskundigen of instellingen. Het activeren van de burger tot deelname aan het openbare leven is de voornaamste drijfveer van deze ‘civiele journalistiek’.

Het debat over de wisselwerking tussen journalistiek en politiek is inmiddels ook naar Nederland overgewaaid. Thijs Jansen, hoofdredacteur van Christen-Democratische Verkenningen, en Nico Drok, onderzoeker aan de opleiding journalistiek van de Zwolse hogeschool Windesheim, publiceerden vier jaar geleden een pleidooi voor civiele journalistiek: Even geen Den Haag Vandaag. In Op zoek naar vertrouwen in de pers, uitgebracht als lentenummer van CDV, maken ze met een een aantal onderzoekers en journalistieke kopstukken de balans op. Het gaat daarbij niet alleen om civiele journalistiek, maar ook om initiatieven die de pers neemt om verantwoording aan de lezers af te leggen. Civiele journalistiek kan zeer zeker bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de kiezers in de media. Er moet dan wel een accentverschuiving in de berichtgeving optreden, van eenrichtingsverkeer naar openheid, van instituties naar burgers en hun ervaringen, van losse feiten naar pragmatische context, van politieke tactiek naar gevolgen van beleid voor de betrokkenen, en van mislukkingen en extremen naar oplossingen en alternatieven.

Jansen en Drok houden een behartigenswaardig pleidooi tegen de ‘communicatiestaat’, waarin de overheid de informatievoorziening zoveel mogelijk wil controleren. Ze rekenen voor dat bij de ministeries en de Rijksvoorlichtingsdienst in totaal niet minder dan 965 arbeidsplaatsen worden bekleed door communicatiefunctionarissen (het aantal parlementaire journalisten bedraagt naar schatting 240). Net als politieke partijen zijn de media private organisaties die van cruciaal belang zijn voor de kwaliteit van de democratie. Beide zijn immers de fora waar de burgers in onderling debat bepalen hoe de samenleving moet worden ingericht. Aan dit democratische spel van pers en politiek behoort de overheid ondergeschikt te zijn en te blijven.

De politicologen Kees Brants en Philip van Praag, van de Universiteit van Amsterdam, onderzoeken al tien jaar de invloed van de media op de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Zij maken onderscheid tussen drie verschillende ‘logica’s’ van politieke communicatie tijdens verkiezingscampagnes: die van de partij, die van de publieke zaak en die van de media.

Vóór 1965 overheerste de identificatie van de media met ‘hun’ partij. Zij traden op als spreekbuis van hun partij, en de politieke agenda werd geheel door de partijen bepaald. In de jaren zeventig en tachtig maakten de media zich los van hun moederpartijen. Ze gingen zich identificeren met de publieke zaak. De agenda werd nog steeds door de partijen bepaald, en deze partijen werden met respect bejegend. De media voelden zich medeverantwoordelijk voor het welzijn van het politieke systeem en het democratisch proces.

Vanaf de jaren negentig heerst de ‘medialogica’. Niet de partijen, maar de media bepalen de agenda van de verkiezingscampagne. Zij identificeren zich met hun publiek en benaderen de politieke partijen kritisch of zelfs cynisch. De productieroutines, de selectiecriteria en de ‘formats’ van de media dicteren de manier waarop de politiek tijdens verkiezingscampagnes aan de man wordt gebracht. Politici stemmen hun activiteiten af op de behoeften van tijd, plaats en vormgeving van de media.

De stijl van de politieke journalistiek veranderde van beschrijvend in ‘duidend’: de journalist ontwikkelde zich van een gedienstige verslaggever tot een onderwijzer die de kijkers zijn interpretatie van het politieke spel voorschotelde. Inhoudelijke uiteenzettingen over beleidsvraagstukken moeten vooral in verkiezingstijd vaak wijken voor een soort sportverslaggeving waarbij de opiniepeilingen als tussenstanden van de politieke paardenkoers worden gepresenteerd.

In de Nederlandse verhoudingen is het de vraag wie met wie straks een regering gaat vormen, een belangrijk onderdeel van deze horse race-verslaggeving. Beschrijvingen van de strategieën en tactieken van de campagneteams, met een nadruk op de ‘speelwijze’, de stijl en de impact van de lijsttrekker, vormen een integraal onderdeel van de ‘duidende’ verkiezingsverslaggeving. Conflict, drama en de mogelijkheden tot personificatie en visualisering bepalen of zaken nieuwswaardig zijn. De medialogica stelt spektakel voorop en kapt langdradige verhandelingen af tot soundbites.

Het weerwoord van politieke partijen op de medialogica van de verkiezingscampagne was ‘nieuwsmanagement’: het streven naar beheersing van de vrije publiciteit. Dit gebeurt door het verstrekken van ‘exclusieve’ nieuwtjes, het organiseren van pseudo-gebeurtenissen als verkiezingstournees, het inpraten op journalisten om een andere draai aan de gebeurtenissen te geven (spin doctoring), of het omzeilen van de ‘harde’ politieke journalistiek door uit te wijken naar regionale omroepen, talkshows en human interest-media.

Politiek en media in verwarring, het derde boek van Brants en Van Praag, is een must voor iedereen die zich beroepshalve met de driehoeksverhouding tussen kiezers, journalisten en politici bezighoudt. De studie is te lezen als een poging tot verificatie van de stelling van Fallows, door hen geobjectiveerd tot hun theorie van de ‘medialogica’, met behulp van zo exact mogelijke gegevens. Uit die cijfers blijkt zonneklaar dat het percentage campagneberichten in de landelijke dagbladen over de inhoudelijke standpunten van partijen sinds 1998 sterk is gedaald (bij de Volkskrant van 36 procent in 1998 tot 26 procent in 2003). De niet-informatieve sfeerberichten nemen in aantal toe, evenals de horse race-verslaggeving. De kranten volgen hiermee het voorbeeld van de commerciële televisie.

Op het eerste gezicht ondersteunt deze trend de stelling van Fallows. Toch is de betrokkenheid van de Nederlandse kiezer bij de politiek sinds de opkomst van Pim Fortuyn groter dan ooit. Een eerste verklaring daarvoor ligt in de emancipatie van het publiek ten opzichte van de journalistiek. De ontvoogding van de lezers en de kijkers loopt parallel aan die van de kiezers. De vaardigheden van het zoeken, selecteren en interpreteren van informatie verbreiden zich onder alle lagen van de bevolking. Miljoenen kiezers bezoeken de sites van lijsttrekkers, partijen en de StemWijzer om zich zonder tussenkomst van de media op de hoogte te stellen van de standpunten van de partijen.

Liesbet van Zoonen, hoogleraar media en populaire cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, komt in haar studie Entertaining the Citizen met een originele tweede verklaring voor de toegenomen betrokkenheid van kiezers bij de politiek. Haar stelling luidt dat de tegenstelling tussen amusement en politiek een valse is. Popmuziek, soaps, talkshows en aansprekende persoonlijkheden kunnen de kiezers juist van onthechte toeschouwers tot betrokken staatsburgers maken. Dat politiek en entertainment door elkaar heen lopen, is dus niet afkeurenswaardig, zoals Fallows en in mindere mate Brants en Van Praag veronderstellen, maar positief.

Series als The West Wing, over leven en politiek in het Witte Huis, maar ook popmuzikanten (denk aan Live 8) bereiken een publiek dat ver van het traditionele politieke bedrijf af staat. Van Zoonen ziet veel overeenkomsten tussen fans van popsterren, programma's als Big Brother en aanhangers van politieke leiders of partijen. In beide gevallen gaat het om ‘emotionele investeringen’: de fans verzamelen informatie, praten en debatteren over de objecten van hun affectie. Op deze manier onderhouden ze hun betrokkenheid.

Personalisering en dramatisering van de politiek, concludeert Van Zoonen, maakt het plezierig om je met de publieke zaak bezig te houden. Keerzijde van deze ontwikkeling is dat de politiek leider zich – tot op zekere hoogte – de levensstijl van de Bekende Nederlander moet aanmeten. In de televisiedemocratie telt niet alleen de boodschap, maar ook de publieke persoonlijkheid van de boodschapper. Overigens dragen Brants en Van Praag overdadig bewijsmateriaal aan voor hun bevinding dat in het stemhokje de inhoudelijke voorkeuren van de kiezer uiteindelijk zwaarder wegen dan het kontje van de lijsttrekker.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden