KNEUZEN EN KAMPIOENEN

BIJ BOKSTEAM 'De Cuyp' KOMEN AL JAREN jongens 'die niks hebben'. Via de sport proberen ze zelfrespect op te doen....

Amsterdam. Albert Cuypstraat 241. De wieg der kampioenen staat op een bord boven de deur. Overdag zit de deur dicht, maar 's avonds is hij vaak open en op zo'n avond ben ik naar binnen gegaan. Ik schrok even van een reusachtige neger die me in bokshouding stond op te wachten, tot ik zag dat het maar een pop was. Hij bewaakte een kantine met lege tafels, volle prijzenkasten en een bar waar een jongen me in gebroken Nederlands vertelde dat Ruud aan het trainen was.

Ruud was blijkbaar de man die je hebben moest als je hier voor het eerst kwam. Via een gang die vol hing met foto's van boksers en wedstrijdaffiches kwam ik in een zaaltje waar een dozijn jongens en mannen met hun vuisten tegen stootzakken sloegen. Hun lichamen glommen van het zweet. Ik hoorde de doffe slagen van leer op leer, het ontsnappen van adem met heftige stoten, het piepen van boksschoenen op de groene vloer, het harde ratelen van een wekker die om de drie minuten afging en housemuziek uit een gettoblaster.

Een man in een trainingspak voegde daar zijn stem aan toe: 'Draai en om die zak, bewegen, op je tenen gaan, bewegen, dansen, dubbel links en instappen, hè, stap in met die dubbel links.'

Dat was Ruud.

Toen hij me in de deur van het lokaal zag staan, kwam hij meteen kennismaken en bij ons praatje legde hij even een vertrouwelijke hand op mijn arm, waardoor ik me onmiddellijk welkom voelde.

Een paar weken later, nadat ik vaak bij de training had rondgehangen, nam hij me mee naar een wedstrijdavond buiten de stad. Een van zijn jongens moest daar de ring in, Murat. In de kleedkamer stond hij te huilen van angst. Ruud, voor de gelegenheid in een wit pak gestoken, pakte zijn arm en sprak hem moed in. Daarna zat Ruud aan de ring in de hoek van Murat en verzorgde hem na elke ronde met een liefde en een zorgzaamheid die je in het gewone leven zelden tegenkomt. Om Murat daarna weer het gevecht in te sturen, dat wel natuurlijk. Murat won en je zag dat hij nooit meer dezelfde zou zijn, hij was een man die zich bewezen had.

Op een dag vroeg ik Ruud naar het bord boven de deur. Daar staan de koppen op van zeven boksers, rond een jongen in een wieg. De koppen zijn verbleekt, ze staan daar al zo lang, wie kent hun namen nog? Vanaf een caféterras aan de overkant vertelde Ruud, begeleid door het schreeuwen van een marktkoopman en een straatmuzikant die eentonig aan zijn bas plukte, over de kampioenen en hun wieg.

'Links onder', zegt hij, 'staat Saïd Kwayasse, een Marokkaanse jongen die een aantal keren kampioen van Nederland is geweest. Ik was een keer met Saïd in Indonesië we zijn zes keer met de jongens in Indonesië geweest en de stadions zaten vol en in de eerste ronde stond hij achter en in de tweede ronde stond hij gelijk. Ik stap die ring in en als ik de ring in stap, is er wat aan de hand, dan geef ik hem bij wijze van spreken een klap: "Vuile klootzak moet je mij voor lul zetten hier, met twintigduizend mensen om de ring, jij, Saïd?" Hij slaat zo die gozer plat, komt hij terug: "Hoe bedoel je?"

'Vanaf de jaren zeventig heb ik met Marokkanen te maken en in 1975 riep ik al: "Het gaat fout met de Marokkanen." Je hebt een periode gehad van veel zelfmoorden onder de Marokkanen. Broertjes, zusjes. Hele tijd gehad. Nu hoor je het niet meer zo vaak en nu roep ik dat het goed gaat, maar niemand wil het horen. Er zijn zoveel mensen die hard studeren, hard bezig zijn. Een van de Marokkanen hier vertelde: "Onze hele klas is geslaagd, alleen de twee blanken niet." Nu komen Marokkaanse vaders bij me binnen, dat zag je vroeger niet. Een hoop jongens die hier hebben gebokst, komen terug met hun kinderen. Ze vertellen me soms dat ze vroeger, om die 15 gulden contributie per maand te betalen, vaak geld pikten uit anderen d'r zakken.'

Pas kwam er na jaren weer eens een binnen. Een grote, vrolijke kerel, Jamal El Baghdadi. Ruud legde even een hand op zijn arm en ze hadden meteen lol over 'die keer in Aalsmeer dat ik al die messen bij jullie uit de zakken haalde'.

Jamal: 'Precies ja. Gediskwalificeerd.'

Ruud: 'Mochten ze niet meer komen. Zootje van dat gajes. Pak ik zo een mes uit zijn zak.'

Jamal: 'In de kleedkamer was dat.'

Ruud: 'Allemaal de messen inleveren. En de andere steekwapens.'

Jamal: 'Is gebeurd, zeker.'

Ruud: 'Twintig messen haalden we op. Waar of niet?'

Jamal: 'Klopt helemaal.'

Ruud: 'Heb je weer een mes bij je?'

Jamal: 'Nee, nee, nee.'

Ruud (tegen mij): 'Nou hebben ze pistolen.'

Jamal: 'Ongewapend ben ik. Laatst zag ik een paar foto's van ons en ik heb ook nog bekers thuis, van wedstrijden hier gebokst.'

Ruud: 'O, die legendarische wedstrijd. Had ik oude bekers thuis staan, allemaal verroest, en ik denk: we moeten van die bekers af.

We hadden een stuk of veertig van die straatjongens hier en we hielden zogenaamde kampioenschappen. De lelijkste beker was de hoofdprijs.'

Jamal (tegen mij): 'Ik ken Ruud al sinds mijn jeugd. Het is een hele aardige man. Vanaf mijn 14de heb ik hier getraind. Bijna zes jaar aan één stuk door. Met die messen, dat was een ongevalletje. Wij waren jong en we hadden allemaal zakmessen op zak, maar zonder bedoelingen, gewoon om een beetje stoer voor mekaar te doen. Een keertje waren we opgepakt door de politie in Amstelveen met een groepje van acht jongens en dat ging om fietsendiefstal. Iemand van ons werd opgepakt en die heeft ons er allemaal bijgelapt en op een gegeven moment zaten we met zijn allen op het politiebureau en toen kwam het erop neer: waarom doen jullie dat en aan wie verkopen jullie die fietsen en wat doen jullie met het geld? Toen bleek dat vijf van de acht jongens hadden gezegd: ik het geld nodig om bokslessen te betalen.

'De politie is hier geweest en zijn we allemaal weggestuurd, had Ruud geen zin meer in ons. Ik ben na drie jaar teruggekomen en toen was hij er nog een beetje bozerig over, weet je, en toen ben ik weer twee jaar later teruggekomen en mocht ik weer trainen. De Albert Cuyp is toch iets wat bij me hoort. We waren lichtgewichten, 12-jarige kneusjes en dan gingen we met zijn achten wedstrijden spelen en dan zei hij: als jullie alle acht winnen gaan we naar McDo nald's en wij gingen helemaal voor McDonald's in de ring. Ik heb een gouden tijd gehad hiero. Ik was een stoute jongen, maar nu niet meer.

(Tegen Ruud): 'Weet je met wie ik nu toevallig een bedrijf heb, een schildersbedrijfje? Met Mo ham med Ali.'

Ruud (tegen mij): 'De Cuyp is voor zulk soort gevallen. Mensen die het moeilijk hebben, de jongens die niks hebben. Die moeten zelfres pect opdoen. Je bent van de Cuyp, dan word je familie en hoor je erbij. Het heet ook niet boksschool Albert Cuyp, maar boksteam Al bert Cuyp. Daar is het voor en daar moet je een gek voor hebben en dat ben ik dan, die gek.'

'Rocky Elfalla is de volgende', legt Ruud het bord verder uit. 'Ooit kampioen lichtgewicht, ook een Marokkaanse jongen.' Rocky geeft nu bokstrainingen in De Pijp.

Zelf heeft Ruud van der Linden (Den Haag, 1943) boksen geleerd in een sportschool naast paleis Noordeinde. De toenmalige vice-voorzitter van de Nederlandse Boksbond, Hans Teengs Gerritsen, vriend van Prins Bernhard, trainde daar ook. Teengs Gerritsen zag in Ruud een geboren trainer. Wat Ruud toen in elk geval al had, was oog voor talent. Met zijn sportvrienden hing hij vaak op het Scheveningse strand en op een dag zat precies op hun vaste plek een net in Neder land gearriveerd groepje Antillianen. Dat werd dus knokken en daar na moest de beste bruine knokker achterop de scooter van Ruud mee: 'Een neger op de club, dat was wat! We hadden opeens een winnaar, Anthonie Richardson.'

Ruud werkte toen op een drukkerij, in zijn vrije tijd was hij paparazzo. Hij zat vaak achter Beatrix aan als die in Den Haag was en het fotografenpraktijkje ging zo goed dat hij op den duur niet meer naar de drukkerij ging en Beatrix kon volgen tot op haar wintersportvakanties, waar ze hem nog eens een mep met een skistok heeft gegeven. Zijn foto's verkocht hij aan de Haagsche Courant, Het Vaderland, Het Vrije Volk en ook aan De Telegraaf, waar hij in 1966 in vaste dienst kwam. Thomas Lepeltak, nu de schrijver van Stan Huygens Journaal, was chef van de fotoredactie. Hij zei: 'Die jongen werkt hard, die moeten we hebben.'

In 1968 fotografeerde hij voor zijn krant de Olympische Spelen in Mexico. Daar bekroop Ruud, die intussen zijn trainersdiploma had, het verlangen om eens met iemand als Anthonie Richardson de Spe len in te gaan. Datzelfde jaar fotografeerde hij judokampioenschappen in het gebouw aan de Albert Cuyp. Daar was en is de Vereniging ter bescherming van het schoolkind gevestigd. Het schoolkind werd daar vermaakt met filmvoorstellingen, kon op judo en trommelen in de drumband van Tante Corrie. Gebokst werd er niet; Ruud greep zijn kans. Sindsdien leert hij daar vier avonden per week, nadat zijn dagtaak als fotograaf erop zit, dat je een slagenwisseling opent met een linkse directe en dan meteen een rechtse erachteraan. Hij doceert er, zoals hij graag mag zeggen, combinaties uit het boekje: 'Links, rechts, lever, kaak!'

Van 1976 tot 1992 organiseerde hij wedstrijden. Eerst in een gebouw aan de Keizersgracht, later in het Zonnehuis in Noord. Na afloop werd er gegeten in de Cuyp. 'Onze traditie was altijd een bokswedstrijd en dan eten met je tegenstander. Ik bestelde voor 1000 gulden eten bij een Surinamer die zijn winkel achter de school had. Kwamen de plateaus zo over de schutting heen. Legendarische avonden. Iedereen moest erbij zijn, ouders, ooms, tantes en ook vaak bekende Nederlanders als Mies Bouwman. Honderd mensen hadden we soms. Dus op een gegeven moment moesten we er paal en perk aan stellen en zeiden we: je mag alleen je meisje meenemen. Kwam Saïd Kwa yas se met een jongen: ''Dat is mijn vriend".'

'Dan krijgen we Gilbert Hallie, een jongen hier uit de buurt. Zijn opa was Surinaams en zijn vader is ook bokser geweest en heeft hier meegeholpen met trainen, Kees Hallie. Want ik heb het natuurlijk allemaal niet alleen gedaan. Dat waren ook Klaas Pranger, Coen Dee gen, Rein Ravestein, en Ome Rooi niet te vergeten. Een hele dikke neger die om de hoek van de boksschool woonde en chocolaatjes verkocht op de Wallen en overal in de stad, Ome Rooi. Die was ook bij de Cuyp betrokken op zijn manier, die hield die jongens ook bij mekaar.'

Op een avond na de training raakte ik aan de praat met Coen Deegen, een marktkoopman die bokser is geweest. Het gesprek kwam op de gevaren van het boksen. Niet die waar leken het weleens over hebben en waar Ruud dan op zegt dat 'boksen in Nederland twaalfde is op de lijst van gevaarlijke sporten'. Voetbal staat nummer één op die lijst en ook dameshockey is, als je de gespeelde uren deelt door het aantal blessures, riskanter. Boksen is op een andere manier link.

Coen: 'Het is heel moeilijk, hoor, om met je twee benen op de grond te blijven staan in dit wereldje. Zeker als je tegen die Europese top aan zit. Want er lopen mensen om je heen, dan moet je heel sterk in je schoenen staan om daar niet in mee te gaan. Er zijn vlug jongens die bodyguardje gaan spelen, dan toch die kant op gaan en in verkeerde handen vallen. Maar bij ons vandaan zijn er heel weinig in het criminele circuit terechtgekomen.'

Ruud: 'Ik heb veel mensen bij de klm ondergebracht. Kwamen ze van school af, hadden ze machinebankwerken gehaald of timmeren, en dan gaf ik fotokopieën van die diploma's met een sollicitatiebrief aan Orlandini of Jan de Zoet, de presidenten van de klm die ik kende door mijn werk bij De Telegraaf, dat waren vriendjes van me. En die deden dat dan met een kattebelletje erbij naar personeelszaken en dan werden die jongens aangenomen; een boel jongens werken nu nog bij de klm. Onze jongens zijn meestal netjes terechtgekomen. Daar ben ik trotser op dan op de bekers en de medailles die we hebben gehaald. Ik heb weinig bodyguards hier gezien.'

Boksers kunnen ook goed geld verdienen als portiers van disco's en nachtclubs, wat in die wereld bekend staat als 'aan de deur werken'.

Coen: 'Alleen Hallie staat weer aan een deur te werken.'

Ruud: 'Jammer van die jongen. Maar dat is eigenlijk de enige.'

Pedro van Raamsdonk, de blanke jongen op het bord boven de deur, heeft van alle Albert Cuyp-boksers de grootste naam gemaakt.

'Die Marokkaanse jongens konden helemaal niet in de publiciteit komen. Dat begint nu een beetje te komen, maar daar was toen geen denken aan. Pedro was ook de beste. Pedro werd altijd kampioen, hij heeft maar een paar wedstrijden verloren. Hij had zijn eigen column in de krant. Hij heeft er meer dan tweehonderd geschreven. Voor al in het Nieuws van de Dag, maar bij grote wedstrijden had hij een column in De Telegraaf. Eerst schreef mijn vrouw Els, die ook op de krant werkte, zijn columns. Toen we gingen scheiden, is hij ze zelf gaan schrijven. Pedro zat ook als televisiecommentator bij bokswedstrijden en hij was een geziene gast op party's. Hij liep er ook altijd mooi bij, Frans Molenaar kleedde hem aan; stond Frans Molenaar ook weer in de krant. Freddy Heineken heeft een paar keer een flat voor hem gehuurd in Amerika. In Los Angeles heeft Pedro de Dia mond Belt een paar keer gewonnen, hij is een paar keer kampioen van Californië geweest en hij is derde geweest van de nationale Gol den Gloves, dat heeft nog nooit iemand bereikt.

'De wieg der kampioenen komt van The cradle of the champions. Dat was een boksschool in Watts, de negerwijk van Los Angeles. Daar trainde Pedro. Ik ging met Henk van der Meyden vaak naar Amerika en dan zocht ik daar boksscholen op en zo kwam ik in The cradle of the champions.

'In 1974 heb ik met de jongens een reis door Amerika gemaakt, zijn we daar ook eens geweest. Drie weken door Amerika, gesponsord door Turmac, door meneer Orlov dus. Die zat in de jetset met gigantische feesten en door mijn werk kwam ik die mensen tegen en ik had hem aangeschoten. Hij gaf ons hotel en vervoer in Amerika en wilde geeneens reclame hebben, niks, niemand mocht het weten. Heeft hij persoonlijk geregeld.

'Die reis door Amerika is de uniekste reis van mijn leven geweest. Er ging een verslaggever mee en een paar keer in de week hadden we een pagina in de krant over wat die jongens allemaal meemaakten. Bart Middelburg van Het Parool zat erbij, die was a-klasse bokser en daar kreeg hij de kick om journalist te worden. Daarna hebben we nog veel reizen gemaakt. Zes keer naar Indonesië, heel Europa door, een paar keer naar Rusland, drie weken naar Suriname. Kijk, ik ging vaak met Ajax mee en ik zag die mensen allemaal reizen en zo wilde ik mijn jongens ook in de krant hebben. Die trainen toch tien keer harder dan die malle voetballers met die dikke buiken?

'Maar ik had natuurlijk geen geld. Ik ritselde tickets bij de klm, bij Mar tinair en bij Mike Koster die een charterkantoortje had op Schip hol. Dan ging Pedro of Hallie naar hem toe en moesten ze op dat bureau wachten of bij de balie gaan staan en als er dan een stoel vrij was mochten ze mee. De reisclub werden we genoemd.'

Toen de bokscarrière van Pedro van Raamsdonk voorbij was, solliciteerde hij naar een baan bij de Amsterdamse brandweer. Helaas, allochtonen gingen voor. Ruud sprak er een minister over aan en Pedro kwam bij de brandweer.

'Naast Pedro staat Romeo Kensmill, een Surinaamse jongen. Die heb ik ook heel veel gepusht en naar Amerika gestuurd om daar te trainen en kampioen te worden. Hij was de jongste Diamond Beltwinnaar in Los Angeles, 16 jaar.

'Ze zeggen: als je bij Ruud een neger bent, dan schuift hij je naar voren. Ja, een neger bokst natuurlijk makkelijker dan een blanke, maar ik heb nooit naar kleur gekeken. Ik heb altijd getracht met elkaar op te trekken en geen bokskampioenschappen tijdens de rama dan te houden. Als de vastenmaand voorbij is en het is toevallig op een trainingsavond, dan komen al die islamietjes met koekjes en houden we suikerfeest.

'We vieren ook met zijn allen kerst, met een versierde boom. Als 4 mei valt op een trainingsavond zet ik alle jongens met bokshandschoenen aan op straat voor de deur en dan geef ik eerst uitleg over democratie en vrijheid en dat er veertigduizend joden uit de stad zijn gesleept, over dood en verderf in concentratiekampen en dat dat hier ook kan gebeuren als je een verkeerde regering hebt. Dan zijn jullie aan de beurt en daarom herdenken we in Nederland. Twee avonden voordat er raadsverkiezingen zijn, roep ik iedereen op om tegen zijn ouders te zeggen: ga stemmen, want als de Centrumpartij gaat regeren in deze stad komen ze jullie ophalen en dan kan je net zo als de joden worden afgevoerd.'

Ruud wilde nooit opgeven hoeveel buitenlanders in zijn team zaten, ook al was dat beter voor de subsidie. 'Als ze willen weten hoeveel buitenlanders er lid zijn is de volgende vraag: hoeveel krullenbollen zijn er lid? En daarna moet je adressen geven. Waar doet je dat aan denken? Ik doe daar dus niet aan mee.'

Ruud komt op zijn eigen manier op voor minderheden, etnisch of niet. Kerwin Duinmeijer, die in 1983 vermoord werd en nog jaarlijks herdacht wordt als slachtoffer van racisme, bokste op de Albert Cuyp. Geen enkele krant schonk veel aandacht aan de moord.

'Er stond', herinnert Ruud zich, 'een berichtje in de krant. Jongen vermoord. De barman van het Apollohotel belde me. Zijn meisje was anesthesist en die heeft gewaarschuwd dat er meer aan de hand was. Ik ging naar de krant en een verslaggever zei: ah, wat doet zo'n neger ook zo laat op straat. Toen zijn andere kranten erachteraan gegaan en gingen allerlei politieke organisaties zich ermee bemoeien en werd er een stille tocht gehouden. De hele Bijlmer had daar moeten staan, maar al die negers kwamen niet protesteren. Er waren vijfduizend mensen, allemaal blanken.'

Dit jaar was er, net toen de kranten vol stonden over vervelende Marokkanen, weer zo'n geval. Yunas Gudetta, een jongen uit Eritrea, werd in Alkmaar door drie Nederlandse jongens in het Noord-Hol lands kanaal geduwd en verdronk. Gudetta woonde in Diemen, waar hij de buurman was van een Antilliaan die op de Albert Cuyp had gebokst, Yissar Jacobus, twee keer Nederlands kampioen lichtwelter. Hij belde Ruud: 'Nu hebben drie Nederlanders wat gedaan en wordt er niks over geschreven. Hadden drie negers het eens moeten doen, drie Marokkanen of drie Turken. De kranten zouden weer vol hebben gestaan over zinloos geweld.' De dood van Gudetta kwam dankzij Ruud groot in De Telegraaf.

Yissar kwam naar de Albert Cuyp op een avond dat ik er ook was. Volgens Ruud was hij in zijn jonge jaren 'een banjer', maar nu zit hij gewoon in de gevangenis tot zijn werktijd erop zit, want zijn beroep is gevangenbewaarder.

Yissar: 'Ik heb veel aan Ruud gehad. Hij is als een vader voor me. Ja, mijn eigen vader ken ik wel, maar die was niet bij mijn opvoeding. Ruud zat altijd tegen me aan te praten wat goed is en wat je moet doen, maar het wordt je niet opgedrongen. Natuurlijk heeft Ruud ook momenten dat hij uit zijn vel springt, maar dat is voornamelijk in de boksring: nou, doe je best! In het algemeen praat hij over hoe het anders zou kunnen en dat je moet zorgen dat je je zaakjes op orde hebt. Er zijn heel veel jongens die van hieruit hun zaakjes nu goed in orde hebben, die werken allemaal netjes, raken niet in de problemen. Ik denk dat Ruud een positieve invloed heeft gehad op iedere jongen die hier intensief heeft getraind.'

'Naast Van Raamsdonk heb je Regi Saro, een Surinaamse jongen die tien jaar als trainer bij ons is gebleven.'

Saro hoorde bij het team waarmee de Albert Cuyp zijn finest hour beleefde.

'Tweeduizend mensen in het Concertgebouw, prins Bernhard als eregast op de eerste rij. We hadden een stoommachine tegen die deur aan en een speaker, een echte, ingehuurd van Veronica, en zo'n spot de zaal in. 5 november 1985. Dat was tegelijkertijd de doodsteek van de Cuyp. Zaten al die promotors in de zaal, gingen natuurlijk al die jongens achterna zitten met contracten, ze werden allemaal rijk, weet je. Er werden er vier prof en vier stopten met boksen, want die zagen hun vriendjes niet meer.

'Alles heb ik gedaan en iedereen hielp me, vliegmaatschappijen gaven tickets om tegenstanders over te laten komen, ik had auto's voor die jongens, alles is me gelukt, behalve dat ze ook wat verdienden, een basis hadden. Eer hadden ze ook, alle kranten van Neder land schreven erover, behalve die van jou dan.'

De Volkskrant negeerde, we erkennen het deemoedig, op last van de intussen gepensioneerde sportchef Ben de Graaf het boksen omdat hij het geen sport vond. De Nederlandse televisie doet ook al lang niets meer aan boksen. Er valt ook niet veel meer over te berichten.

Ruud: 'De bokssport is onder druk van de pers, het parlement, de Nederlandse Sportfederatie en het Nederlands Olympisch Comit hu maner geworden. Maar onderhand is het tikkertje spelen, er komt niet niemand meer kijken, en om de hoek van de straat gaan ze hoetsiefoetsie doen, geef het beestje maar een naam en je schopt of slaat mekaar half dood, free fight, noem het maar wat, dopingcontrole is er niet, en de stadions zitten vol.

'Er komt een Afghaan hier: mijn zoon van 12 is Nederlands kampioen kickboksen. Het is een schande dat een kind van 12 kampioen kickboksen is en ik zeg: ben je niet goed bij je hoofd? Die man ging me doodschieten, hij ging zijn pistool halen. Ik zeg: doe je het voor tienen of voor negenen? Om de hoek gebeurt nu alles wat God verboden heeft en dat gaat volledig aan de journalistiek voorbij, want het valt niet onder sport.'

De stad hangt zo nu en dan vol met kleurige affiches voor kickboksgala's. De jeugd, vooral die van allochtone komaf, doet er graag aan mee en de zalen zitten vol.

'En dan hebben we Ramon Voorn', zegt Ruud over de laatste kop op het bord boven de deur. 'Dat was natuurlijk een gouden team. Daar heeft die man dat schilderij van gemaakt, de wieg der kampioenen.'

Ruud bestelde het bord bij Toon van Mourik, die vroeger ook bokser was geweest en later een caf had op de Zeedijk en een sportschool waar Ruud aan bodybuilding deed.

'Toon kon goed schilderen en toen ik die kampioenen had ben ik naar Toon gegaan: kun je niet een bord maken? Hij heeft dat geschilderd in 1982. In de wieg zit Ronald Coens, dat was de laatste kampioen, die mocht zich helemaal niet meten met die groten, die kwam er eigenlijk achteraan.'

De wieg der kampioenen. De letters zijn verbleekt en ook die koppen kijken je niet meer zo stralend aan. Ze herinneren aan een gouden tijd die voorgoed voorbij is. Ruud: 'Ik heb drie keer Europese kampioenschappen gedraaid, één keer wereldkampioenschappen en in 1984 de Olym pische Spelen. Ik bracht medailles mee naar huis. En toen was het met de Olympische Spelen gedaan en was het over.'

De toewijzing van plaatsen op de Olympische Spelen is veranderd. Per continent zijn de besten welkom en Europa wordt gedomineerd door Russen en andere Oost-Europeanen.

Ruud: 'Ik ben nu 58 en ik roep: jonge mensen moeten het doen. Het hoort toch niet dat ik met een spons bij een bokswedstrijd sta met mijn witte pakkie aan. Dat is toch uit de tijd? Daar moet toch een jonge jongen staan?

'Ik riep in 1969 op een trainersbijeenkomst: alle trainers van boven de 55 moeten achter de jongens vandaan. En ik roep het nog. Jonge mensen moeten het overnemen en ik probeer altijd jonge jongens te laten trainen.

Als ik 60 ben, heb ik mezelf beloofd, ga ik eruit. Wil je de sleutels hebben? Hier zijn de sleutels. Niemand wil ze.'

Ruud heeft een opvolger in de kweek, maar die man snapt het nog niet helemaal. Die wil, om maar eens wat te noemen, vergaderen met agendapunten! En als de Marokkaantjes hem op de training te brutaal worden stuurt hij hen naar buiten.

'Natuurlijk is het tuig', zegt Ruud, 'en het is juist de bedoeling dat ze niet buiten zijn, maar dat we ze binnen hebben. Dat is het idee van de Albert Cuyp, dat is een club voor moeilijke jongens.'

Ook als ze niet boksen. Achter de bar van de boksschool staat een Koerdische jongen die uit Iran is gevlucht, het manusje-van-alles in de boksschool is Samier, een Al gerijn, en een van de trainers is Matin, een Af ghaanse asielzoeker die in de Russische tijd coach was van het nationale Afghaanse boksteam.

Hij kwam de Cuyp binnen, zoals Ruud ooit The cradle of the champions inliep en hij hoorde er meteen bij, al heeft ook hij het soms moeilijk met de Marokkaantjes. Met zulke mensen omringt Ruud zich. Hij legt een hand op hun arm als hij met hen praat en zo brengt hij een warmte over waaraan niets is geveinsd, want Ruud is van nature een gezellige man die je na een paar weken al bij zich thuis vraagt, op een van de feestjes die hij in zijn flat in de Bijlmer organiseert voor zijn medewerkers. Ik zag daar Samier lopen in een kelnersjasje, terwijl hij zijn ogen bijna niet droog kon houden, zo aangedaan was hij dat hij weer ergens bij hoorde.

'Pleur die neger in elkaar', zegt Ruud soms bij het sparren tegen een Marokkaan. Welke andere blanke kan zich zulke woorden veroorloven?

'Het is je familie', zeg ik.

'Ja', zegt hij, 'dat kun je wel zeggen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden