Knippen en plakken

De collage werkt nog steeds het beste als affiche. Bush in een dollarbiljet, het portret van Blair geplakt in het Iraqi Most Wanted-kaartspel....

here there is activism there are graphics' laat de flaptekst weten 'W- de twee zijn aan elkaar gekoppeld als een siamese tweeling.

Althans, volgens de Amerikaanse Liz McQuiston, schrijfster van Graphic Agitation. Social and Political graphics in the Digital Age. De publicatie handelt over websites, posters, kaartjes, leaflets en andere grafische ontwerpen met een kritische boodschap, uit de periode 1990-2003.

Nu heeft McQuiston al meer boeken op haar naam staan van vergelijkbare strekking, zoals Women in Design: A Contemporary View, Suffragettes and She-Devils en Graphic Agitation: Socials and Political Graphics since the Sixties (1993), de voorloper van het nu gepubliceerde deel.

Reden om een vervolg te schrijven is de opkomst, volgens McQuiston, van een andersoortig mondiaal protest. Na 1990 werd de zekerheid van de oude stammenoorlog tussen Rusland en Amerika ingewisseld voor de onzekerheid van andere conflicten: in het Midden-Oosten, op de Balkan of de strijd tegen terrorisme. De afgelopen tien jaar ontstond ook een vernieuwd kritische houding tegenover multinationals, problemen rond vluchtelingen, hiv, racisme en armoede. Conflicten die een heel nieuw leger van proteststemmen aanleiding gaven zich te laten horen: antiglobalisten, 'groenen', milieuactivisten en andere linksradicalen. Een doit-yourself-generatie die bovendien een andere, meer digitale benadering had van het grafische vak.

Om dat aan te tonen, behandelt McQuiston de grafische agitatie thematisch, zeg maar per brandhaard, zoals de oorlog in voormalig Joegoslavide mediastrijd tussen Conservatives en New Labour in Engeland (met een grote rol voor reclametycoon Saatchi), de anti-bont-protesten en de strijd tegen McDonald's.

Anders dan je zou vermoeden blijkt McQuistons invalshoek, vooral als je het boek in vogelvlucht doorbladert, weinig overtuigend. De technische mogelijkheden zijn inderdaad groter en verfijnder dan ooit tevoren, maar het resultaat ervan is relatief oudbollig. Veel van wat tegenwoordig de wereld rondgaat, is een technologische variant van het oude knip-en-plakwerk, waarmee John Heartfield in de jaren dertig al bekend werd, toen hij de opkomst van het nazisme aan de kaak wilde stellen en ontmaskeren. Schaar en lijmpot zijn tegenwoordig vervangen door geavanceerde manipulaties, toch heeft het weinig betekend voor het idee, dat de beste opzet altijd nog de collage is. De combinatie van verschillende beelden en teksten schijnt nog steeds het meest suggestief en effectief te werken: het hoofd van Margaret Thatcher gemonteerd in het generaalsuniform van Pinochet; de portretten van Bush, Blair en Rumsfeld geplakt in het tweeijftigdelige Iraqi Most Wantedkaartspel waarmee de kopstukken van het Irakse regime moesten worden opgespoord.

Wat ook opvalt, is de onuitroeibaarheid van bepaalde beeldconventies binnen de gebruikte iconografie. De onderwerpen, situaties en de poppetjes mogen dan zijn veranderd, niet het type afbeelding. Hero, geweld, armoede, gevaar, onrecht - de thema's worden nog immer uitgedragen door streng kijkende mannen, treurende vrouwen, ondervoede kinderen, bloedspatten, geweren, gemutileerde logo's, stripfiguren. Alles gevat in een grimmige ironie of een confronterende verontwaardiging.

Het aardige van het boek is dat het laat zien hoe makkelijk agitatie omslaat in propaganda. 'Anti' en 'pro' liggen dichter bij elkaar dan je op voorhand zou denken. Beelden tn McDonald's, tegen hiv, tegen homohaat of journalistieke beknotting zijn tegelijkertijd pamflettistische uitingen veen diervriendelijke wereld, seksuele gelijkheid en een vrije pers.

Het verschil tussen de beelden die de gevestigde orde en de oppositie gebruiken is daardoor niet altijd even duidelijk. Beide groeperingen schreeuwen om het hardst om aandacht. De choquerende beelden in de linkse anti-bontcampagnes zijn even bloederig als de foto's die de ultrarechtse anti-abortuslobby hanteert. De manier waarop sigarettengigant Marlboro zichzelf afficheert, via de romantiek van cowboys en uitgestrekte prairies, is vergelijkbaar met de sfeerbeelden van de oppositie.

Het elan van veel protestbeelden is regelrecht ontleend aan de logo's die door de multinationals zijn ontworpen: de gouden 'M' van McDonald's, de krulletters van Coca Cola, de Amerikaanse vlag of de wereldbol met lauwerkrans van de Verenigde Naties. Zulke merktekens doen het goed. En de aantrekkingskracht ervan wordt eenvoudig overgenomen en geconfisceerd om - in aangepaste vorm - de tegenaanval in te zetten en het tegendeel te bewijzen.

Inzicht in de manier waarop bepaalde reclame-uitingen door de tegenbeweging worden gebruikt, geeft het boek niet. Het is een gemiste kans om meer begrip te krijgen voor de oorsprong van het fenomeen 'grafische agitatie'. De vereenzelving van Liz McQuiston met haar onderwerp is ook wel erg groot. De Amerikaanse omschreef zichzelf eens als een 'old believer', die al jaren bezig is met de strijd tegen het kwade en voor het goede ('I will never give up'). En als linkse moraalridder past het natuurlijk niet toe te geven dat het verzet tegen het establishment op de schouders staat van datzelfde establishment.

Technologische vernieuwing in het grafisch ontwerpen heeft dus niet zozeer geleid tot een beduidende beeldinnovatie. Wat wveranderde, is het gebruik en de distributie van de (protest)beelden. De groei van internet, e-mail en mobiele telefonie heeft het mogelijk gemaakt dat ieder individu, vanuit zijn huiskamer, de hele wereld kan bestoken met zijn verontwaardiging. Zonder daarbij, zoals voorheen, afhankelijk te zijn van dure drukpersen, uitgeverijen, kranten, reclameboodschappen of andere vormen van bestaande media. Die vrijheid en ongebondenheid heeft aan het begrip 'agitatie' een andere dimensie gegeven. Terecht concludeerde McQuiston al tien jaar geleden, dat 'we langzaamaan een nieuw tijdperk van individuele politiek zijn binnengewandeld'.

Kern van deel twee is hoe de tegenstanders van law and order de media weten te halen. Daarbij spelen de nieuwe technologische middelen een belangrijke rol als het gaat om de snelheid en manier waarop met elkaar wordt gecommuniceerd. Aardig voorbeeld is de 'McLibel'-rechtszaak (1994-1997), die McDonald's aanspande tegen twee Britse activisten, David Morris en Helen Steel, vanwege hun pamflet What's Wrong with McDonald's?. Het Britse duo kreeg media-aandacht, niet op grond van grafische vormgeving, maar door de McSpotlight-website, die een ongenaarde hoeveelheid informatie verzamelde en openbaar maakte over de wandaden van de hamburgketen.

Zo log als de pr-afdelingen van de grote bedrijven werken, zo effectief zijn de netwerken van hun tegenstanders. De tegenbeweging begint steeds meer te lijken op een vorm van mondiale piraterij: hun acties zijn snel, spontaan, kleinschalig en goed georganiseerd, maar van wereldwijde impact. Waarbij het natuurlijk wonderlijk blijft dat zoveel anti-globalisten gebruik maken van technologische innovaties die door multinationals zijn bedacht, bekostigd, uitgevoerd en gedistribueerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden