Klootloze mannenzang door kwezel in pyjama

Opvoeringen van Death in Venice, de laatste opera van Benjamin Britten (uit 1972), zijn zeldzaam. De voorstelling van zaterdag in Maastricht was een Nederlandse première....

Niet om de jeugd op baldadige ideeën te brengen - de opera gaat over de ontreddering waaraan een man van middelbare leeftijd ten prooi valt bij het ontluiken van een pedo-erotische obsessie - maar om HAVO/VWO-ers rijp te maken voor kwesties als: 'Zou je liever een Venetië hebben gezien met echte gondels enz.?' Of: 'Moet een boekverfilming trouw zijn aan het origineel?'

Wie Death in Venice zegt, heeft het meestal over het meesterwerk van de cineast Visconti uit 1971, waarin een zwijgzame toerist in de ban raakt van een jonge badgast, en hem door heel Venetië volgt. Waar de jongen gaat, gaat ook Gustav von Aschenbach (Derek Bogarde, witte hoed).

In de oorspronkelijke novelle van Thomas Mann - Der Tod in Venedig - is de hoofdpersoon een drooggevallen schrijver. Visconti had de geniale ingeving er een componist van te maken, wat tot gevolg had dat de soundtrack een eigen verhaal kon vertellen. Dat Visconti er het oeuvre van Gustav Mahler voor plunderde, zo fantastisch dat menig filmkijker dacht dat de film over Mahler ging, is te beschouwen als een geval van collateral damage.

Britten had de pech iets later klaar te zijn dan Visconti. Dat leverde vragen op, waar de arme Brit (naar waarheid) alleen op kon antwoorden dat hij heus al jaren bezig was met die opera. De mededeling dat Death in Venice over hemzelf ging, en 'alles' betekende waar hij en zijn vriend Peter Pears 'in het leven voor hadden gestaan', bewaarde hij voor intimi.

Alle goedbedoelde strikvragen ten spijt, zal Opera Zuid veel arme schapen toch op één verkeerd idee brengen, namelijk dat opera iets is om gillend gek van te worden. Denk je dat je het na tweeëneenhalf uur wel gehad hebt met Von Aschenbach, komt die kwezel wéér in zijn pyjama het podium op om het publiek aan zijn kop te zaniken.

En dat terwijl Britten destijds op het toppunt van zijn kunnen stond. Thomas Mann heeft een keer gezegd dat het hem minder te doen was om een homoseksuele bevlieging, dan om de Hartstocht als brenger van verwarring en verlies van waardigheid. Ook bij Britten is de hoofdfiguur samengesteld uit gène, radeloosheid en hunkering naar het volmaakte.

Met zijn librettiste kwam hij tot een opera-technische paradox: de non-confrontatie van een contactgestoorde (de schrijver) en een redelijk normale (de jonge Tadzio), die zijn blikken opmerkt maar hem verder ontwijkt. Waarbij de zwijger steeds aan het woord is, en de redelijk normale zijn kop radicaal dichthoudt.

De permanente tenorale aanwezigheid van Aschenbach is dan ook gegrond in droombeelden, innerlijke monologen en ontmoetingen met surrealistische projecties van de dood, zoals de gondoliere, een hotelbaas, en de kapper die hem knipt en opmaakt, alsof hij al een lijk is.

Britten tovert met het orkest. Knap is het uitwaaieren van een recitatief met enkel pianobegeleiding naar een gelaagd contrapunt van offstage-vrouwenkoor, koper, stemmen op het podium en pulserende strijkersklanken vanuit het ondergrondse.

Het gamelan-achtige idioom dat Britten ontwikkelde in stukken als The prince of the pagodas, viert hier hoogtij als akoestische verbeelding van de 'zinsbegoochelende' Tadzio. Prachtig zijn de vibrafoonakkoorden die zijn opkomst begeleiden. Even fraai is de Sea Interlude die als het ware komt aanwaaien uit Brittens opera Peter Grimes.

Het bezwaar is dat in deze opera ook gezongen wordt. Britten componeerde de Aschenbachpartij voor Peter Pears, de tenor met wie hij een soort 'Engelse prosodie' ontwikkelde. Een in hoge, gedragen noten neergelegde zang die model staat voor alles wat puur en kwetsbaar, dromerig en verlangend is.

Het is een tandenloze, tevens geheel bot- en klootloze vorm van mannenzang, die als een gelei over het hele stuk ligt, en ook andere gezongen lijnen infecteert. Tot in de falsetzang van de bariton die als 'oude gek' de dood belichaamt. De tenor Alan Oke (Aschenbach) verricht hier prestaties, maar ze zijn om tureluurs van te worden.

Gastdirigent James Lockhart is er zo dol op dat hij ook uit het orkest alle drive wegmasseert. Het Limburgs Symphonie Orkest is hier een akoestisch weekdier, op zoek naar ritme. Even markant is de enscenering van Opera Zuid-leider Mike Ashman. Het speelvlak is een uitvergrote concertvleugelklep, die als hangplek dient voor een kneuterig tienerclubje. Onder wie de sympathiek ogende Menno Neus (Tadzio) die de verdienste heeft min of meer zichzelf te zijn.

Uit het plafond dalen beschilderde aanlegpalen neer, met de ambitie van een hengst die er zin in heeft. Maar als iets om meer pk's vraagt, dan is het de belichting. In het halfduister van Opera Zuid blijft zelfs het gezicht van Tadzio een raadsel, en dat is voor een avondje Britten teveel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden