Kokende vrijbuiters die de moffen op hun bek wilden slaan

Verzetshelden waren avonturiers die de juiste morele keuze maakten. Het NIOD wil meer over hen weten. Door Peter Giesen..

Peter Giesen

De held moet terugkeren in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Historici moeten meer aandacht hebben voor verzetshelden, de mensen die tijdens de bezetting een ‘extreme keuze voor het goede’ hebben gemaakt.

Dat zei prof. dr. Marjan Schwegman, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), vorige week bij de Marinus van der Lubbelezing in Utrecht (zie voor de tekst www.niod.nl). De afgelopen decennia hebben historici het beeld van de oorlog steeds meer genuanceerd. Het zwartwitverhaal over goed en fout in de oorlog kreeg steeds meer kleurschakeringen. Hans Blom, Schwegmans voorganger bij het NIOD, sprak over ‘accommodatie’: de meeste Nederlanders waren collaborateur noch verzetsstrijder. Zij probeerden er het beste van te maken onder moeilijke omstandigheden. Dat was ook de strekking van Chris van der Heijdens bestseller Grijs Verleden.

Maar, zegt Schwegman, alle begrip voor de ploeterende burger neemt niet weg dat er destijds wel degelijk een morele en politieke keuze aan de orde was. En dat sommigen radicaal voor het goede kozen, met alle risico’s van dien. ‘Het is een enorme winst dat het beeld van de oorlog veel complexer is geworden, mede door het werk van mensen als Blom. Maar in dat rijk geschakeerde beeld raken de helden die wél in verzet kwamen op de achtergrond. Dat is vreemd.’

Meteen na de Tweede Wereldoorlog ontstond al een zekere verlegenheid met de verzetshelden. Ze werden soms gezien als avonturiers, bijna on-Nederlandse pistoolhelden die het met de huwelijksmoraal niet zo nauw namen. ‘Nederland in fatsoen hersteld, dat was de leuze na de oorlog. Men was enorm bang voor zedenverwildering’, zegt Schwegman.

Veel verzetshelden pasten niet in het ideaal van een gedisciplineerde samenleving. In haar Van der Lubbelezing noemde Schwegman twee voorbeelden: de Amsterdamse beeldhouwer Gerrit van der Veen en ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema.

Van der Veen was een charismatische figuur, die een vaste baan als werktuigbouwkundige opgaf om beeldhouwer te worden. Hij gebruikte wel eens drugs en had naast zijn vrouw talloze vriendinnen. Uiteindelijk werd hij opgepakt en gefusilleerd na een mislukte overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam, eind april 1944. Zijn verzetskameraden hadden hem de overval nog ontraden. ‘Maar hij wilde de boel tarten, net als coureurs dat doen. Hij wilde voorbij het mogelijke gaan, voorbij de grens’, zei een van zijn vriendinnen, Guusje Rübsaam, later.

Ook Erik Hazelhoff Roelfzema, door Rutger Hauer vereeuwigd in de film Soldaat van Oranje, was een vrijbuiter. Al voor de oorlog was hij gaucho in Zuid-Amerika en liftte hij van New York naar San Francisco. Daarbij gebruikte hij ook het beproefde vervoermiddel van de Amerikaanse hobo's, de vrachttrein. Hij beschreef die reis later in Het leven van de Soldaat van Oranje: ‘In mij laaide en kookte het – de nieuwheid, de snelheid, het gevaar, alles gistte en warrelde en maakte mij dronken van mateloze levenslust.’

De oorlog gaf Roelfzema de kans om die mateloze levenslust in een bijzonder kader uit te leven, meent Schwegman. Door de oorlog kregen mensen die zich niet thuis voelden in een geregeld leven, onvermoede kansen. Buitenstaanders werden leiders, hun mateloze begeerte en energie, die in vredestijd problematisch konden zijn, kregen nu een duidelijke richting.

Na de Duitse inval meldde Hazelhoff Roelfzema zich in Londen, omdat hij ‘de moffen op hun bek wilde slaan’. Hij werd een oorlogsheld, maar kwam ook vaak in aanvaring met de autoritaire legerleiding. Zo deed zich de unieke situatie voor dat hij tegelijkertijd wegens ongehoorzaamheid voor de krijgsraad werd gedaagd en de Willemsorde, een hoge militaire onderscheiding, ontving.

Veel verzetshelden waren vrijbuiters en onconventionele geesten. Hun levens zijn interessant omdat zij enerzijds de juiste morele keuze maakten en anderzijds op het scherp van de snede leefden, vindt Schwegman. In veel naoorlogse literatuur is die spanning echter gladgestreken. In het bekendste boek over Gerrit van der Veen, geschreven door Albert Helman, wordt de verzetsheld van zijn scherpe kantjes ontdaan. Hij is zo nobel, dat hij bijna saai wordt.

‘Er is een te glad beeld van verzetshelden ontstaan, dat geen diepte heeft gekregen door nieuw onderzoek’, vindt Schwegman. ‘De geschiedschrijving heeft op zich op dit punt nauwelijks vernieuwd, anders dan bij andere aspecten van de bezettingstijd.’

Schwegman wil graag dat het NIOD een stimulerende rol speelt in de vernieuwing van het onderzoek naar verzetshelden. Van der Veen en Hazelhoff Roelfzema waren typische vrijbuiters. Andere verzetsstrijders waren gelieerd aan een hechte religieuze of politieke kring, zoals de gereformeerden of de communisten. Schwegman: ‘Ik ben benieuwd of een verzetsheld als Johannes Post binnen zijn eigen kring van gereformeerden ook een man was die meer dan anderen geneigd was om risico’s te nemen en het avontuur te zoeken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden