Knoest Ballap en Kip

Een voornaam, een achternaam – het is niet altijd voldoende. Met een beetje geluk, of pech, ga je het leven door met een bijnaam die altijd herinnert aan die ene gebeurtenis of karaktertrek....

De Kip is dood. De meeste kranten besteedden er deze week wel een berichtje aan. De Kip was namelijk in 1954 de maker van het eerste doelpunt in het Nederlandse betaalde voetbal. In het dagelijks leven heette de in Volendam geboren en getogen Kip Klaas Smit en daar heeft deze plaats er nog een paar meer van. Net als van de Veermannen, de Molenaars en de Tollen.

Naar goed oud Romeins gebruik worden ze onderscheiden door bijnamen. Elke vrije Romein had behalve een voornaam en een achternaam ook een cognomen; meer nog een roepnaam dan een bijnaam. De dichter Ovidius had als toevoeging Naso en De Neus heeft als bijnaam een mooi verleden. Cicero heette Cicero omdat een voorvader beschikte over een flinke wrat in zijn gezicht: ‘cicer’ is het Latijnse woord voor kikkererwt.

Op de zonnige studeerkamer van de Volendamse historicus Dick Brinkkemper komen ze allemaal samen: de Kippen en de Knoesten, de Ballappen en de Kakkes.

Daarmee worden al die takken van Tuijp, Tol, Veerman en andere telefoonpagina’s vullende achternamen van elkaar gescheiden. Omdat alle Volendammers vroeger ook nog eens met de meest Hollandse voornamen werden gezegend, moest ook daaraan een mouw worden gepast. Zo gaan oud-voetballers Kees Molenaar en Cees Tol de eeuwigheid in als Keje Molenaar en Pier Tol.

Met een ruimere keuze aan voornamen is de noodzaak van bijnamen ook minder groot. Maar dit dorp hecht aan tradities. Een kleinzoon van Brinkkemper staat te boek als Mark Skutter omdat in zijn Zwarthoed-tak een verre voorvader tweehonderd jaar geleden schutter was in het leger.

De bijnamen in Volendam zijn wel speelser geworden, om niet te zeggen vals. Een dorpeling die zijn in de lotto verdiende geld er door heen joeg, staat in het hele dorp te boek als Jan Kortrijk. Anders dan de namen die je bij je geboorte meekrijgt, kan een bijnaam ook veel vertellen over een bepaalde gebeurtenis of eigenschap. Dat is lang niet altijd vleiend, om niet te zeggen stigmatiserend. De dikke jongen die op het ponykamp Tom Poes werd genoemd, wist heel goed dat daarmee niet de slimme poes van Marten Toonder werd bedoeld. En als je eenmaal zo’n bijnaam hebt, kom je er ook niet meer vanaf.

Cultureel antropologe Marijke Naezer onderzocht het gebruik van bijnamen in jongerenculturen en constateerde dat deze niet alleen worden gebruikt om een uiterlijk kenmerk of een karaktereigenschap aan te duiden, maar ook bij afwijkend gedrag van de norm. Bij jongens is dat dan opvallend genoeg meestal positief. Een player is een versierder die daarmee respect bij zijn vrienden afdwingt. Maar bij meisje werkt het omgekeerd: een gewild meisje dat achter de jongens aanzit, krijgt al gauw het negatieve predikaat hoer of slet.

De Engelstaligen zijn het best in het verzinnen van spitsvondige namen. In Amerika is geen loopbaan compleet zonder bijnaam en dat geldt vooral de bokswereld. De één is nog mooier dan de ander: The Bayonne Bleeder, The Weeping Lithuanian, The Jewel of the Ghetto en The Brockton Blockbuster.

Oud-commentator Rinze van der Meer, die ze moeiteloos uit zijn mouw schudt, zegt dat de oogst in Nederland karig is. Rudi Lubbers? Niet dat hij zich kan herinneren. Arnold Vanderlyde? Evenmin. Regilio Tuur? ‘Turbo Tuur, meer kan ik er niet van maken.’ Bep van Klaveren moest naar Amerika gaan om The Dutch Windmill te worden.

Net als bij boksers is de bijnaam in het wielrennen vooral een eretitel. Slechts een enkeling, zoals Tony Rominger (‘Tony Epo’) werd in een kwaad daglicht gezet. Harm Ottenbros, de toevallige wereldkampioen van 1969, werd de Adelaar van Hoogerheide genoemd, een grappig bedoelde verwijzing naar de Adelaar van Toledo (Féderico Bahamontes).

De verzakelijking in het wielrennen heeft dit verbale steekspel geen goed gedaan. Er vliegen geen adelaars meer in het peloton. Volgens Van Eyle komt dat door de journalisten van tegenwoordig: te jong en te gehaast.

In de politiek ziet Gerrit Voerman van het politieke documentatiecentrum in Groningen juist een wildgroei ontstaan, vermoedelijk als gevolg van internet. Op Wikipedia leest hij zes bijnamen voor Wouter Bos (Wouter Boslim, Wouter Boss) en ze zijn allemaal nieuw voor hem.

Anders dan de bijnamen in een dorp die vooral uit gewoonte en om praktische redenen worden gebruikt, zijn bijnamen in de politiek zelden als blijnaam bedoeld.

Neem de bijnaam waarmee staatssecretaris Piet van Zeil afscheid moest nemen van de politiek. Vanwege financieel geritsel dankte partijgenoot Lubbers hem af als ‘kleine krabbelaar’. Pijnlijker is een bijnaam vermoedelijk niet geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.