Knekelhuis in de kerkhofmuur

In mei 1940 vielen Hitlers troepen Frankrijk binnen. De Duitse schrijver Ernst Jünger nam met een infanteriecompagnie deel aan de Blitzkrieg....

Het charmante vestingstadje Joigny ligt op een heuvel aan de Yonne.

Het heeft nog één oude stadspoort, la Porte du Bois, het heeft steile, smalle straatjes die naar de resten van een renaissancekasteel voeren en het heeft pijnlijke herinneringen aan WO II.

Op weg naar Dixmont - via Bussy-en-Othe, de D47 en de D140 en het bos van l'Abbesse - vond Ernst Jünger tussen 7 en 9 juli 1940 onderdak in het gehucht La Tuilerie, 'in een uitgewoond huisje, Clos des Roses'. La Tuilerie bestaat nog steeds: een bordje verwijst naar een handjevol huizen en boerderijen, wat slordig bijeengeworpen. Rozen genoeg, maar geen enkele woning draagt het opschrift Clos des Roses.

In Dixmont zelf verhaalt het oorlogsmonument (voor beide wereldoorlogen) gedetailleerd wie zijn omgekomen en op welke manier (gefusilleerd, weggevoerd, gesneuveld).

Via Paisy-Cosdon en Estissac marcheerde de Duitse infanterie naar het oosten, naar Troyes. Voor Jünger was die kunststad met zijn prachtige vakwerkhuizen en zijn centrum in de vorm van een champagnekurk, niet meer dan het zoveelste station op zijn route. Op 10 juli noteerde hij slechts dat sprake was van grote vernielingen en dat de westelijke woonwijken waren platgebrand.

Vanuit Villechétif - een dorp met veel vakwerkschuren - wandelde Jünger naar het bos van Belley waar hij op een bescheiden graf stiet, met een conservenblik boven op het kruis. Niets meer van terug te vinden natuurlijk; het bos verdient nauwelijks nog die naam, de weg heet Route du Ballon du Parc en loopt door de binnenlanden naar Piney en Brevonnes. Het gebied lijkt uitgestorven, maar rollende stofwolken verraden dat ook hier volop wordt geoogst.

Langs de meren van Temple en Amance bereikte Jünger op 11 juli Dienville waar hij ' s middags in de kerk een uitvaart bijwoonde. 'Trouw aan mijn gewoonte overal ter wereld waar mogelijk achter onbekende doden te lopen, sloot ik bij de stoet aan.' De 16de-eeuwse kerk met zijn stevige toren ligt naast een fraaie markthal die dateert uit de regeringstijd van Napoleon III. Het is de enige stenen hal in de wijde omtrek.

We steken de Aube over, naar Chaumesnil, rijden langs huizen die uit mergel lijken te zijn opgetrokken, langs velden met zonnebloemen, door het bos van de Zingende Haan (Chantecoq), langs het soldatenmonument van Doulevant-le-Château, naar het noorden, naar Dommartin-le-St-Pierre, naar Vaux-sur-Blaise vanwaar Jünger op 13 juli een wandeling maakte naar het kerkje van Domblain 'waar door de afbladderende kalk zeer oude fresco's schemeren'.

De torenspits is al van verre te zien, boven de bomen. Van dichtbij blijkt de kerk totaal vervallen, met kapotte ruiten, deels dichtgetimmerd met ijzeren platen. Hoe zou het de fresco's zijn vergaan?

Na Joinville aan de Marne en Thonnance (dat bij Jünger Thonnant heette) bereikte hij Pancey, 'een van de kleinste en erbarmeIn mei 1940 vielen Hitlers troepen Frankrijk binnen. De Duitse schrijver Ernst Jünger nam met een infanteriecompagnie deel aan de Blitzkrieg. Slot van een drieluik over Jüngers veldtocht. Beulen draaien de ingewanden van Erasmus op een haspel.

Door Frans van Schoonderwalt

lijkste boerengaten', waar hij nog de sporen van WO I zag. Waren destijds de schuren al zo vervallen, de boerderijen al zo desolaat? Daar kan zelfs het Mariabeeld in een van de tuinen niet tegenop.

In het departement van de Meuse worden de dorpen blauwdrukken van elkaar: Houdelaincourt, Montigny, Vaucouleurs (met een pittige afdaling van 10 procent), Neuville. De Meuse maakt plaats voor Meurthe-et-Moselle, Toul schuift voorbij, Nancy, Château-Salins en we belanden op een hoogvlakte met eindeloze uitzichten en vriendelijke plaatsjes zoals Baronville en Landroff.

De Duitse grens komt al in zicht wanneer we opeens, tamelijk onverwacht, Jüngers dagboek tot leven zien komen. Nou ja, leven!

Op 19 juli bereikte hij Adelange dat al voorzien was van een nieuw plaatsnamenbord: Edelingen. Een dag later bezocht hij het nabijgelegen Buschdorf dat tegenwoordig Boustroff heet. 'Zoals mijn gewoonte is, ging ik het kerkhof op dat als een hoefijzer om de kerk ligt. Hier ontdekte ik iets zeer zeldzaams: een knekelhuis dat als een grot in de kerkhofmuur was aangelegd. Die bevatte minstens 1200 schedels, met bovenop de stapel een fries van beenderen.' De grot was afgesloten met een houten hek.

Het kerkhofje heeft nog steeds die hoefijzervorm. Links van het kerkje - op een terp - liggen oude en nieuwe grafzerken door elkaar en staat een helblauw Mariabeeld, rechts is één enkel graf uit het begin van de vorige eeuw, met Duits opschrift, en een stenen schuurtje, afgesloten met ruwe planken. Er zijn genoeg openingen om binnen een reusachtige stapel doodshoofden en botten te ontwaren. Het knekelhuis bestaat dus nog steeds, al is de grot verdwenen en is er geen sprake meer van een fries. Naast het knekelhuis staat een hortensia uitbundig te bloeien. Het konijnenhok aan de andere kant is leeg.

Van een caféhouder in Adelange/Edelingen vernam Jünger dat in vroegere tijden doden uit de wijde omgeving in Boustroff werden begraven, 'reden waarom de weg van Edelingen naar daar tot vandaag de dag nog steeds Dodenweg heet' (maar anno 2003 niet meer). Omdat het kerkhof eigenlijk veel te klein was, werden aan de lopende band graven geruimd. De beenderen verdwenen in het knekelhuis en volgens de waard wist menige streekbewoner exact welke schedel van zijn opa of oma was!

Tijdens zijn omzwervingen rond beide dorpen stuitte Jünger in de berm ook op stenen heiligenbeeldjes waarvan hij met name die van de heilige Erasmus uitvoerig beschreef. Ze zijn nog allemaal terug te vinden, verweerd en bemost, maar herkenbaar.

Zo staat op de rand van Boustroff een calvariebeeld: Christus aan het kruis, geflankeerd door Maria en Johannes. De heiligen op het zuiltje zijn niet meer te herkennen, wel is nog te ontcijferen dat de dankbare inwoners van Boustroff hiermee God dankzeggen (!) na de tyfusepidemie van 1864, de cholera van 1866 en de oorlogen van 1870 en 1914-' 18.

Bij het verlaten van Adelange, richting Faulquemont (Falkenberg bij Jünger), herdenkt een kruisbeeldje de oorlog van 1939' 44, is de oorsprong van het ijzeren kruis even verderop niet meer te traceren en is aan de overkant, verstopt tussen brandnetels en hoog opgeschoten gras, Erasmus te vinden. Twee beulen draaien zijn ingewanden op een haspel. Jünger: 'De beide knechten die de machine bedienen, staan stram in de houding als na een goed uitgevoerd karwei.' De kleuren die hij beschreef, zijn door wind en regen weggeschuurd.

Op het stenen beeld ligt een ijzeren Christusbeeldje met één arm. Zonder twijfel van een kruis gevallen. Maar welk kruis?

Op 24 juli 1940 keerden Jünger en zijn infanteristen terug in Duitsland. De laatste Franse plaats waar ze doorheen trokken, was Sankt Avold, het eerste Duitse stadje dat ze aandeden, was Lauterbach.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden