Klinken in het voorhuys

Wijnglazen, trekpotjes, borden; van alles lag er in de beerput van de 18de-eeuwse herberg De Visscher in Vlaardingen. Een Rotterdamse promovenda onderzocht het gerei en reconstrueerde dat bier op zijn retour raakte en thee bij het volk kwam....

We durven het niet met zekerheid te zeggen, maar Het Waaigat Wonen in Vlaardingen is hoogstwaarschijnlijk de enige Nederlandse meubelzaak met een eigen beerput.

Het ommuurde gat in de grond bevindt zich tussen banken, tafels en stoelen, tegen een muurtje. Het is gevuld met 'beer' (hier: zand) en scherven van borden en glazen, alsof een nieuwe eethoek net feestelijk in gebruik is genomen. Maar gelukkig voor de bezoekers wordt de put al jaren niet meer gebruikt: er ligt geen plank met een gat op, maar een glazen plaat. De informatiebordjes geven aan dat het hier om een minuscule toeristische attractie gaat.

Een historische, wel te verstaan: de beerput is het enige tastbare overblijfsel van een verre voorganger van de meubelzaak, herberg De Visscher. Die bevond zich tussen 1742 en 1805 op deze profijtelijke plek aan het centrale plein van de oude vissersstad, zo wijzen archiefstukken uit. De put werd, samen met andere resten van de herberg, in 1990 ontdekt door de plaatselijke archeologische vereniging Helinium toen in de meubelwinkel een grote verbouwing plaatsvond.

'Maar dit is niet de echte put, hoor', zegt drs. Cora Laan enthousiast. 'Dan had-ie midden in de achterkamer gestaan.' De Vlaardingse historica wijst op een plek onder een muurtje verderop. 'Daar hebben ze de put ontdekt, waar hij zich bevond in een gang tussen het voorhuis en de keuken. Maar dat kwam voor de winkel niet goed uit. Wat je ziet, is een replica. Een klein restant van de put zit nog onder de muur.'

Laan kan het weten: vrijdag promoveert ze aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op haar onderzoek Drank en drinkgerei, naar de alledaagse drinkcultuur van de 18de-eeuwse Hollanders (handelseditie bij uitgeverij De Bataafsche Leeuw, ISBN 90 6707 557 4).

De inventaris van de échte beerput vormt een belangrijk onderdeel van die studie. Jarenlang is Laan met Vlaardingse archeologen bezig geweest de scherven van meer dan duizend potten, pannen, borden, kopjes, schoteltjes, bekers en kelken van glas en keramiek aan elkaar te plakken en te catalogiseren.

Hoe zag een herberg eruit in de 18de eeuw? Wie kwamen er? Hoe en wat dronken de gasten? Welke ontwikkelingen vonden er plaats in eet- en drinkgewoonten? Op die vragen, die veel blootleggen over het dagelijks leven uit die tijd, hebben historici en archeologen nog nauwelijks antwoorden gevonden, zegt Laan. Dat komt vooral doordat drinken een zo vanzelfsprekende handeling was, dat er toen nauwelijks iets over werd geschreven.

Laan, afgestudeerd als maatschappijhistorica met het bijvak archeologie, besloot voor haar studie archeologisch en historisch onderzoek te combineren. De vondsten uit de beerput legde ze naast een boedelinventaris, transportakten, kadastrale kaarten, bouw-, funderings- en archeologische veldtekeningen van herberg De Visscher die ze in plaatselijke archieven vond.

Die gegevens vergeleek ze met soortgelijke vondsten en inventarissen uit Delft. Bovendien bekeek ze schilderijen en prenten uit onder meer het museum Boijmans van Beuningen, die haar meer konden vertellen over drinkgewoonten uit de 18de eeuw.

Vlaardingen moet in de tweede helft van die eeuw een levendige drinkcultuur hebben gehad, concludeert Laan. Het vissersplaatsje bevond zich in een tijd van economische neergang, had zo'n 5600 inwoners, en toch kon Laan er tien herbergen lokaliseren.

Die vervulden niet allemaal dezelfde functie, voegt de promovenda toe. 'In herberg De Hollandsche Tuyn konden gasten logeren en hun paarden stallen. Bovendien werden er openbare bijeenkomsten zoals veilingen gehouden. In herberg De Visscher kon je alleen eten en drinken. Het was een soort eetcafé.'

Dat had waarschijnlijk met de locatie te maken. De Visscher lag aan de markt, met uitzicht op de Grote (hervormde) Kerk, de Vleeshal, de Waag en het stadhuis - allemaal gebouwen die er ook nu nog staan. Vooral op woensdag en zaterdag, de marktdagen, moet het vol mensen hebben gezeten die even wat kwamen eten of drinken.

Ze konden daarvoor, net zoals in de onderzochte Delftse herberg, uit twee ruimtes kiezen: het voorhuys of de baijer. In de voorkamer, waar je via de voordeur meteen terechtkwam, stonden twee tafels en twee banken, ontdekte Laan. Gasten, voornamelijk mannen, dronken hier alcoholische dranken als bier, wijn, jenever en mede, een honingdrank die uit de mode was geraakt maar blijkbaar in Vlaardingen nog altijd populair was.

In de afgescheiden achterkamer, de baijer, stonden stoelen en tafels. Daardoor heerste er volgens Laan een wat huiselijker sfeer. Gasten konden hier koffie en thee drinken, van een pijpje genieten, en kregen eten geserveerd. Analyse van grondmonsters toont aan dat men veel vis at, maar bijvoorbeeld ook rundvlees. Er zijn bovendien kersenpitten en eierschalen aangetroffen.

Glas- en aardewerk dat kapotging, verdween meteen in de beerput. De inhoud daarvan stamt vooral uit de periode 1770-1790, blijkt uit de analyse van aangetroffen pijpenkoppen. Die zijn te dateren omdat ze steeds anders werden bestempeld door producenten.

De andere vondsten in de tweeënhalf meter diepe put brachten Laan tot interessante gevolgtrekkingen. 'Zo is duidelijk te zien dat het bier op zijn retour is in deze periode.' Bier was lange tijd de populairste drank in Holland. Laan vond in de beerput echter veel meer kleine kelkglazen, een soort borrelglazen met hoge poot, die werden gebruikt voor wijn en jenever, dan de bekerglazen waaruit bier werd gedronken.

Koffie en thee waren ook geduchte concurrenten van het bier. In de 17de eeuw waren deze warme dranken duur en daardoor voorbehouden aan de elite, die vooral aan het drinken van thee hele rituelen verbond. De resten in de beerput laten zien dat die dranken, inmiddels goedkoper geworden, populair waren geworden bij het gewone volk.

De put zat vol trekpotjes (waarin de sterke thee zat die met kokend water werd aangelengd), melkkannetjes, kopjes en schotels, spoelkommen (waarin de theeblaadjes uit het lege kopje werden gespoeld) en een theelepeltje. De boedelinventarissen vermelden bovendien metalen voorwerpen (die veel minder in de beerput verdwenen) als kraantjeskannen, koffiekannen, theevazen, theebusjes en serveerbladen.

Ook de modernisering kon Laan aflezen aan de beerput-vondsten. Het representatieve koffie- en theegerei in De Visscher was gemaakt van luxe, modieus aardewerk. Modieus betekende in die tijd: gemaakt in Engeland. Dat land bevond zich in de eerste fase van de industriële revolutie en was de productie aan het rationaliseren. Het overspoelde de markt met betaalbaar en kwalitatief superieur keramiek als creamware, wereldberoemd geworden dankzij een van de producenten: Josiah Wedgewood.

Het brosse, breekbare Delfts aardewerk was, net als Chinees porselein en Duits steengoed, door deze ontwikkeling op zijn retour. Toch trof Laan vooral onder het eetgerei nog veel van dit 'ouderwetse' keramiek aan. Vooral borden waren nog van Delfts tinglazuur aardewerk vervaardigd en beschilderd met de voor herberg De Visscher karakteristieke drie haringen. Laan denkt dat het uit gewoonte was: men was nu eenmaal gewend dit aardewerk te gebruiken om van te eten.

De borden zijn inmiddels een blijvende erfenis van De Visscher geworden. De meubelzaak biedt replica's te koop aan, die boven de beerput aan de muur hangen. Wanneer Laan ze aanwijst, komt net de eigenares aanlopen met een kop koffie. 'De eerste keer dat ik in De Visscher koffie drink', constateert de promovenda blij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden